Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2010:BL0230

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
21-01-2010
Zaaknummer
94462 / HA ZA 09-99
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontzetting uit lidmaatschap. Vraag of besluit op juiste wijze is genomen en of het bestuur in redelijkheid het besluit heeft kunnen nemen. Schadevergoeding en exoneratiebeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RO 2010, 29
JRV 2010, 352
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 94462 / HA ZA 09-99

Vonnis van 20 januari 2010

in de zaak van

[X],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat: mr. A.A. Bos, kantoorhoudende te Zwolle,

tegen

de coöperatie U.A.

COÖPERATIE VOOR AGRARISCHE BEDRIJFSVERZORGING FRYSLÂN U.A.,

gevestigd te Sneek,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat: mr. P. Stehouwer, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Partijen zullen hierna "[X]" en "AB" genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de akte overlegging producties

- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie

- de akte van depot d.d. 30 maart 2009 (depot ijzeren bout)

- de conclusie van antwoord in reconventie

- het proces-verbaal van comparitie d.d. 10 juni 2009

- de conclusie na comparitie van [X]

- de antwoordconclusie na comparitie van AB

- de akte uitlating producties van [X]

1.2. Vervolgens is vonnis bepaald.

2. De vaststaande feiten

In deze procedure zal van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.1. AB is een coöperatie die zich statutair ten doel stelt de belangen van haar leden te behartigen, in het bijzonder op het gebied van de agrarische bedrijfsverzorging, onder meer door het aan de leden van de coöperatie ter beschikking stellen van arbeidskrachten, bedrijfsleiders en/of hulpwerktuigen (artikel 2 lid 1 en lid 2 sub a van de huidige statuten van AB). In de huidige statuten (geldend vanaf 1 januari 2008) is voorts - voor zover hier van belang - het volgende bepaald:

(…)

Bedrijfsreglement

Artikel 3.

1. Het bestuur van de coöperatie is bevoegd om na voorafgaande goedkeuring van de ledenraad een bedrijfsreglement vast te stellen. Het bestuur is bevoegd voormeld bedrijfsreglement na voorafgaande goedkeuring van de ledenraad te wijzigen.

2. In het reglement zullen in het bijzonder worden omschreven de rechten en verplichtingen van de leden (…)

Artikel 6.

1. Het lidmaatschap eindigt door:

a. ingeval van een lid-rechtspersoon, doordat het lid ophoudt te bestaan;

b. opzegging door het lid;

c. opzegging namens de coöperatie

d. ontzetting

(…)

4. Indien een lid naar het oordeel van het bestuur van de coöperatie handelt in strijd met de statuten, het bedrijfsreglement, de besluiten van de coöperatie niet nakomt, dan wel de coöperatie op onredelijke wijze benadeelt, kan een lid door het bestuur uit zijn lidmaatschap worden ontzet, behoudens beroep op de raad van commissarissen binnen een maand, nadat het lid van deze ontzetting bericht heeft ontvangen.

Ontzetting door het bestuur moet schriftelijk geschieden met opgave van redenen.

Gedurende de beroepstermijn en hangende het beroep is het lid geschorst.

5. De raad van commissarissen bepaalt de datum van ontzetting.

Artikel 7.

(…)

2. Bij beëindiging van het lidmaatschap, op welke wijze dan ook, vervallen voorts voor het desbetreffende lid alle rechten, welke aan het lidmaatschap verbonden zijn.

(…)

Slotartikelen

Artikel 27.

1. De coöperatie is jegens de leden niet aansprakelijk voor schaden en verliezen die de ter beschikking gestelde arbeidskrachten of werktuigen toebrengen aan de leden of aan derden, tenzij er sprake is van grove schuld en/of nalatigheid.

2. De leden vrijwaren bij voorbaat de coöperatie voor elke aansprakelijkheid (inclusief kosten met inbegrip van de daadwerkelijke kosten van rechtsbijstand) voortvloeiende uit schaden en verliezen die ter beschikking gestelde arbeidskrachten of werktuigen toebrengen aan de leden of aan derden, tenzij er sprake is van grove schuld en/of nalatigheid.

(…)

Artikel 28.

Wat betreft de vernietigbaarheid dan wel nietigheid van een besluit van één der organen van de coöperatie is het bepaalde in de artikelen 14 tot en met 16 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing.

2.2. In het bedrijfsreglement van AB is onder meer bepaald:

(…)

Artikel 8

a. De leden zullen de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee de leden de ter beschikking gestelde arbeidskracht arbeid laten verrichten, zodanig inrichten en onderhouden alsmede voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen treffen en aanwijzingen verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ter beschikking gestelde arbeidskracht in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.

2.3. [X] exploiteert een melkveehouderij met ongeveer 70 koeien te [woonplaats]. Hij is sinds 2000 lid van AB.

