Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2010:BK9081

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
06-01-2010
Datum publicatie
13-01-2010
Zaaknummer
87200 - HA ZA 08-75
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Executieperikelen. Vraag of gedaagde onrechtmatig heeft gehandeld door over te gaan tot executoriale verkoop van een aan eiser in eigendom toebehorend schip.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 87200 / HA ZA 08-75

Vonnis van 6 januari 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te Heerenveen,

eiser,

advocaat mr. J.H. Mastenbroek, kantoorhoudende te Groningen,

tegen

[gedaagde],

wonende te Heerenveen,

gedaagde,

advocaat mr. M.R. Rauwerda, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de akte overlegging producties

- het proces-verbaal van comparitie van 24 september 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft in een kort geding dat tussen [gedaagde] als eiser en [eiser] als gedaagde aanhangig is geweest, [eiser] bij kort-geding-vonnis van 2 oktober 1997 geboden om de fundering, voor zover gelegen op het erf van [gedaagde], binnen twee weken na de betekening van dat vonnis te verwijderen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van ƒ 2.000,00 voor iedere dag dat [eiser] geheel of gedeeltelijk in gebreke zou blijven met dat gebod, waarbij aan de te verbeuren dwangsommen een maximum van ƒ 20.000,00 is verbonden.

2.2. Het kort-geding-vonnis van 2 oktober 1997 is op 9 oktober 1997 aan [eiser] betekend.

2.3. [eiser] heeft niet (tijdig) aan het in het kort-geding-vonnis van 2 oktober 1997 aan hem opgelegde gebod voldaan. Door hem is het door de voorzieningenrechter bepaalde maximum van ƒ 20.000,00 aan dwangsommen verbeurd.

2.4. Bij deurwaardersexploit van 17 november 1997 is [eiser] aangezegd dat aan het bevel tot voldoening aan het kort-geding-vonnis van 2 oktober 1997 niet was voldaan, met bevel tot betaling van de verbeurde dwangsommen, proceskosten en executiekosten en met aanzegging dat bij niet tijdige voldoening aan dat bevel, tot tenuitvoerlegging zou worden overgegaan.

2.5. Op of omstreeks 15 december 1997 heeft [gedaagde] ten laste van [eiser] executoriaal beslag laten leggen onder Gak Nederland B.V. te Leeuwarden op de uitkering van [eiser] krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet. Dit beslag heeft in die zin doel getroffen dat er maandelijks een bedrag van ongeveer ƒ 50,00 op de uitkering van [eiser] werd ingehouden.

2.6. Op of omstreeks 10 februari 1998 heeft [gedaagde] ten laste van [eiser] executoriaal derdenbeslag laten leggen op de bankrekeningen van [eiser] bij de Frieslandbank, de ABN Amro Bank N.V. en de Postbank N.V. Deze beslagen hebben geen doel getroffen en zijn vrij snel nadien opgeheven.

2.7. In de maand maart dan wel mei 1998 heeft [gedaagde] ten laste van [eiser] executoriaal beslag laten leggen op een zeiljacht, genaamd "[naam]". Het zeiljacht is in gerechtelijke bewaring genomen.

2.8. Bij deurwaardersexploit van 18 mei 1998 heeft [gedaagde] opnieuw een bevel tot betaling van verbeurde dwangsommen aan [eiser] laten betekenen.

2.9. Op 15 juni 1998 heeft [eiser] een bedrag van ƒ 20.000,00 aan [gedaagde] voldaan.

2.10. Op 9 april 1999 heeft [gedaagde] het zeiljacht "[naam]" executoriaal laten verkopen. De opbrengst van het zeiljacht beliep een bedrag van ƒ 26.000,00.

2.11. Bij brief van 17 april 2001 heeft de deurwaarder die met de executoriale verkoop van het zeiljacht "[naam]" was belast, het volgende aan [eiser] medegedeeld:

Inzake [gedaagde]/[eiser] volgt hieronder de gevraagde specificatie voor de kosten:

Proceskosten/Salaris fl. 4.662,75

Kosten verslepen schip, bewaring, taxatie,

Schoonmaken schip etc. fl. 10.470,53

Advertentiekosten i.v.m. onbekende woonplaats

van dhr [eiser] fl. 3.204,49

Kosten diverse beslagen en exploiten fl. 3.685,29

Kosten i.v.m. het vervolgen van de diverse beslagen,

en de verkoop van het schip conform art.

14 Deurwaardersreglement fl. 5.875,00

Totaal fl. 27.898,06

3. De vordering

3.1. De vordering van [eiser] strekt ertoe dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] te betalen:

primair: een bedrag van € 560.594,69;

subsidiair: een bedrag van € 550.000,00;

meer subsidiair: een bedrag van € 550.861,30;

nog meer subsidiair: een bedrag van € 9.735,39,

vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2003, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna - voor zover van belang - nader ingegaan.

4. Het geschil en de beoordeling

4.1. [eiser] heeft op diverse gronden gesteld dat [gedaagde] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door tot de executoriale verkoop over te gaan van het aan [eiser] in eigendom toebehorende zeiljacht "[naam]". De vordering van [eiser] strekt tot het vergoeden van de schade die [eiser] hierdoor stelt te hebben geleden.

