Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2010:BL0542

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
11-01-2010
Datum publicatie
26-01-2010
Zaaknummer
AWB 09/812
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Reguliere bouwvergunning. Belanghebbende-begrip. Zichtcriterium.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 09/812

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 januari 2010 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[naam] en [naam],

eisers,

wonende te [woonplaats],

eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tytsjerksteradiel (hierna: het college),

verweerder,

gemachtigde: J. Kok, werkzaam bij de gemeente Tytsjerksteradiel.

Procesverloop

Bij brief van 31 mei 2009 heeft het college eisers mededeling gedaan van een besluit op bezwaar, waarbij het bezwaarschrift gericht tegen de aan de Protestantse Gemeente Frymwalden (hierna: vergunninghoudster) verleende reguliere bouwvergunning eerste fase niet-ontvankelijk is verklaard. Eisers hebben tegen dit besluit een beroepschrift ingediend. Op grond van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb is vergunninghoudster door de rechtbank in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Van deze gelegenheid heeft zij gebruik gemaakt. De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 15 december 2009. Eisers zijn in persoon verschenen. Het college is verschenen bij zijn gemachtigde. Namens vergunninghoudster is W.J.E. Dijk, voorzitter kerkrentmeesters verschenen.

Motivering

Feiten

1.1 Bij besluit van 3 december 2008 heeft het college met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening aan vergunninghoudster een reguliere bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een gebouw ten behoeve van het verblijf van kinderen tijdens de kindernevendienst.

1.2 De afstand tussen de woning van eisers en het gebouw bedraagt circa 230 meter. Tussen de woning en het gebouw bevinden zich bomen en een weiland. Het gebouw is blijkens de bouwtekeningen op het hoogste punt 4,50 meter hoog en de vloeroppervlakte bedraagt circa 40 m2.

1.3 Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk verklaard.

Het geschil

2.1 Eisers stellen dat zij door de verleende bouwvergunning in het bijzonder in hun belangen worden geraakt, omdat door de bouw van het gebouw het uitzicht vanuit hun woning wordt aangetast.

2.2 Aan de niet-ontvankelijkheidsverklaring heeft het college ten grondslag gelegd dat eisers niet rechtstreeks door de verleende bouwvergunning in hun belangen worden geraakt, in aanmerking genomen dat het zicht van eisers op het gebouw van geringe betekenis geacht kan worden.

De beoordeling van het geschil

3.1 Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit bezwaar maken. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

3.2 De enkele omstandigheid dat eisers gedurende een deel van het jaar vanuit hun woning uitzicht hebben op het gebouw brengt naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval niet reeds mee dat in redelijkheid geconcludeerd moet worden dat het gebouw de directe woon- en leefomgeving van eisers beïnvloedt. Daartoe acht de rechtbank het zicht dat eisers op het gebouw hebben van te geringe betekenis. In dit verband overweegt de rechtbank in de eerste plaats dat het zicht op het gebouw gedurende een groot deel van het jaar door beplanting grotendeels wordt ontnomen. Verder heeft het bouwwerk hooguit een zeer beperkte invloed op het uitzicht vanuit de woning van eiser, in aanmerking genomen dat de afstand tussen de woning en het gebouw 230 meter bedraagt en de omvang van het gebouw gering is. In dit verband merkt de rechtbank op dat eisers het gebouw zien onder een hoek van één graad. De omstandigheden dat eisers vanuit hun woning enkel uitzicht hebben op de kortste gevel van het gebouw, zijnde 4 meter breed, en dat het gebouw in niet opvallend materiaal wordt uitgevoerd, te weten zwarte kunststof schroten, brengen ook mee dat de invloed op het uitzicht van ondergeschikte betekenis geacht moet worden. De door eisers gestelde omstandigheid dat het perceel waarop hun woning zich bevindt, lager is gelegen dan het perceel waarop het bouwplan is gerealiseerd en wel circa 1 meter, leidt niet tot een ander oordeel. Een dergelijke verhoging heeft, gelet op de afstand van 230 meter, een geringe invloed op de mate van uitzicht. De hoek waaronder eisers het gebouw zien, neemt hierdoor minder dan een graad toe.

3.3 Voor zover eisers zich op het standpunt stellen dat de ruimtelijke uitstraling van het gebouw, gelet op het gebruik daarvan, dusdanig groot moet worden geacht, dat niet gezegd kan worden dat zij, ondanks de betrekkelijk grote afstand van de woning tot het gebouw, door het besluit niet rechtstreeks in hun belangen wordt getroffen, onderschrijft de rechtbank niet. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het gebouw niet permanent wordt gebruikt, doorgaans op zondag en in de regel één keer in de week s’ avonds, en dat het slechts plaats biedt aan een kleine groep personen.

3.4 Ook anders is niet gebleken dat eisers door de bouw van het gebouw rechtstreeks in hun belangen worden geschaad. Dit betekent dat het college eisers terecht niet in hun bezwaar hebben ontvangen. Het beroep is daarom ongegrond.

3.5 De rechtbank ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. E. de Witt, rechter, in tegenwoordigheid van mr. B.M. van der Doef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2010.

w.g. B.M. van der Doef

w.g. E. de Witt

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.