Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2010:BL3967

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
16-02-2010
Datum publicatie
16-02-2010
Zaaknummer
AWB 10/153
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Kap- en aanlegvergunning voor het kappen van houtopstanden in verband met de realisering van een bedrijventerrein. Belanghebbende. Onduidelijk welke "waarde" als bedoeld in de APV in geding is. Niet gemotiveerd waarom de houtopstanden, die kennelijk een waarde vertegenwoordigen, moeten wijken voor het bedrijventerrein. Flora- en fauna. Vleermuizen. Omdat sprake is van onomkeerbare gevolgen en ongewis is of de gemeente de gebreken kan herstellen in de beslissing op bezwaar, is de vergunning geschorst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2010, 23K, p. 381 (afl. 6)
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 10/153

uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 februari 2010 als bedoeld in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[naam],

wonende te [woonplaats],

verzoekster (hierna: [X]),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dantumadiel,

verweerder (hierna: het college),

gemachtigden: M. Vriesema, werkzaam bij de gemeente Dantumadiel, en A. van der Ploeg, wethouder van die gemeente.

Procesverloop

Bij brief van 15 december 2009 heeft het college aan de gemeente Dantumadiel (hierna: de gemeente) een kap- en een aanlegvergunning verleend. [X] heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Tevens heeft zij zich bij brief van 25 januari 2010 tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is ter zitting behandeld op 10 februari 2010. [X] is in persoon verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden en de gemeente heeft zich als vergunninghoudster laten vertegenwoordigen door haar ambtenaar J. Broersma.

Motivering

Formele overwegingen

1.1 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om [X] te kunnen ontvangen. Zij woont in het gebied waarop het bestreden besluit betrekking heeft en de voorzieningenrechter acht het gegeven dat volgens het college de afspraak is gemaakt dat zij op 1 mei 2010 haar woning zal verlaten onvoldoende om [X] niet als belanghebbende bij het bestreden besluit aan te merken, te meer daar [X] het bestaan van die afspraak uitdrukkelijk betwist en in dat verband een civiele procedure zal worden gevoerd. Bovendien wil de gemeente uiterlijk per 1 maart 2010 met kappen beginnen. Met dit laatste is voorts genoegzaam aangetoond dat [X] een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.

1.2 Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter. Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de hoofdzaak luidt dat het bezwaar tegen het aangevallen besluit gegrond verklaard zal moeten worden.

Feiten

2.1 Op 31 juli 2009 heeft de gemeente een drietal kap- en aanlegvergunningen aangevraagd voor het kappen en rooien van bomen en het dempen van watergangen. De werkzaamheden zullen plaatsvinden ten behoeve van het realiseren van een omvangrijk bedrijventerrein. Het college heeft bij drie besluiten op die aanvragen beslist. Bij het in deze procedure bestreden besluit heeft het college de gemeente een kap- en aanlegvergunning verleend om 2.300 meter elzensingel, 20 stuks vrijstaande inheemse bomensoorten en 1.200 m2 inheemse boomsoorten aan de oostkant van Zwaagwesteinde, op een groot aantal percelen, in het besluit aangeduid met kadastrale nummers, te kappen en te rooien. Aan deze vergunningen heeft het college onder meer de voorwaarde verbonden dat de elzensingels moeten worden verwijderd in de periode november tot en met februari, zodat de vleermuizen zo min mogelijk worden gestoord. Verder schrijft het besluit een herplantplicht voor. Ten slotte heeft het college in dat besluit een aanlegvergunning verleend voor het dempen van watergangen.