2.4. [X] zou in de zomervakantie van 2007 van 8 tot en met 18 augustus met zijn gezin op vakantie naar Frankrijk gaan. In verband daarmee heeft [X] aan AB verzocht om een bedrijfsverzorger ter beschikking te stellen, die het bedrijf van [X] tijdens diens vakantie zou waarnemen. AB heeft vervolgens de heer [Y] als bedrijfsverzorger aangewezen.

2.5. De werkzaamheden van [Y] zijn aangevangen op 8 augustus 2007, de dag waarop [X] met vakantie is gegaan. Diezelfde dag nog deed zich een storing voor aan de melkpomp, welke door [Y] telefonisch aan [X] is gemeld. De storing is vervolgens verholpen door monteurs van Farm Service. Volgens de opdrachtbon van Farm Service heeft de melkpomp op twee fasen gedraaid door een stroomstoring op het bedrijf van [X].

2.6. Op 9 augustus 2007 heeft zich opnieuw een storing met betrekking tot de melkpomp voorgedaan. Er waren problemen met een vacuümpomp en een elektromotor was doorgebrand. Wederom hebben monteurs van Farm Service de storing verholpen. [Y] heeft de storing telefonisch aan [X] gemeld. Voorts heeft Installatiebedrijf Hoekstra op verzoek van [Y] werkzaamheden verricht, bestaande uit het verhelpen van een elektra storing.

2.7. Op 10 augustus 2007 heeft [Y] telefonisch aan [X] gemeld dat de

pulsatoren niet zouden werken en dat hij zijn werkzaamheden voor [X] per direct zou beëindigen. [X] heeft vervolgens zijn vakantie afgebroken en is naar zijn bedrijf teruggekeerd. Ook op 10 augustus 2007 is Farm Service langs geweest voor het verhelpen van de voorgevallen storing.

2.8. De bij AB werkzame medewerker [A] heeft op 13 augustus 2007 schriftelijk verklaard:

"Vrijdagavond (10 augustus 2007) om 19.00 uur gebeld door [B] (locatie Drachten) direct naar lid [X] gereden, aanwezig om 19.15 uur. Meegewerkt met [Y], hierbij heeft [Y] het werk overgedragen aan [A]. Om 20.30 uur gezamenlijk weggereden.

Zaterdagochtend om 05.20 wederom naar [X] gereden, omgekleed en in stal gegaan, hierbij geconstateerd dat boer inmiddels bezig was om vee binnen te halen. Hierna om 05.45 teruggekeerd naar huis."

2.9. AB heeft [X] bij nota van 16 augustus 2007 een bedrag van € 832,13 in rekening gebracht in verband met de geleverde dienstverlening van haar bedrijfshulp [Y]. Deze factuur is vervolgens automatisch geïncasseerd door AB, maar [X] heeft het bedrag op 29 augustus 2007 laten storneren.

2.10. De toenmalige gemachtigde van [X] heeft AB bij brief van 5 oktober 2007 onder meer medegedeeld:

“Zonder opgaaf van redenen heeft u de bedrijfshulp gestaakt, terwijl cliënt op dat moment ver van zijn bedrijf was. Namens cliënt stel ik u hierbij aansprakelijk voor de schade die cliënt heeft geleden en wellicht nog zal lijden als gevolg van de door u gepleegde wanprestatie. U heeft een ondeskundige bedrijfshulp gestuurd en deze gestaakt terwijl erop dat moment geen andere waarneming was en het wel gaat om levende have. Het vee heeft geleden onder de ondeskundige begeleiding. Cliënt zal de schade door een deskundige laten beramen.(…)”

2.11. De heer [C] van Farm Service heeft AB bij e-mail van 31 oktober 2007 medegedeeld:

"Hierbij reageer ik op onderstaande mail betreffende klant [X] [woonplaats].

De oorzaak van de storingen is een zeer slechte stroomtoevoer vanaf de meterkast in het woonhuis. Onze storing monteurs hebben hier samen met een elektriciën i.p.v. een smeltveiligheid (stoppen) diverse bouten aangetroffen. Zoals je zult begrijpen zullen deze er nooit uitspringen als hier noodzaak voor is. Stoppen c.q. zekeringen zijn er juist voor om de apparatuur zoals elektromotoren te beschermen.

De storingen kunnen volgens onze technische mensen onmogelijk veroorzaakt zijn door ondeskundig handelen van uw medewerker. (…)"

2.12. AB heeft [X] bij brief van 22 januari 2008 medegedeeld:

“Het bestuur van AB Friesland U.A., hierna AB, is van oordeel dat u heeft gehandeld in strijd met de statuten en het bedrijfsreglement van AB, en de coöperatie op onredelijke wijze heeft benadeeld.

Op grond van de statuten en het bedrijfsreglement van AB (waaronder artikel 8 van het bedrijfsreglement) dienen de leden de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee de leden de ter beschikking gestelde arbeidskrachten arbeid laten verrichten, zodanig in te richten en te onderhouden, alsmede voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is, om te voorkomen dat de ter beschikking gestelde arbeidskracht in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. AB is van mening dat u de verplichtingen die uit dit artikel voortvloeien niet bent nagekomen.

