Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2010:BL2951

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
08-02-2010
Datum publicatie
09-02-2010
Zaaknummer
AWB 09/2978 en AWB 10/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Ontheffing vigerende bestemmingsplan ten behoeve van de herlocatie van een sport- en afslankinstituut.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummers: AWB 09/2978 en AWB 10/11

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 februari 2010 als bedoeld in artikel 8:84 en artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[A], [B], [C], [D], en [E],

allen wonende te Harkema,

verzoekers,

gemachtigde: mr. E.J. Postma,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Achtkarspelen (hierna: het college),

verweerder,

gemachtigde: mr. B.J.H. Zuur, werkzaam bij de gemeente Achtkarspelen.

Procesverloop

Bij besluit van 11 november 2009 heeft het college aan [F] ontheffing verleend van het bestemmingsplan Quakkenburg voor het vestigen van een sport- en afslankinstituut op het perceel [voorgenomen adres] te Harkema met toepassing van artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro).

Tegen dit besluit hebben verzoekers beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nummer 09/2978.

Tevens hebben verzoekers zich tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is geregistreerd onder nummer 10/11.

Het verzoek is ter zitting behandeld op 27 januari 2010. Behoudens [C] zijn alle verzoekers in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Het college is verschenen bij zijn gemachtigde. Daarnaast is [F], vergezeld door haar partner, verschenen. Zij neemt op de voet van artikel 8:26 van de Awb als belanghebbende deel aan het geding.

Motivering

Feiten

1.1 Sedert 2005 exploiteert [F] een sportschool en een afslankinstituut aan [huidige adres]. Op 1 september 2009 heeft [F] het college verzocht haar toestemming te verlenen om haar sportschool c.q afslankinstituut te vestigen in een deel van een loods aan [voorgenomen adres], groot 560 m2. Door een toename aan belangstelling beschikt zij aan [huidige adres] over onvoldoende ruimte. Ook is daar te weinig parkeergelegenheid voor haar klanten aanwezig, terwijl rond de loods voldoende parkeermogelijkheden zijn.

1.2 Op 29 september 2009 heeft het college in het huis-aan-huisblad “de Feanster” bekend gemaakt dat het voornemens is voor het vestigen van een sport- en afslankinstituut op het perceel [voorgenomen adres] ontheffing te verlenen van het bestemmingsplan.

1.3 Verzoekers hebben schriftelijk hun zienswijze over dit voornemen naar voren gebracht. Bij brief van 11 november 2009 heeft het college verzoekers gemotiveerd meegedeeld dat het in hun naar voren gebrachte zienswijzen geen aanleiding ziet om de ontheffing te weigeren. Bij het bestreden besluit heeft het college de verzochte ontheffing verleend.

Het geschil

2.1 Verzoekers stellen zich op het standpunt - samengevat weergegeven- dat het bestemmingsplan niet de mogelijkheid biedt om voor het vestigen van een sportschool en een afslankinstituut op het perceel [voorgenomen adres] ontheffing te verlenen. Onder meer omdat een dergelijk bedrijf naar zijn aard en naar zijn effecten op het woonklimaat niet gelijk te stellen is met de bedrijven, die ingevolge het bestemmingsplan zonder meer ter plaatse gevestigd kunnen worden. Naar de mening van verzoekers past zo’n bedrijf, gelet op de hoeveelheid geluid die er wordt geproduceerd, ook niet in de directe nabijheid van woningen. Voor deze opvatting kan steun geworden in de brochure “Bedrijven en milieuzonering” van de VNG, aldus verzoekers. Voorts is aangevoerd dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bedrijf ter plaatse niet voor parkeer- en verkeersproblemen zal zorgen.