Geschil

3.1 Ter zitting heeft [X] desgevraagd uitdrukkelijk verklaard dat, hoewel zij in haar bezwaar- en verzoekschrift rept over in totaal drie kapvergunningen, zij alleen wil opkomen tegen bovengenoemd besluit, en dan alleen voor zover dit betreft het kappen van de bomen. Zij is verder - onder meer, voor zover van belang en samengevat - van mening dat er geen afdoende flora- en fauna-onderzoek heeft plaatsgevonden, gelet op de aanwezige vleermuizen en andere dieren. Volgens haar maken vleermuizen voor hun voedsel gebruik van de elzensingels op en rondom haar erf. Verder wijst zij er op dat er nog een beroepsprocedure loopt bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) tegen het bestemmingsplan "De Westereen-East" (hierna: het bestemmingsplan). In samenwerking met vier omliggende gemeenten heeft de gemeente nu juist besloten dat het singellandschap moet worden behouden. Verder liggen de Ecologische Hoofdstructuur en het Nationaal Landschap "Noordelijke Wouden" in Zwaagwesteinde naast elkaar. Wegens de onomkeerbaarheid van het kappen van bomen verzoekt zij om een schorsing van het bestreden besluit.

3.2 Het college is - onder meer en samengevat - van mening dat het feit dat de singels in het gebied de "Noardlike Fryske Wâlden" staan aangeeft dat die singels inderdaad een bepaalde waarde hebben, maar gezien het belang van de nieuwbouwplannen helaas niet alle behouden kunnen blijven. Door herplant zullen de kernkwaliteiten van het Nationale Landschap "Noardlike Fryske Wâlden" worden gewaarborgd.

Rechtsoverwegingen

4.1 Ingevolge artikel 4.3.2, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Dantumadiel (APV) is het verboden zonder vergunning van het college houtopstanden te vellen of te doen vellen. Ingevolge artikel 4.3.5 van de APV kan de vergunning in elk geval worden geweigerd op grond van:

a. de natuurwaarde van de houtopstand;

b. de landschappelijke waarde van de houtopstand;

c. de waarde van de houtopstand voor het dorpsschoon;

d. de beeldbepalende kwaliteit van de houtopstand;

e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand;

g. de boomwaarde van de houtopstand.

Uit deze bepalingen vloeit voort dat als er zich een weigeringsgrond voordoet, dit niet betekent dat het college gehouden is een kapvergunning te weigeren. Artikel 4.3.5 van de APV is immers een discretionaire bevoegdheid van het college. Als het college de kapvergunning toch wil verlenen, moet het de bij het besluit tot verlening van kapvergunning betrokken belangen tegen elkaar afwegen. De uitoefening van deze bevoegdheid dient door de bestuursrechter daarom terughoudend te worden getoetst. Beoordeeld dient te worden of het college na bovengenoemde belangenafweging in redelijkheid tot dit besluit heeft kunnen komen.

4.2 In de eerste plaats stelt de voorzieningenrechter vast dat het college niet heeft aangegeven wat de "bepaalde waarde" is die het blijkens het bestreden besluit aan de singels toekent. Ook ter zitting heeft het college niet kunnen verduidelijken om welke waarde het gaat. Dat klemt te meer omdat het college die waarde in verband brengt met de ligging van de singels in het Nationaal Landschap "De Noardlike Fryske Wâlden". Bovendien heeft de gemeente voor het gebied een "Groenvisie" opgesteld waarin wordt gewezen op de unieke landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische en recreatieve kwaliteiten, die moeten worden behouden, duurzaam beheerd en waar mogelijk versterkt. Volgens de Groenvisie kunnen Nationale Landschappen zich sociaal-economisch ontwikkelen, mits daarbij de kernkwaliteiten van het landschap worden behouden of versterkt.

4.3 De voorzieningenrechter overweegt in dit verband dat blijkens de gegevens in het dossier niet valt uit te sluiten dat de te kappen bomen in ieder geval een natuurwaarde hebben. Zo komt uit de diverse rapporten van BügelHajema Adviseurs BV naar voren dat onderzoek is gedaan naar het voorkomen van vleermuizen in het gebied. Echter blijkt uit de aanvullende vleermuizeninventarisatie Zwaagwesteinde-Oost van 4 augustus 2008 en uit het rapport van 28 oktober 2009 dat BügelHajema alleen gekeken heeft naar het voorkomen van deze dieren rondom een aantal te slopen gebouwen, waaronder de woning van [X]. Niet is bezien of de elzensingels voor vleermuizen enige betekenis hebben. Dat laatste klemt temeer, nu het bestreden besluit op advies van BügelHajema het voorschrift bevat dat de elzensingels alleen tijdens de winterslaap van de vleermuizen mogen worden gekapt, hetgeen erop wijst dat die bomen voor deze dieren van belang kunnen zijn.