In verband met een naar het oordeel van AB onveilige werksituatie voor de ter beschikking gestelde medewerker is op 11 augustus 2007 de vakantievervanging op uw bedrijf gestaakt. Middels brief van 13 september 2007 heeft AB u voorgesteld om met een onafhankelijke arbeidsdeskundige, en op kosten van AB, een bezoek te brengen aan uw bedrijf. Op dit door AB gedane aanbod bent u tot op heden helaas niet ingegaan. Van hervatting van de hulp op uw bedrijf kan dan ook geen sprake zijn.

Daarnaast heeft u AB benadeeld door uw financiële verplichtingen jegens haar niet na te komen. Op grond van het bedrijfsreglement artikel 13 worden de nota’s per week opgemaakt en dienen deze binnen een periode van twee weken te worden voldaan. U heeft de nota van 16 augustus 2007 ter waarde van € 832,13 gestorneerd en, ondanks het dringende verzoek daartoe van AB en de door haar inegschakelde advocaat, nog niet zorggedragen voor een correcte betaling van de nota, de wettelijke rente en de incassokosten.

Bovenstaande redenen hebben het bestuur en de raad van commissarissen van AB doen besluiten u met ingang van 1 januari 2008 uit uw lidmaatschap te ontzetten. Tegen deze ontzetting kunt u in beroep gaan bij de raad van commissarissen binnen een maand nadat u deze brief heeft ontvangen (…).”

2.13. [X] heeft bij brief van zijn gemachtigde van 1 februari 2008 bij de raad van

commissarissen van AB beroep ingesteld tegen voornoemd ontzettingsbesluit. Bij beslissing van 27 februari 2008 heeft de raad van commissarissen van AB het beroep ongegrond verklaard.

2.14. Bij brief van 26 augustus 2008 heeft de advocaat van [X] aan AB bericht dat zijn cliënt zich niet kan verenigen met de ongegrondverklaring van zijn beroep. Het besluit tot ontzetting is volgens [X] nietig, althans vernietigbaar, omdat het door bestuur en raad van commissarissen gezamenlijk is genomen en omdat het in strijd met de redelijkheid en billijkheid is. Voorts is AB verzocht om door [X] geleden schade ten bedrage van

€ 6.316,98 te vergoeden.

2.15. Bij brief van 18 september 2008 heeft AB haar aansprakelijkheid voor de door

[X] geclaimde schade betwist.

3. De vorderingen

in conventie

3.1. De vordering van [X] strekt ertoe dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. het besluit tot ontzetting uit het lidmaatschap van 22 januari 2008 nietig verklaart dan wel vernietigt;

II. AB veroordeelt om deze nietigverklaring dan wel vernietiging te gehengen en te gedogen;

III. AB veroordeelt om [X] binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis te herstellen in al zijn rechten als lid van de coöperatie onder het ter beschikking stellen van de daarbij behorende faciliteiten, een en ander op straffe van verbeurte van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 5.000,- voor iedere gehele of gedeeltelijke overtreding van dit gebod, dan wel voor iedere dag dat de overtreding voortduurt;

IV. AB veroordeelt tot betaling aan [X] van een bedrag van € 7.084,98, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 september 2008, althans vanaf datum dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

V. AB veroordeelt in de proceskosten.

3.2. AB concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [X], met veroordeling van [X] - uitvoerbaar bij voorraad - in de kosten van het geding.

in reconventie

3.3. De vordering van AB strekt ertoe dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [X] veroordeelt tot betaling aan AB van een bedrag van € 832,12, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 augustus 2007 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede een bedrag van € 124,82 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 december 2007 tot aan de dag der algehele voldoening, één en ander met veroordeling van [X] in de kosten van het geding.

3.4. [X] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van AB, met veroordeling van AB - uitvoerbaar bij voorraad - in de kosten van het geding.

voorts in conventie

Het standpunt van [X]

4.1. [X] stelt in de eerste plaats dat het besluit tot ontzetting uit het lidmaatschap nietig, althans vernietigbaar is, omdat het genomen is door het bestuur en de raad van commissarissen van AB gezamenlijk. Op grond van de wet en de statuten van AB komt echter alleen aan het bestuur de bevoegdheid tot ontzetting toe. Een en ander klemt te meer, nu de statuten voorschrijven dat het beroep tegen het ontzettingsbesluit door de raad van commissarissen moet worden beoordeeld. Thans heeft de raad van commissarissen in beroep over het eerdere mede door haar genomen besluit geoordeeld, aldus [X].

4.2. [X] stelt in de tweede plaats dat het besluit tot ontzetting uit het lidmaatschap vernietigbaar is, omdat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Aan het besluit liggen een vermeend onveilige situatie op het bedrijf van [X] en financiële benadeling van AB ten grondslag.