2.2 Onder verwijzing naar de brief van 11 november 2009 heeft het college bij het bestreden besluit zich op het standpunt gesteld dat een sport- en afslankinstituut naar aard en naar effecten op het woonklimaat gelijk te stellen is met bedrijven die genoemd zijn in de bij de bestemmingsplanvoorschriften behorende Staat van bedrijven onder de categorieën 1 en 2 met zone 30 meter, in aanmerking genomen dat het perceel [voorgenomen adres] ligt in een gebied waar zich zowel woningen als bedrijven bevinden. Dit betekent, aldus het college, dat voor de vestiging van een sport- en afslankinstituut ontheffing verleend kan worden. Het college heeft geen redenen gezien om de ontheffing te weigeren. Anders dan verzoekers menen, verwacht het college geen verkeersproblemen, nu aan de voorzijde van het perceel [voorgenomen adres] circa 500 m2 bestemd is voor parkeren. Voor wat betreft de door verzoekers gevreesde geluidsoverlast heeft het college in de brief van 11 november 2009 overwogen dat het sport- en afslankinstituut dient te voldoen aan de in het Activiteitenbesluit milieubeheer gestelde geluidseisen en het college handhavend zal optreden als daar niet aan zal worden voldaan.

Beoordeling van het verzoek

3.1 Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om verzoekers te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoekers een spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorlopige voorziening.

3.2 Indien, zoals in het onderhavige geval, het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan terwijl beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit het geval. De voorzieningenrechter zal daarom onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

De verleende ontheffing

3.3 Op 1 juli 2008 is de Wro in werking getreden en de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) komen te vervallen. In artikel 9.1.4, eerste lid, van de Invoeringswet Wro is voor bestemmingsplannen bij wijze van overgangsrecht bepaald dat een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 10 van de WRO wordt gelijkgesteld met een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wro. In artikel 9.1.7, eerste lid, van de Invoeringswet Wro is voor binnenplanse vrijstellingen bij wijze van overgangsrecht bepaald - voor zover hier van belang- dat een vrijstelling als bedoeld in artikel 15 van de WRO wordt gelijkgesteld met een ontheffing als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder c van de Wro. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat burgemeester en wethouders, met inachtneming van de bij het plan te geven regels, van bij het plan aan te geven regels ontheffing kunnen verlenen.

3.4 Ter plaatse geldt het bestemmingsplan Quakkenburg. Ingevolge dit bestemmingsplan rust op het perceel [voorgenomen adres] de bestemming Bedrijfsdoeleinden. Daarnaast is het perceel [voorgenomen adres] op de plankaart aangeduid met BI.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften zijn dergelijke gronden -voor zover hier van belang- bestemd voor:

- voorzover op de plankaart aangeduid met BI: bedrijven die zijn genoemd in de bij deze voorschriften behorende Staat van bedrijven onder de categorieën 1 en 2 met zone 30 m;

- (…)

- (…)

- Opleidingscentra;

- (…)

Ingevolge artikel 4, onder c, van de planvoorschriften kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid 1 ten behoeve van de vestiging van bedrijven, die volgens de Staat van bedrijven niet toelaatbaar zijn in de op plankaart met BI en BII aangeduide zones, mits deze bedrijven naar hun aard en naar hun effecten op het woon- en leefklimaat gelijk zijn te stellen met de wel toegelaten bedrijven.

3.5 Uit de bewoordingen van het bestreden besluit blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende duidelijk dat het college met toepassing van de in artikel 4, vierde lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften, neergelegde bevoegdheid ontheffing heeft verleend. De verwijzing naar artikel 4, vierde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, dient als een kennelijk verschrijving te worden beschouwd. Verder brengt, in aanmerking genomen dat in het spraakgebruik “het vestigen van een bedrijf” niet alleen het oprichten van een bedrijf maar ook het uitoefenen van een bedrijf kan betekenen, een redelijke uitleg van artikel 4, vierde lid, aanhef en onder c van de planvoorschriften, naar het oordeel van de voorzieningenrechter mee dat het college op grond van dat artikel onder voorwaarden bevoegd is ontheffing te verlenen voor het op het perceel [voorgenomen adres] uitoefenen van een bedrijf dat naar zijn aard en naar zijn effecten op het woon- en leefklimaat gelijk is te stellen is met de in de Staat van bedrijven onder de categorieën 1 en 2 met zone 30 meter genoemde bedrijven. De omstandigheid dat het planvoorschrift in het bestemmingsplan is aangeduid met het kopje “vrijstelling van de bebouwingsbepalingen” kan, anders dan verzoekers menen, niet tot een ander oordeel leiden, nu de bewoordingen van het planvoorschrift bepalend zijn voor zijn strekking. De door verzoekers voorgestane interpretatie van artikel 4, vierde lid, onder a, van de planvoorschriften zou ertoe leiden dat eerst na sloop van de loods en met indiening van een bouwaanvraag toepassing gegeven kan worden aan artikel 4, vierde lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften. Ook om die reden kan deze als kennelijk onredelijk te achten interpretatie niet worden gevolgd.

