Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2010:BL1114

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
22-01-2010
Datum publicatie
29-01-2010
Zaaknummer
AWB 08/1381
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanslag IB/PVV 2002. Samenhangende zaak met procedure AWB 08/1236

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2010/16.2.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

procedurenummer: AWB 08/1381

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 januari 2010 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde mr. [gemachtigde],

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Heerenveen,

verweerder,

gemachtigde mr. [gemachtigde].

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2002 een aanslag (aanslagnummer [nummer].H26) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 768.740 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.665. Bij beschikking wordt een bedrag van € 24.123 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 9 mei 2008 de aanslag verminderd naar een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 506.335 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.665. De beschikking heffingsrente is dienovereenkomstig verminderd.

Eiseres heeft tegen deze uitspraak op bezwaar bij brief van 18 juni 2008, ontvangen bij de rechtbank op 19 juni 2008, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2009 te Leeuwarden, waarbij de zaken met de procedurenummers 08/1236 en 08/1381 gelijktijdig zijn behandeld.

Eiseres is daar vertegenwoordigd door haar gemachtigde, bijgestaan door [namen]. Namens verweerder is bovengenoemde gemachtigde verschenen, bijgestaan door [naam].

Partijen hebben ter zitting ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar.

Motivering

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

1.1 Eiseres, geboren op [datum] 1933, heeft sinds 1 januari 1983 in de vorm van een eenmanszaak haar onderneming "[X]" te [plaats] gedreven.

1.2 Op 25 september 2000 is de camping getaxeerd door NVM-taxateur [A]. Doel van de taxatie luidt: “Het verkrijgen van inzicht in de onderhandse verkoopwaarde vrij van permanente huur of gebruiksrechten, een en ander t.b.v. afwegingen in verband met verkoopoverwegingen en fiscale gevolgen”. Ten aanzien van de waardering vermeldt het taxatierapport onder meer: ”(…) Het object is gewaardeerd enerzijds vanuit het financiële perspectief, rekening houdend met de gegevens uit de balans en resultatenrekening van 1999, zoals deze door [B] accountants te [plaats] zijn verstrekt. Basiselementen in deze berekening zijn de nettowinst over 1999 en de cash flow. Anderzijds is gewaardeerd vanuit de basiswaarden van het onroerend goed zelf, opgebouwd vanuit een grondwaarde van f 10,-- per m2 en de gecorrigeerde vervangingswaarde van de opstallen. Deze resultaten zijn vergeleken met recent verkochte vergelijkbare objecten, waarna de definitieve waarde is vastgesteld. (…)”.

1.3 Het taxatieraport concludeert tot een onderhandse vrije verkoopwaarde in vrij te aanvaarden staat van f 427.000 en een executiewaarde van f 380.000.

1.4 Het taxatierapport is opgesteld om de mogelijkheden te bezien om de onderneming van eiseres in te brengen in een vennootschap onder firma (v.o.f.) met haar dochter, mevrouw [dochter], en haar schoonzoon, de heer [schoonzoon]. In zijn brief van 13 november 2000 concludeert accountant [B] ten aanzien van het wijzigen van de ondernemingsvorm dat het voor de dochter en schoonzoon van eiseres financieel niet aantrekkelijk is om de onderneming geheel of gedeeltelijk over te nemen.

1.5 Eiseres, haar dochter en haar schoonzoon besluiten niettemin tot het aangaan van een v.o.f.. Bij brief van 19 februari 2001 informeert de heer [B] verweerder dat de onderneming van eiseres per 17 maart 2001 zal worden ingebracht in v.o.f. [X]. Deze ingangsdatum is gekozen omdat op dat moment de werkloosheidsuitkering van de heer [schoonzoon] eindigde.