4.2.1. Volgens [X] is er geen sprake geweest van een onveilige situatie op zijn bedrijf toen de bedrijfsverzorger van AB daar aan het werk was. De in dat verband door AB overgelegde foto's geven een onjuist beeld van de situatie en zijn bovendien op onrechtmatige wijze verkregen, zodat zij niet tot het bewijs kunnen bijdragen. Indien de elektrische installatie ondeugdelijk zou zijn geweest, is dat probleem door de door AB ingeschakelde elektriciën verholpen. De stroomtoevoer vanuit het woonhuis is niet relevant voor het functioneren van de machines, omdat de stal een zelfstandige en deugdelijk onderhouden elektrische installatie heeft. AB heeft [X] ook nimmer duidelijk gemaakt wat de vermeend onveilige situatie zou inhouden. Voorts betwist [X] dat er, zoals AB heeft gesteld, in 2003 ook al eens sprake was van een onveilige situatie op zijn bedrijf. In 2004 heeft een vertegenwoordiger van AB het bedrijf van [X] bezocht en toen was alles in orde. Bovendien kan een situatie in 2003 geen rol spelen bij het besluit om [X] jaren later uit zijn lidmaatschap te ontzetten. De problemen tijdens de vakantie van [X] zijn juist ontstaan door de ondeskundigheid van de bedrijfsverzorger in kwestie. Door zijn toedoen raakten de installaties onklaar.

4.2.2. Van financiële benadeling van AB is geen sprake, aldus [X]. [X] heeft terecht de betaling van de nota van AB opgeschort, daar AB toerekenbaar tekortgeschoten is jegens hem, nu de ter beschikking gestelde bedrijfsverzorger onrechtmatig heeft gehandeld door zijn werkzaamheden per direct neer te leggen.

4.2.3. Het besluit tot ontzetting uit het lidmaatschap is disproportioneel. Zonder enige waarschuwing vooraf heeft AB de zwaarst mogelijke sanctie jegens [X] getroffen. Er had ook voor een andere oplossing kunnen worden gekozen, zoals tijdelijke opschorting van de bedrijfshulp. Bovendien heeft [X] zo nu en dan last van knieproblemen, waardoor hij zijn werk niet goed kan uitoefenen. Bij ziekte stelt AB tegen een gereduceerd tarief arbeidskracht ter beschikking. Van die mogelijkheid kan [X] nu geen gebruik maken. Daar komt nog bij dat [X] voor zijn bedrijfshulp volledig op AB is aangewezen. In de regio is geen vergelijkbare dienstverlener gevestigd.

4.3. [X] heeft schade geleden als gevolg van de wanprestatie/onrechtmatige handelwijze van de bedrijfsverzorger van AB. Deze schade dient door AB te worden vergoed en kan als volgt worden gespecificeerd:

- factuur Farmservice d.d. 11 september 2007 ten bedrage van EUR 1.529,08

- factuur Installatiebedrijf Hoekstra d.d. 20 augustus 2007 ten bedrage van EUR 440,90

- factuur [D] d.d. 30 oktober 2007 ten bedrage van EUR 610,00

- factuur [E] d.d. 30 oktober 2007 ten bedrage van EUR 750,00

- factuur Vacansoleil d.d. 14 juli 2007 ten bedrage van EUR 1.083,00

- reiskosten vakantieadres - thuis v.v. 2.000 km x EUR 0,28 = EUR 560,00

- tolkosten ten bedrage van EUR 80,00

- telefoonkosten ten bedrage van EUR 180,00

- verminderde melkopbrengst 2.000 liter x EUR 0,35 = EUR 700,00

- kosten extra voer ten bedrage van EUR 384,00

- buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van EUR 768,00

- wettelijke rente P.M.

Totaal: EUR 7.084,98 + P.M.

4.4. Het door AB ter afwering van de gevorderde schadevergoeding gedane beroep op de in haar statuten opgenomen exoneratieclausule gaat niet op, aldus [X]. Pas ter comparitie heeft AB voor de eerste keer dit verweer gevoerd, terwijl de exoneratieclausule nooit eerder door haar aan de orde is gesteld. Dit verweer van AB moet daarom als tardief worden gepasseerd, aldus [X]. Daar komt nog bij dat AB naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen beroep kan doen op de exoneratieclausule, nu de schade is veroorzaakt door grove schuld en/of nalatigheid van de bedrijfsverzorger van AB.

Het standpunt van AB

5.1. De aan [X] ter beschikking gestelde bedrijfsverzorger ([Y]) was zonder meer gekwalificeerd om het bedrijf van [X] tijdens diens vakantie waar te nemen. Deze bedrijfsverzorger was al enkele jaren in dienst bij AB en had regelmatig bij boeren gemolken. Op 8, 9 en 10 augustus 2007 hebben zich storingen voorgedaan op het bedrijf van [X]. De oorzaak van deze storingen moet worden gezocht in een zeer slechte stroomtoevoer vanaf de meterkast in het woonhuis van [X] en heeft niets te maken met ondeskundig handelen van de ter beschikking gestelde bedrijfsverzorger. De storingsmonteurs hebben een bout aangetroffen in de meterkast op de plaats waar normaliter een stop behoort te zitten.