3.6 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich ten onrechte krachtens voormeld planvoorschrift bevoegd geacht ontheffing te verlenen voor vestiging van een sportschool en afslankinstituut. In de Staat van bedrijven zijn geen dienstverlenende bedrijven op het gebied van sport of recreatie noch op het gebied van gezondheids- en welzijnszorg opgenomen. De sportschool- en de afslankinstituut-activiteiten kunnen dan ook, los van de invloed die zij hebben op hun omgeving, naar hun aard niet worden gelijkgesteld met bedrijfsactiviteiten bedoeld in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijven.

3.7 Dit betekent dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 4, vierde lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften zal worden vernietigd. Om die reden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen met betrekking tot het nieuw te nemen besluit

3.8 Uit het vorengaande volgt dat het bevoegde orgaan opnieuw op het verzoek van [F] zal moeten beslissen. Ten behoeve van die nieuw te nemen beslissing wijst de voorzieningenrechter op het volgende.

3.8.1 In de eerste plaats heeft de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten gevonden voor het standpunt van verzoekers dat [F] met haar verzoek tevens verzocht heeft om op het perceel [voorgenomen adres] detailhandel uit te oefenen. Zowel de aanvraag als de aard van de verzochte bedrijfsactiviteiten biedt voor dat standpunt geen steun. In dit verband overweegt de voorzieningenrechter dat in de aanvraag is gesteld dat het afslankinstituut zich richt op het verstrekken van voedingsadviezen en cursussen fit en slank en dat dergelijke activiteiten geen detailhandel inhouden.

3.8.2 Evenmin onderschrijft de voorzieningenrechter de opvatting van het college dat geluidsaspecten bij de beslissing op het verzoek van [F] geen enkele rol spelen. Op zich zelf is het juist dat de bescherming van het milieu tegen hinder die gepaard gaat met het uitoefenen van een activiteit waarop een ontheffing dan wel projectbesluit ziet, een aspect betreft waarvan de beoordeling primair plaats dient te vinden in het kader van de Wet milieubeheer. Dat neemt niet weg dat naar vaste jurisprudentie het bevoegde bestuursorgaan in redelijkheid geen ontheffing kan verlenen, indien ernstig moet worden betwijfeld dat voor de daarmee gepaard gaande activiteit een vergunning krachtens de Wet milieubeheer kan worden verleend of dat naleving mogelijk is van regels die bij algemene maatregel van bestuur krachtens die wet zijn gesteld. In aanmerking genomen dat de verzochte bedrijfsactiviteiten plaats zullen vinden in een loods, die voor dergelijke bedrijfsactiviteiten niet is opgericht, kan het bevoegde bestuursorgaan zich niet zonder nadere motivering op het standpunt stellen dat die situatie zich hier niet voordoet.

3.8.3 Verzoekers betogen, zo heeft de voorzieningenrechter begrepen, dat geen medewerking verleend kan worden aan de vestiging van een sportschool en afslankinstituut op het perceel [voorgenomen adres], omdat niet voldaan wordt aan de in de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering aanbevolen afstand tussen woningen en een sportschool. Nog daargelaten of in redelijkheid die medewerking verleend kan worden, is de voorzieningenrechter van oordeel dat voldaan wordt aan de in die brochure aanbevolen richtafstand. Ten behoeve van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wordt door de VNG in die brochure aanbevolen woningen in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype op een afstand van 30 meter te situeren van een sportschool. Weliswaar is in dit geval de kortste afstand tot nabijgelegen woningen 10 meter, maar het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat afwijking van die norm van 30 meter gerechtvaardigd is. In de brochure is immers aangegeven dat de onderhavige richtafstand met één afstandsstap verlaagd kan worden als sprake is van een omgevingstype “gemengd gebied”, zijnde een gebied met matige tot sterke functiemenging. In zo’n gebied komen, aldus de brochure, direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan volgens die brochure als gemengd gebied worden beschouwd. Gelet op deze definitie heeft het college in redelijkheid kunnen concluderen dat in dit geval sprake is van een gemengd gebied. Anders dan verzoekers menen, volgt uit die definitie niet dat in zo’n gebied per se ook winkels en horeca aanwezig dienen te zijn.