1.6 Met ingang van 18 maart 2001 wordt v.o.f. [X] opgericht met als firmanten, eiseres, haar dochter en haar schoonzoon. Volgens artikel 4 van de oprichtingsakte van de v.o.f. wordt door iedere vennoot ingebracht al zijn kennis, arbeid en vlijt. Door eiseres wordt voorts ingebracht: “Het in eigendom door haar onder de naam [X] uitgeoefend bedrijf met inbegrip van de handelsnaam en de goodwill, zulks onder de verplichting van de vennootschap om alle per 18 maart 2001 ten laste van gemeld bedrijf komende schulden voor haar rekening te nemen en als eigen schulden te voldoen, een en ander volgens de fiscale door de accountant op te maken balans weergevende de toestand op 18 maart 2001 en voorts onder de volgende bepalingen:

1. Elke actie tot ontbinding of vernietiging is uitgesloten

2. (…)

3. Alle winsten en verliezen, voortvloeiende uit de bedrijfsuitoefening seders (bedoeld zal zijn sedert) 18 maart 2001 komen ten gunste en ten laste van de vennootschap.

4. (…)

5. De stille reserves van het onroerend goed en het inventaris zijn tot een bedrag van f 140.000 voorbehouden aan de inbrenger, zijnde vennoot sub 1”.

1.7 De camping wordt tegen de getaxeerde waarde in de v.o.f. ingebracht. Gelet op het gemaakte voorbehoud stille reserves wordt er geen overdrachtswinst aangegeven in eiseres’ aangifte IB/PVV over het jaar 2001.

1.8 Naar aanleiding van een advertentie waarin [Y] recreatiebedrijven te koop vraagt, neemt de heer [schoonzoon] contact op met dit bedrijf. Op 13 april 2001 vindt er een gesprek plaats tussen de heer [schoonzoon] en een vertegenwoordiger van [Y], die te kennen geeft een potentiële koper voor de camping te hebben die daarvoor een flinke prijs zou willen betalen.

1.9 Op 18 april 2001 brengt [Y] een offerte uit aan de heer [schoonzoon] voor de bemiddeling bij verkoop van de camping, gevolgd door een bedrijfsprofiel van mei 2001 waarin een vraagprijs voor de camping wordt genoemd van f 2.000.000.

1.10 De heer [schoonzoon] heeft voorafgaand aan zijn onder 1.9 bedoelde contacten met [Y] zijn schoonmoeder, eiseres, hiervan niet in kennis gesteld. Eerst naar aanleiding van de door [Y] genoemde vraagprijs heeft hij zijn schoonmoeder, op de hoogte gebracht en pas toen is haar verkoopbedoeling ontstaan.

1.11 Op 1 februari 2002 wordt tussen de firmanten en de heer [C] een koopovereenkomst gesloten, waarbij de camping wordt verkocht voor f 1.550.000. De akte van overdracht van 16 mei 2002 laat de volgende uitsplitsing zien van deze koopsom:

Registergoederen f 473.796

Inventaris en gereedschap f 77.130

Chalet f 123.408

Goodwill f 875.666

Totale verkoopprijs f 1.550.000 (€ 703.360)

1.12 De totale boekwinst in 2002 met betrekking tot de verkoop van de camping bedraagt € 555.496. Deze boekwinst is als volgt berekend:

Verkoopopbrengst € 703.360

af: Boekwaarde € 147.864

Boekwinst € 555.496

1.13 De drie vennoten hebben elk het verschil tussen hun aandeel in de opbrengst minus de boekwaarde in hun aangiften IB/PVV 2002 verantwoord, waarbij rekening is gehouden met een door eiseres gemaakt voorbehoud stille reserves tot een bedrag van € 155.700. De door eiseres aangegeven stakingswinst bedraagt € 288.965. Dit is als volgt berekend:

Totale boekwinst € 555.496

af: voorbehoud stille reserves € 155.700

€ 399.796 * 1/3 = € 133.265 aandeel eiseres

€ 155.700

€ 288.965 aangifte eiseres

1.14 Rekening houdend met het onder 1.13 genoemde bedrag aan stakingswinst doet eiseres aangifte IB/PVV 2002 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van

€ 269.677 en een inkomen uit sparen en beleggen van € 3.665.