5.2. Gelet op het vorenstaande was er volgens AB sprake van een onveilige en onwerkbare situatie op het bedrijf van [X]. Door het plaatsen van een bout in de meterkast kunnen er levensgevaarlijke situaties ontstaan. Ook zat de bedrading van de melkpomp los, wat gevaarlijk is. Bovendien had [X] op zijn bedrijf al geruime tijd geen onderhoud meer laten verrichten. Ter onderbouwing van haar stellingen heeft AB een 11-tal kleurenfoto's van de toestand op het bedrijf van [X] in het geding gebracht, zoals die ten tijde van de incidenten in augustus 2007 werd aangetroffen door medewerkers van AB. Hierop zijn onder meer een verrotte stekker, losse bedrading, verroeste melkleidingen, een niet afgedekte V-snaar, losse bedrading uit een meterkast en de ijzeren bout te zien.

5.3. Als gevolg van de onveilige en onwerkbare situatie op het bedrijf van [X] heeft de bedrijfsverzorger op 10 augustus 2007 aan zijn leidinggevende medegedeeld dat hij met zijn werkzaamheden wilde ophouden. AB heeft vervolgens de taken van deze bedrijfsverzorger overgedragen aan de heer [A]. [A] heeft hierna de bedrijfsverzorger tot het einde van die dag geholpen en is de daaropvolgende dag weer naar het bedrijf van [X] gegaan, die op dat moment al terug was van vakantie uit Frankrijk. AB was gezien de onveilige en onwerkbare situatie op het bedrijf van [X] bevoegd om haar dienstverlening per direct op te schorten.

5.4. Met de onveilige situatie op zijn bedrijf heeft [X] naar de mening van AB gehandeld in strijd met artikel 8 sub a van het bedrijfsreglement van AB. Ook heeft [X] de toepasselijke wet- en regelgeving op het gebied van arbeidsomstandigheden niet nageleefd. Op grond daarvan, en het feit dat [X] de factuur van AB niet heeft betaald, waarmee hij AB onredelijk heeft benadeeld, heeft AB - mede omwille van de veiligheid van haar werknemers - moeten besluiten om [X] uit het lidmaatschap te ontzetten.

5.5. AB heeft bij de ontzetting uit het lidmaatschap procedureel correct gehandeld. Na het besluit van het bestuur heeft [X] beroep gebruik gemaakt van zijn recht om bij de raad van commissarissen in beroep te gaan. De vermelding van de raad van commissarissen bij het besluit tot ontzetting ziet slechts op de datum van ontzetting, die op grond van de statuten door de raad van commissarissen moet worden bepaald. Het besluit tot ontzetting als zodanig is slechts door het bestuur genomen. Het besluit is daarom niet nietig althans vernietigbaar. Voorts kan het besluit tot ontzetting - gezien de onveilige situatie op het bedrijf van [X] - de toets aan de redelijkheid en billijkheid doorstaan, aldus AB.

5.6. AB kan door [X] niet aansprakelijk worden gehouden voor de door hem vermeend geleden schade, gelet op de in artikel 27 van de statuten van AB opgenomen exoneratieclausule. AB betwist ten slotte op diverse inhoudelijke gronden de door [X] gevorderde schadevergoeding.

De beoordeling van het geschil

De veiligheid op het bedrijf van [X]

6.1. Vast staat dat er tijdens de vakantie van [X], waarin zijn bedrijf werd waargenomen door de bedrijfshulp [Y] van AB, binnen een tijdsbestek van drie dagen herhaaldelijk problemen zijn geweest met de elektriciteitsvoorziening van bedrijfsinstallaties. De rechtbank acht op grond van (i) de (hierboven geciteerde) verklaring van de ingeschakelde monteur Farm Service, (ii) de van dit bedrijf afkomstige werkbonnen terzake de storingen die zij heeft verholpen, en (iii) de door AB overgelegde foto's, genoegzaam aannemelijk geworden dat er toentertijd sprake was van een onveilige situatie op het bedrijf van [X] met betrekking tot de elektriciteitsvoorziening. In het geding gebrachte documenten die zien op de situatie in latere jaren maken dat niet anders. Het gaat in het onderhavige geval immers om de concrete situatie in augustus 2007.

6.2. De rechtbank volgt [X] niet in zijn stelling dat voormelde foto's zonder zijn toestemming zijn gemaakt, derhalve als onrechtmatig verkregen bewijs moeten worden beschouwd en om die reden in dit geding geen rol kunnen spelen. Naar het oordeel van de rechtbank stond het [Y] vrij om foto's te maken van de werkomgeving waarin hij als aan [X] ter beschikking gestelde arbeidskracht diende te werken. Daarbij dient te worden bedacht dat [X] op grond van het bedrijfsreglement van AB als lid van deze coöperatie gehouden is om te zorgen voor - kort gezegd - een veilige werkomgeving voor de aan hem ter beschikking gestelde arbeidskrachten.