3.8.4 Voor wat betreft de stelling van verzoekers dat geen medewerking verleend kan worden aan de vestiging van een sportschool en afslankinstituut op het perceel [voorgenomen adres], omdat die vestiging leidt tot parkeers- en verkeersproblemen, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Het college heeft op zich zelf deugdelijk gemotiveerd dat, gelet op de ter plaatse aanwezige verkeersinfrastructuur, er uit oogpunt van verkeersveiligheid, geen beletselen bestaan om daar een sportschool en afslankinstituut toe te staan, mits aangenomen kan worden dat voor die bedrijfsactiviteiten voldoende parkeergelegenheid aanwezig is. Wel is de voorzieningenrechter met verzoekers van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat ter plaatse de benodigde parkeerplaatsen ook zijn gerealiseerd. Het college heeft ter zitting aangegeven dat, uitgaande van de parkeernormen, zoals die zijn aanbevolen door de Stichting Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek, voor het onderhavige sport- en afslankinstituut 23 parkeerplaatsen nodig zijn. Per 100 m2 bruto-oppervlakte heeft, aldus het college, een sportschool in een weinig stedelijk gebied 4 parkeerplaatsen nodig. Die 23 parkeerplaatsen kunnen, aldus het college, in de eerste plaats op het terrein van 500 m2 gesitueerd vóór de loods worden gerealiseerd, in aanmerking genomen dat een parkeerplaats 12,5 m2 inneemt, en daarnaast biedt de zij- en achterkant van de loods ruimte voor parkeren. Hoewel het college in redelijkheid uit heeft kunnen gaan van 23 parkeerplaatsen, bestaat vooralsnog bij de voorzieningenrechter enige twijfel of ter plaatse die parkeerplaatsen ten behoeve van de sportschool en het afslankinstituut aanwezig zijn. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat onduidelijkheid bestaat over wie civielrechtelijk gerechtigd is om gebruik te maken van de ruimte vóór de loods van 500 m2. Verzoekers stellen dat het gebruik van die ruimte in elk geval de bereikbaarheid van de loods niet mag belemmeren en dat andere huurders van de loods van die ruimte gebruik mogen maken. Huurcontracten die de stelling van verzoekers en het college ondersteunen ontbreken. Ook bestaat onduidelijkheid waar de parkeerplaatsen vóór de loods precies gesitueerd zijn, nu [F] ter zitting heeft aangegeven dat één en ander zal worden veranderd: het hek voor de loods zou naar voren worden geplaatst.

Griffierecht en proceskosten

3.9 Gelet op het vorenstaande en het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb dient het college het door verzoekers in de beroepsprocedure betaalde griffierecht van € 150,00 te vergoeden. De voorzieningenrechter ziet tevens aanleiding om met gebruikmaking van zijn in artikel 8:82, vierde lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid te bepalen dat het college het door verzoekers in de voorlopige voorzieningprocedure betaalde griffierecht van € 150,00 aan hen vergoedt. Met toepassing van artikel 8:75 Awb veroordeelt de voorzieningenrechter het college verder in de proceskosten van verzoekers. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht belopen de proceskosten van verzoekers terzake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand € 1.311,00 (indienen beroepschrift 1 punt; indienen verzoekschrift 1 punt, verschijnen ter zitting 1 punt; waarde per punt € 437,00 en gewicht van de zaak: gemiddeld).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat het bevoegde orgaan opnieuw beslist op het verzoek van [F] van 1 september 2009;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

- bepaalt dat het college het betaalde griffierecht van totaal € 300,00 aan verzoekers vergoedt;

- veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 1.311,00.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. B.M. van der Doef als griffier. De beslissing is op 8 februari 2010 in het openbaar uitgesproken.

w.g. B.M. van der Doef

w.g. P.G. Wijtsma

Tegen deze uitspraak in het verzoek om een voorlopige voorziening geregistreerd onder nummer 10/11 kan geen rechtsmiddel worden aangewend.

Tegen de uitspraak in de hoofdzaak onder nummers 09/2978, staat voor belanghebbenden het rechtsmid¬del hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.