4.4 Voorts heeft het college in het bestreden besluit weliswaar beargumenteerd wat het belang van de nieuwbouwplannen is, maar heeft het, nog afgezien van het feit dat, zoals onder 4.2 overwogen, niet is aangegeven welke waarden de elzensingels hebben, niet inzichtelijk gemaakt hoe het de daarvoor in aanmerking komende belangen tegen elkaar heeft afgewogen en waarom het belang van de nieuwbouwplannen daarbij de doorslag heeft gegeven.

4.5 Verder verplichten de artikelen 16, zesde lid, onder d, en 17, vijfde lid, onder d, van het bestemmingsplan het college om bij het verlenen van een aanlegvergunning om houtsingels te rooien of te kappen, er voor te zorgen dat door uitvoering van het werk of de werkzaamheid geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het besloten karakter van het landschap en de daarbij behorende optrekkende kavelstructuur. Het college heeft in het bestreden besluit volstaan met een verwijzing naar de inrichtingsprincipes in de Groenvisie met herinrichtingskaart, maar heeft, ook ter zitting, niet nader gemotiveerd waarom volgens hem bij het verlenen van de onderhavige kap- en aanlegvergunning geen sprake is van afbreuk als in die artikelen bedoeld.

4.6 Voor zover [X] heeft gewezen op de nog lopende beroepsprocedure bij de AbRS, overweegt de voorzieningenrechter dat uit vaste jurisprudentie van de AbRS (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 januari 2008, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder LJN: BC3574) blijkt dat alleen de bepalingen uit de APV het toetsingskader vormen voor de toetsing van aanvragen om een kapvergunning en dat eventuele procedures over (onder meer) een bestemmingsplan, in beginsel hiervan losstaan. De voorzieningenrechter ziet in dit geval geen aanleiding om een uitzondering op dat beginsel aan te nemen.

4.7 De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet berust op een deugdelijke motivering. Er bestaat bij hem twijfel over de vraag of het college, eventueel na nader onderzoek, deze gebreken in zijn besluit op bezwaar zal kunnen herstellen. Het betoog van het college op de zitting ter nadere onderbouwing van zijn standpunt heeft deze twijfel niet weggenomen. Daarom acht de voorzieningenrechter het in de tussentijd, om onomkeerbare gevolgen te voorkomen, aangewezen om een voorlopige voorziening te treffen. Hij zal daarom het bestreden besluit zoals in het dictum nader aan te geven schorsen, voor zover [X] dit heeft aangevochten, dat wil zeggen voor zover dit besluit betrekking heeft op het kappen en rooien van 2.300 meter elzensingel, 20 stuks vrijstaande inheemse bomensoorten en 1.200 m2 inheemse boomsoorten aan de oostkant van Zwaagwesteinde, op de desbetreffende percelen.

4.8 De voorzieningenrechter ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, van de Awb te bepalen dat het college het griffierecht van € 150,00 aan [X] dient te vergoeden. Hij zal geen proceskostenveroordeling uitspreken, nu van proceskosten in de zin van het besluit proceskosten bestuursrecht aan de zijde van [X] niet is gebleken.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

- schorst het bestreden besluit, voor zover [X] dit heeft aangevochten, tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar, met dien verstande dat wanneer binnen die termijn opnieuw een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is ingediend, de schorsing doorloopt totdat de voorzieningenrechter op dat verzoek heeft beslist;

- bepaalt dat het college het griffierecht van € 150,00 aan [X] vergoedt.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Leegsma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2010.

w.g. J.R. Leegsma

w.g. P.G. Wijtsma

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.