6.3. Dat er - zoals [X] stelt - sprake zou zijn van ondeskundig handelen van bedrijfshulp [Y], waardoor de problemen met de elektriciteitsvoorziening zouden zijn veroorzaakt, is door hem op geen enkele wijze onderbouwd aan de hand van concrete feiten of omstandigheden, waaruit dit zou kunnen blijken. Nu [X] onvoldoende heeft gesteld, is bewijslevering terzake niet aan de orde.

6.4. In dit geding zal er gezien het vorenstaande vanuit worden gegaan dat er in augustus 2007 op het bedrijf van [X] sprake was van een onveilige situatie met betrekking tot de elektriciteitsvoorziening.

Het besluit tot ontzetting uit het lidmaatschap

6.5. De rechtbank overweegt dat op de voet van artikel 2:15 lid 1 een besluit van een rechtspersoon vernietigbaar is:

(a) wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen;

(b) wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist. Krachtens dit artikel zijn een rechtspersoon en degenen die krachtens wet en statuten bij zijn organisatie zijn betrokken gehouden om zich als zodanig jegens elkaar te gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Deze zorgvuldigheidsnorm wordt ingekleurd door de omstandigheden van het geval (zie HR 1 maart 2002, NJ 2002, 296);

(c) wegens strijd met een reglement.

6.6. AB is rechtspersoon in de vorm van een coöperatie. De coöperatie is een bij notariële akte als coöperatie opgerichte vereniging. Op grond van artikel 2:53a BW zijn de bepalingen in boek 2 BW omtrent de vereniging, behoudens enkele hier niet terzake doende uitzonderingen, ook van toepassing voor de coöperatie.

6.7. Krachtens artikel 2:35 lid 1 sub d BW eindigt het lidmaatschap van een vereniging onder meer door ontzetting uit het lidmaatschap. In het 3e lid van dit artikel is bepaald dat ontzetting alleen kan worden uitgesproken, indien een lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten der vereniging handelt, of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt. Ten slotte volgt uit het 4e lid dat de ontzetting in beginsel door het bestuur van de vereniging geschiedt en dat beroep openstaat tegen het ontzettingsbesluit binnen één maand na de kennisgeving van het besluit, bij de algemene vergadering van aandeelhouders of een daartoe bij de statuten aangewezen orgaan of derde. In het onderhavige geval kan, zo blijkt uit de statuten van AB, beroep worden ingesteld bij de raad van commissarissen van AB.

6.8. De rechtbank stelt vast dat het besluit tot ontzetting van [X] uit het lidmaatschap van AB d.d. 22 januari 2008 is genomen door het bestuur en de raad van commissarissen gezamenlijk. In het besluit wordt immers gemeld dat "bovenstaande redenen hebben het bestuur en de raad van commissarissen van AB doen besluiten u met ingang van 1 januari 2008 uit uw lidmaatschap te ontzetten." Deze wijze van besluitvorming is naar het oordeel van de rechtbank zowel in strijd met de wet als de statuten van AB. Uitgangspunt van wet en statuten is immers dat het besluit tot ontzetting uit het lidmaatschap door het bestuur wordt genomen. Dat, zoals AB heeft aangevoerd, de raad van commissarissen slechts de datum van ontzetting heeft bepaald en niet het besluit tot ontzetting als zodanig heeft genomen, blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet uit de tekst van het ontzettingsbesluit, dat niet anders kan worden gelezen dan als een gezamenlijk besluit tot ontzetting van bestuur en raad van commissarissen. De in artikel 6 lid 5 van de statuten van AB opgenomen bepaling dat de raad van commissarissen de datum van ontzetting vaststelt, moet naar het oordeel van de rechtbank in samenhang met de bij de raad van commissarissen openstaande beroepsmogelijkheid worden gelezen en aldus te worden begrepen dat indien er binnen een maand na de kennisgeving van het bestuursbesluit geen beroep is ingesteld bij de raad van commissarissen of indien de raad van commissarissen het beroep verwerpt, zij de datum van ontzetting dient vast te stellen. Betrokkenheid van de raad van commissarissen bij het nemen van het ontzettingsbesluit is naar het oordeel van de rechtbank niet in overeenstemming met het in de wet en de statuten bij de raad van commissarissen voorziene beroepsrecht. In die situatie dient een orgaan dat het ontzettingsbesluit mede heeft genomen, daarover tevens in beroep te oordelen. Een en ander brengt de rechtbank tot de conclusie dat het besluit tot ontzetting van [X] uit het lidmaatschap van AB in strijd is met de wet alsmede de statuten van AB en dat dit besluit derhalve reeds op die grond dient te worden vernietigd.