1.15 Verweerder heeft na gedane vooraankondiging en correspondentie dienaangaande bij de vaststelling van de aanslag IB/PVV 2002 het inkomen uit werk en woning als volgt vastgesteld:

aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning € 269.677

bij: meer winst verkoop camping € 489.000

bij: correctie nagekomen bedrijfskosten € 10.063

Vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning € 768.740

De betreffende aanslag heeft een dagtekening van 12 augustus 2005.

1.16 Eiseres komt tegen deze belastingaanslag bij brief van 18 augustus 2005 in bezwaar. Naar aanleiding van de vervolgens tussen partijen over de aanslag IB/PVV 2002 gevoerde discussie, neemt verweerder het standpunt in dat de in 2002 gerealiseerde waarde ook reeds in 2001 in de onderneming aanwezig was. Deze waarde in het economisch verkeer moet volgens verweerder het uitgangspunt zijn bij het aangaan van de vennootschap onder firma. Daarmee heeft eiseres zich in 2001 slechts een deel van de in de onderneming aanwezige stille reserves voorbehouden; de overige stille reserves zijn overgedragen. Verweerder becijfert de in 2001 bij het aangaan van de v.o.f. gerealiseerde overdrachtswinst op

€ 284.325 en legt over dit bedrag aan eiseres een navorderingsaanslag op.

1.17 Voor het jaar 2002 berekent verweerder uiteindelijk het inkomen uit werk en woning als volgt:

Aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning € 269.677

bij: meer winst overdracht camping € 226.595

bij: correctie nagekomen bedrijfskosten € 10.063

Vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning € 506.335

Met dagtekening 9 mei 2008 doet verweerder uitspraak op bezwaar waarbij de aanslag overeenkomstig voormelde berekening wordt verminderd.

1.18 Bij brief van 18 juni 2008 heeft eiseres tegen deze uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Onder procedurenummer 08/1236 is eiseres' beroep geregistreerd tegen de uitspraak op bezwaar, waarbij verweerder de onder 1.16 bedoelde navorderingsaanslag IB/PVV 2001 heeft gehandhaafd.

Geschil

2.1 In geschil is het antwoord op de vraag of het belastbaar inkomen uit werk en woning over het jaar 2002, zoals verweerder dit bij de onder 1.17 bedoelde uitspraak op bezwaar heeft vastgesteld, juist is.

2.2 Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag tot welk bedrag de bij de verkoop van de camping gerealiseerde winst in 2002 in de heffing dient te worden betrokken. Dit hangt samen met het door de rechtbank in de procedure onder nummer 08/1236 te geven oordeel ten aanzien van het jaar 2001.

2.3 Voor het geval de rechtbank het beroep over 2001 gegrond mocht verklaren, omdat alle in 2001 in de onderneming aanwezige meerwaarden op de juiste wijze zijn voorbehouden en eiseres derhalve volgt in haar primaire standpunt, hebben partijen ter zitting eenparig verklaard dat het belastbaar inkomen uit werk en woning in de aanslag IB/PVV 2002 bepaald dient te worden op een bedrag van € 279.740, zijnde het aangegeven inkomen van € 269.740 vermeerderd met € 10.063. Het inkomen uit sparen en beleggen is niet in geschil.

2.4 Voor het geval de rechtbank het beroep over 2001 gegrond mocht verklaren, vanwege het subsidiaire standpunt van eiseres, namelijk dat er in 2001 wel sprake is van de door verweerder berekende overdrachtswinst, maar dat de navorderingsaanslag niet in stand kan blijven vanwege het ontbreken van een nieuwe feit of kwade trouw, hebben partijen ter zitting eenparig verklaard dat het belastbaar inkomen uit werk en woning in de aanslag IB/PVV 2002 bepaald dient te worden op een bedrag van € 256.531.

2.5 Voor het geval de rechtbank het beroep over 2001 ongegrond mocht verklaren, en het gelijk ten aanzien van 2001 derhalve volledig aan de zijde van verweerder is, hebben partijen ter zitting eenparig verklaard dat het belastbaar inkomen uit werk en woning in de aanslag IB/PVV 2002 bepaald dient te worden op een bedrag van € 256.531.

