Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2010:BL2957

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
04-02-2010
Datum publicatie
08-02-2010
Zaaknummer
AWB 09/2672
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Vereenvoudigde behandeling
Inhoudsindicatie

Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen. Overgangsrecht. Geen aanleiding voor stellen andere termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 09/2672

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 februari 2010 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[naam],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. D. van der Wal, advocaat te Buitenpost,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Smallingerland,

verweerder,

gemachtigde: M.K.K. van der Vinne, werkzaam bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij brief van 19 januari 2009 heeft verweerder eiser mededeling gedaan van zijn besluit betreffende de toepassing van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij dit besluit heeft verweerder de uitkering van eiser per 18 januari 2009 tot een nader te bepalen datum verlaagd met 100%. Eiser heeft tegen dit besluit op 6 februari 2009 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar op 7 juli 2009 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de beslissing op bezwaar van 7 juli 2009 beroep ingesteld bij de rechtbank en aan de voorzieningenrechter van de rechtbank gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 4 september 2009 (zaak met registratienummers 09/1406 & 1409) heeft de voorzieningenrechter uitspraak gedaan in de hoofdzaak, het beroep gegrond verklaard en de beslissing van 7 juli 2009 vernietigd. Hierbij is overwogen dat verweerder opnieuw op het bezwaarschrift van eiser zal moeten beslissen.

Eiser heeft op 19 oktober 2009 aan verweerder een ingebrekestelling verzonden, wegens het niet tijdig nemen van een nieuwe beslissing op zijn bezwaar. Vervolgens heeft eiser op 5 november 2009 beroep ingesteld bij de rechtbank tegen de weigering van verweerder om tijdig (opnieuw) op het bezwaarschrift te beslissen.

Verweerder heeft op 16 december 2009 een verweerschrift ingediend.

Motivering

Geschil

1.1 Eiser heeft aan de rechtbank gevraagd het beroep gegrond te verklaren en te bepalen dat verweerder binnen twee weken een besluit op het bezwaar dient te nemen, onder verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag voor elke dag dat verweerder nalatig is om na de twee weken termijn een besluit op bezwaar te nemen.

1.2 Verweerder heeft in het verweerschrift aangegeven dat een nieuw medisch onderzoek noodzakelijk wordt geacht om een beslissing op bezwaar te kunnen nemen. Eiser heeft inmiddels op 6 november 2009 het spreekuur van de medisch adviseur bezocht en verweerder is in afwachting van het advies.

Beoordeling van het geschil

2.1 Op 1 oktober 2009 is de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen in werking getreden. Ingevolge het overgangsrecht zoals neergelegd in artikel III, eerste lid, van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen blijft op het niet tijdig beslissen op een aanvraag die of een bezwaar- of beroepschrift dat is ingediend voor het tijdstip waarop paragraaf 4.1.3.2 van de Awb van toepassing is geworden, het recht zoals dit gold voor dat tijdstip van toepassing. In het onderhavige geval is het bezwaarschrift ingediend vóór 1 oktober 2009 en ook de uitspraak van de voorzieningenrechter, waarbij verweerder is opgedragen om opnieuw op het bezwaar te beslissen, dateert van vóór 1 oktober 2009. Gelet hierop zijn de nieuwe dwangsombepalingen van paragraaf 4.1.3.2 Awb (de artikelen 4:16 tot en met 4:20 Awb) in dit geval niet van toepassing.

2.2 Het beroep van eiser gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar is ná 1 oktober 2009 ingediend. Gelet op artikel III, tweede lid, van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen, is de per 1 oktober 2009 in werking getreden afdeling 8.2.4A (artikel 8:55a tot en met 8:55e) van toepassing op dit beroep.

2.3 Volgens vaste jurisprudentie geldt dat voor de bepaling van de termijn waarbinnen na een rechterlijke vernietiging opnieuw op het bezwaarschrift moet worden beslist in beginsel aangesloten kan worden bij de beslistermijnen van artikel 7:10 Awb. Ten tijde hier van belang bedroeg de beslistermijn -nu in verweerders gemeente een adviescommissie is ingesteld als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb- tien weken. De rechtbank stelt vast dat het beroepschrift voortijdig is ingediend, nu ten tijde van het indienen van het beroepschrift de beslistermijn nog niet was verstreken. Ook de ingebrekestelling is gelet op het vorenstaande prematuur ingediend. De rechtbank stelt voorts vast dat de beslistermijn inmiddels wel is verstreken en dat verweerder nog geen beslissing op het bezwaar van eiser heeft genomen. Niet-ontvankelijkverklaring van het beroep kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook om proceseconomische redenen achterwege blijven.

2.4 Omdat verweerder niet tijdig op het bezwaar heeft beslist, is het beroep van eiser kennelijk gegrond. Voortzetting van het onderzoek is niet nodig. De rechtbank sluit het onderzoek en doet, mede gelet op artikel 24 van de Procesregeling 2008, uitspraak met toepassing van artikel 8:54 van de Awb.

2.5 Gelet op het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb zal de rechtbank verweerder opdragen binnen een termijn van twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op het bezwaar van 6 februari 2009 te nemen. De rechtbank ziet geen aanleiding om gebruik te maken van haar bevoegdheid als bedoeld in het derde lid van artikel 8:55d om een andere termijn te stellen. Het door verweerder vermelde medische onderzoek heeft al in november 2009 plaatsgevonden en sindsdien is er voldoende tijd geweest voor het formuleren van een advies en het nemen van een beslissing op bezwaar.

2.6 De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom van € 100,00 verbeurt voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,00.

2.7 Met toepassing van artikel 8:75 van de Awb veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de proceskosten van eiser in deze procedure vastgesteld op € 109,25 ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (beroepschrift 1 punt; gewicht van de zaak: zeer licht; waarde per punt € 437,00). Aangezien in deze procedure aan eiser een toevoeging krachtens de Wet op de rechtsbijstand is verleend, dient het (gehele) bedrag van de kosten te worden betaald aan de griffier van de rechtbank.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 6 februari 2009;

- bepaalt dat verweerder binnen twee weken na dagtekening van deze uitspraak alsnog een beslissing op het bezwaarschrift van 6 februari 2009 neemt;

- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,00 verbeurt voor elke dag waarmee eerstgenoemde de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,00;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 41,00 aan eiser vergoedt;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 109,25, te betalen aan de griffier van de rechtbank.

Aldus gegeven door mr. E. de Witt, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P.R.M. Poiesz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2010.

w.g. P.R.M. Poiesz

w.g. E. de Witt

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden het rechtsmiddel verzet open. Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (verzetschrift) te zenden aan:

Rechtbank Leeuwarden

sector Bestuursrecht

Postbus 1702

8901 CA Leeuwarden

In het verzetschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt. U kunt daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.