6.9. Overigens is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit ook uit anderen hoofde dient te worden vernietigd, nu dit besluit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die de coöperatie AB en haar leden over en weer jegens elkaar in acht moeten nemen. Daarbij wordt vooropgesteld dat de rechtbank wat betreft de toetsing van besluiten van het bestuur van AB slechts een marginale toetsing toekomt: bezien dient te worden of het bestuur bij de afweging van alle bij het besluit betrokken belangen van de in artikel 2:8 BW bedoelde personen in redelijkheid en naar billijkheid tot het aangevochten besluit heeft kunnen komen. Ook waar de arbeidsomstandigheden op het bedrijf van [X] onveilig waren, was het bestuur van AB - op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid die AB en [X] over en weer jegens elkaar in acht moeten nemen - naar het oordeel van de rechtbank gehouden om niet dadelijk het ultimum remedium van de ontzetting uit het lidmaatschap in te zetten - waardoor [X] geen gebruik meer kan maken van de bedrijfshulp van AB -, maar eerst een minder vergaande sanctie jegens [X] te treffen, zoals de opschorting van iedere vorm van bedrijfshulp zolang de onveilige arbeidsomstandigheden op het bedrijf van [X] bleven bestaan. Indien [X] vervolgens - hangende deze opschorting - naar de mening van AB in gebreke zou blijven om voor veilige arbeidsomstandigheden te zorgen, zou de ontzetting uit het lidmaatschap in beeld hebben kunnen komen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het niet betalen door [X] van de factuur van AB terzake de in casu verleende bedrijfshulp in beginsel als een zakelijk geschil tussen partijen moet worden gezien. Het enkel niet betalen van deze factuur kan zonder bijkomende omstandigheden, die niet zijn gesteld of anderszins zijn gebleken, niet als onredelijke benadeling van AB worden beschouwd, te meer ook nu de factuur een verhoudingsgewijs gering bedrag betreft. Al met al heeft AB naar het oordeel van de rechtbank, alle belangen in aanmerking nemend, in redelijkheid niet kunnen komen tot het besluit tot ontzetting uit het lidmaatschap.

6.10. Uit het vorenstaande volgt dat de vordering strekkende tot vernietiging van het ontzettingsbesluit toewijsbaar is. Hieruit volgt reeds dat AB zich in overeenstemming met deze beslissing dient te gedragen, zodat [X] geen belang heeft bij de gevorderde veroordeling van AB om deze vernietiging te gehengen en te gedogen, welke vordering daarom zal worden afgewezen. Ook de vordering sub 3 - strekkende tot herstel van [X] in al zijn rechten als lid van de coöperatie - is toewijsbaar, met dien verstande dat er een lagere dwangsom zal worden vastgesteld dan door [X] is gevorderd. De te verbeuren dwangsommen zullen op na te melden wijze worden gemaximeerd.

De schadevergoeding

6.11. De door [X] gevorderde schadevergoeding is hierop gebaseerd dat de door AB aan [X] ter beschikking gestelde bedrijfsverzorger [Y] toerekenbaar tekortgeschoten is althans onrechtmatig heeft gehandeld jegens [X]. Deze bedrijfsverzorger heeft volgens [X] zijn werkzaamheden op ondeskundige wijze verricht, waardoor problemen zijn ontstaan met installaties op het bedrijf van [X] en heeft voorts ten onrechte zijn werkzaamheden gestaakt.

6.12. De rechtbank stelt vast dat zowel in de oude statuten van AB (artikel 27 lid 1) als in de huidige statuten van AB (artikel 27 lid 1) een exoneratiebeding is opgenomen, waarin

- voor zover van belang - is bepaald dat de coöperatie jegens de leden niet aansprakelijk is voor schaden en verliezen die de ter beschikking gestelde arbeidskrachten toebrengen aan leden van AB, met dien verstande dat in de huidige statuten een uitzondering is gemaakt voor grove schuld en/of nalatigheid. Naar het oordeel van de rechtbank kan in het midden blijven welke statuten in het onderhavige geval van toepassing zijn, nu in geval van grove schuld en/of nalatigheid een beroep op de oude statuten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

6.13. Waar het exoneratiebeding is opgenomen in de statuten van AB, waaraan [X] als lid van AB gebonden is, kan AB dit exoneratiebeding in beginsel aan [X] tegenwerpen. Het feit dat AB in dit geding pas ter comparitie voor de eerste keer een beroep op het exoneratiebeding heeft gedaan, rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank niet de conclusie dat een beroep op het exoneratiebeding in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, te meer daar AB in de buitengerechtelijke fase, in haar brief aan de advocaat van [X] van 18 september 2008, zich reeds op het exoneratiebeding heeft beroepen in verband met de door [X] geclaimde schadevergoeding.

6.14. Hiervoor is reeds overwogen dat er in dit geding vanuit dient te worden gegaan dat er sprake was van een onveilige situatie op het bedrijf van [X] met betrekking tot de elektriciteitsvoorziening en dat niet gebleken is dat de problemen met de bedrijfsinstallaties door toedoen van bedrijfshulp [Y] zijn ontstaan. Gelet daarop kan niet worden geoordeeld dat er sprake is van grove schuld en/of nalatigheid van de ter beschikking gestelde arbeidskracht en was AB/[Y] gerechtigd om de werkzaamheden te beëindigen. AB is daarbij niet op onzorgvuldige wijze te werk gegaan, nu op grond van de verklaring van [A] - ten aanzien waarvan de rechtbank geen reden ziet om die in twijfel te trekken - genoegzaam aannemelijk geworden is dat het bedrijf van [X] tot diens terugkomst van vakantie niet onbeheerd is achtergelaten.