2.6 Indien de rechtbank in de procedure onder nummer 08/1236 het door eiseres gedane beroep op geruisloze doorschuiving op grond van artikel 3.63 van de Wet mocht honoreren, hebben partijen ter zitting eenparig verklaard dat het belastbaar inkomen uit werk en woning in de aanslag IB/PVV 2002 bepaald dient te worden op een bedrag van € 175.949.

Beoordeling van het geschil

Vooraf

3.1 De rechtbank heeft op 3 juli 2008 eiseres' gemotiveerde beroepschrift (met bijlagen) ontvangen. De rechtbank heeft op 23 juli 2008 het door eiseres verschuldigde griffierecht ontvangen. Bij brief van 12 september 2008 heeft de rechtbank verweerder van de indiening van dit beroepschrift op de hoogte gesteld en verweerder, in weerwil van de in artikelen 1.3 en 1.4 van de Landelijke procesregeling bestuursrecht vervatte richtlijnen ten aanzien van artikel 8:42 van de Awb, eerst bij deze brief verzocht om binnen vier weken na dagtekening van die brief de op de procedure betrekking hebbende stukken en een verweerschrift in te dienen. De rechtbank stelt vast dat op 12 september 2008 de in artikel 8:42 van de Awb gestelde termijn voor het indienen van het verweerschrift reeds was overschreden, terwijl de rechtbank dit verweerschrift toen nog niet had ontvangen. Onder de gegeven omstandigheden is de rechtbank evenwel van oordeel dat deze termijnoverschrijding niet aan verweerder is te wijten. De rechtbank ziet met toepassing van artikel 8:31 van de Awb dan ook geen aanleiding om aan deze termijnoverschrijding de consequentie te verbinden dat het verweerschrift niet tot de gedingstukken kan worden gerekend. Verweerder heeft bij brief van 21 oktober 2008 medegedeeld dat als gevolg van een misverstand -verweerder meende dat het beroep onder nummer 08/1381 zou worden aangehouden totdat in de zaak onder nummer 08/1236 zou zijn beslist- het verweerschrift nog niet was ingezonden en vraagt alsnog om een termijn van vier weken. Door de rechtbank wordt de termijn verlengd tot 19 november 2008. Verweerder heeft bij brief van 21 november 2008, ontvangen bij de rechtbank op 24 november 2008, het verweerschrift (met bijlagen) ingediend bij de rechtbank. Verweerder heeft de door de rechtbank gestelde termijn met enkele dagen overschreden. Gelet op het feit dat het onderzoek ter terechtzitting eerst op 11 november 2009 heeft plaatsgevonden, kan naar het oordeel van de rechtbank niet gesteld worden dat eiseres van deze overschrijding enig nadeel heeft ondervonden. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat dit verweerschrift niet tot de gedingstukken kan worden toegelaten.

Omtrent het eigenlijke geschil

3.2 Nu de rechtbank het beroep van eiseres over het jaar 2001 op basis van haar primaire standpunt in die procedure gegrond heeft verklaard (zie als bijlage bij deze uitspraak de uitspraak in de zaak 08/1236), zijn partijen het er over eens dat het belastbaar inkomen uit werk en woning voor het jaar 2002 dient te worden vastgesteld op een bedrag van € 279.740.

3.2 De rechtbank volgt partijen hierin en zal derhalve eiseres' beroep voor het onderhavige jaar gegrond verklaren en de bestreden aanslag verminderen en bepalen dat de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig zal worden aangepast.

Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 805 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 161, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1). Nu deze zaak samenhangt met de procedure onder 08/1236, worden deze samenhangende zaken voor de veroordeling in de proceskosten gezien als één zaak, zodat in beide procedures een proceskostenvergoeding van € 402,50 zal worden toegekend.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 279.740 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.665 en bepaalt dat de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig zal worden aangepast en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 402,50;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 39 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. A.F. Germs-de Goede, voorzitter en mr. J.W. Keuning en mr. M. van den Bosch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Hiemstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2010.

w.g. M. Hiemstra w.g. A.F. Germs-de Goede

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.