6.15. Gelet op het voorgaande stuit de door [X] gevorderde schadevergoeding geheel af op het in de statuten van AB opgenomen exoneratiebeding. De rechtbank voegt daar nog het volgende aan toe. De facturen van Farm Service en Installatiebedrijf Hoekstra zouden ook zonder exoneratiebeding voor rekening van [X] komen, gelet op de voorgaande overwegingen omtrent de oorzaak van de problemen met de betreffende installaties. De facturen van [D] en [E] zien op werkzaamheden tijdens de nieuwe vakantie van [X], waarvoor hij vervangende arbeidskracht moest inhuren, omdat AB haar dienstverlening aan hem had gestaakt. Nu AB daartoe evenwel gerechtigd was en het causaal verband met het handelen van AB/[Y] overigens ontbreekt - het is de eigen keuze van [X] geweest om een nieuwe vakantie te plannen - kunnen ook die facturen niet ten laste van AB komen. Datzelfde geldt voor de kosten in verband met het moeten afbreken van de eerste vakantie. AB was immers gerechtigd haar dienstverlening aan [X] op te schorten. Ten slotte heeft [X] zijn stelling dat als gevolg van slechte verzorging door [Y] zijn koeien minder melk gaven en hij extra voer heeft moeten aanschaffen om de melkopbrengst weer op het oude niveau te krijgen, op geen enkele wijze heeft onderbouwd.

6.16. De in verband met voormelde schadevergoeding door [X] gevorderde buitengerechtelijke incassokosten delen het lot van de schadevergoeding en zullen dus ook worden afgewezen.

Proceskosten

6.17. Nu partijen over en weer op enig punt in het (on)gelijk zijn gesteld, acht de rechtbank termen aanwezig om de proceskosten op na te melden wijze tussen partijen te compenseren.

voorts in reconventie

De standpunten van partijen

7.1. AB vordert betaling van haar (na stornering) openstaande factuur van 16 augustus 2007, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten en rente. Deze factuur ziet op de werkzaamheden van de aan [X] ter beschikking gestelde bedrijfshulp [Y].

7.2. [X] betwist de factuur van AB. AB heeft hem een volstrekt ondeskundige en ongekwalificeerde bedrijfshulp ter beschikking gesteld, die diverse elektrische storingen heeft veroorzaakt. Bovendien heeft de bedrijfshulp hals over kop het bedrijf van [X] verlaten, zonder voor adequate vervanging zorg te dragen, waarmee hij [X] dwong om vervroegd van vakantie terug te keren. Gelet op deze omstandigheden is AB toerekenbaar tekortgeschoten jegens [X] althans heeft zij onrechtmatig jegens hem gehandeld. [X] is om die reden niets aan AB verschuldigd. Subsidiair beroept [X] zich op verrekening van het factuurbedrag met zijn vordering op AB terzake vergoeding van de schade die [Y] heeft veroorzaakt. Ten slotte betwist [X] de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten.

De beoordeling van het geschil

7.3. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij hiervoor onder de rechtsoverwegingen 6.14. en 6.15 heeft overwogen. Daaruit volgt dat het verweer van [X] met betrekking tot de door [Y] verrichte werkzaamheden geen stand kan houden en dat het gevorderde factuurbedrag toewijsbaar is, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente.

7.4. AB heeft een bedrag aan buitengerechtelijke (incasso)kosten gevorderd.

De rechtbank hanteert daarbij het uitgangspunt dat het moet gaan om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Gelet op de zich in het dossier bevindende correspondentie van AB, alsook die van haar later ingeschakelde incasso-advocaat, met [X] is naar het oordeel van de rechtbank aan deze maatstaf voldaan. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal daarom worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen, nu gesteld noch gebleken is dat [X] terzake reeds in verzuim is.

7.5. [X] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. Deze kosten worden aan de zijde van AB vastgesteld op € 576,00 (tarief I, 3 x € 384,00 x ½)

8. De beslissing

De rechtbank:

in conventie

8.1. vernietigt het besluit tot ontzetting uit het lidmaatschap van 22 januari 2008;

8.2. veroordeelt AB om [X] binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis te herstellen in al zijn rechten als lid van de coöperatie onder het ter beschikking stellen van de daarbij behorende faciliteiten;

8.3. bepaalt dat AB voor elke dag dat zij niet aan deze veroordeling voldoet, een dwangsom zal verbeuren van € 1.000,-;

8.4. verbindt aan de aldus te verbeuren dwangsommen een maximum van € 20.000,-;

8.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

8.6. compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

8.7. wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie

8.8. veroordeelt [X] tot betaling aan AB van een bedrag van € 832,12, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 augustus 2007 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 124,82;

8.9. veroordeelt [X] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van AB vastgesteld op € 576,00;

8.10. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Smit en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2010.?

fn 343