4.2. [gedaagde] heeft aangevoerd, dat de vordering van [eiser] door verloop van vijf jaren is verjaard. Volgens [eiser] is van verjaring van zijn vordering geen sprake. De lopende verjaringstermijn van vijf jaren is volgens [eiser] tijdig gestuit door het uitbrengen van de dagvaarding van 12 december 2007. [eiser] heeft in dat kader gewezen op een door hem bij akte in het geding gebrachte brief van 12 december 2002, met welke brief volgens [eiser] een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaren is gaan lopen. [gedaagde] heeft hiertegen aangevoerd dat deze brief nimmer door hem is ontvangen. Hij heeft er daarbij op gewezen dat het slechts een concept-brief betreft. Hoewel voor de vraag of de onderhavige vordering van [eiser] al dan niet is verjaard een bewijsopdracht in de rede ligt, zal de rechtbank daartoe niet overgaan. Op grond van hetgeen hierna zal worden overwogen, zal de vordering van [eiser] - indien er al van zou worden uitgegaan dat deze niet door verloop van vijf jaren is verjaard - worden afgewezen, zodat een bewijsopdracht niet opportuun is.

4.3. [eiser] heeft primair gesteld dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door tot de executoriale verkoop van het aan [eiser] toebehorende zeiljacht "[naam]" over te gaan terwijl de vordering van [gedaagde] strekkende tot betaling van verbeurde dwangsommen inmiddels was verjaard. [eiser] heeft hiertoe gesteld dat de in artikel 611g Wetboek van Rechtsvordering bedoelde verjaringstermijn van 6 maanden met de aanzegging van 17 november 1997 is gestuit, waarop een nieuwe verjaringstermijn van 6 maanden is gaan lopen, zodat de vordering op 18 mei 1998 - de dag waarop wederom een aanzegging tot betaling is uitgebracht - reeds (de rechtbank begrijpt: 1 dag) was verjaard.

4.3.1. Zoals [gedaagde] terecht heeft aangevoerd, heeft [eiser] naar het oordeel van de rechtbank miskend dat de in artikel 611g Wetboek van Rechtsvordering bedoelde verjaringstermijn van 6 maanden na de dag waarop de dwangsommen waren verbeurd op grond van de artikelen 3:316 lid 1 en 3:319 lid 1 Burgerlijk Wetboek door de aanzegging van 17 november 1997 is gestuit, waarna een nieuwe verjaringstermijn is gaan lopen met de aanvang van de volgende dag, te weten 18 november 1997. De stuiting van deze verjaringstermijn van 6 maanden heeft dan ook tijdig plaatsgevonden bij exploit van 18 mei 1998. Voorts heeft [gedaagde] terecht opgemerkt dat de lopende verjaringstermijn ook reeds is gestuit door de diverse, door [gedaagde] ten laste van [eiser] gelegde executoriale beslagen. Omdat geen sprake is van de door [eiser] gestelde verjaring van de vordering van [gedaagde], zal de primaire vordering worden afgewezen.

4.4. Subsidiair heeft [eiser] aangevoerd dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door na ontvangst van een bedrag van ƒ 20.000,00 toch tot een executoriale verkoop van het zeiljacht "[naam]" over te gaan. Volgens [eiser] was met de betaling van voornoemd bedrag van ƒ 20.000,00 80% van de vordering van [gedaagde] - bestaande uit de hoofdsom van ƒ 20.000,00 vermeerderd met kosten - voldaan. Zeker gelet op het executoriale beslag op de uitkering van [eiser] - waardoor de vordering van [gedaagde] binnen een redelijke termijn geheel zou worden voldaan - en de verwachte extra kosten die een voortzetting van de executie van het zeiljacht "[naam]" met zich zou brengen, heeft [gedaagde] volgens [eiser] onrechtmatig gehandeld door toch tot executie over te gaan.

4.4.1. Indien al zou worden uitgegaan van de juistheid van de stelling van [eiser] dat de executie van het zeiljacht "[naam]" heeft plaatsgevonden nadat 80% van de vordering van [gedaagde] was voldaan, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] niet onrechtmatig heeft gehandeld door tot executie van het zeiljacht over te gaan. Uitgaande van de juistheid van de stellingen van [eiser] stond op dat moment immers nog 20% van de vordering van [gedaagde] open. Het beslag onder Gak Nederland had in die zin doel getroffen dat maandelijks slechts een relatief laag bedrag van ƒ 50,00 op de uitkering van [eiser] werd ingehouden. De overige beslagen hadden geen doel getroffen. Onder die omstandigheden heeft [gedaagde] niet onrechtmatig gehandeld door tot executie van het zeiljacht over te gaan. De enkele omstandigheid dat deze executie tot extra kosten zou leiden, doet daar niet aan af. Deze omstandigheid dient voor rekening en risico van [eiser] - die niet is overgaan tot voldoening van de gehele vordering van [gedaagde] - te blijven.

4.5. Ten aanzien van de meer subsidiaire vordering heeft [eiser] aangevoerd dat de executie van het zeiljacht "[naam]" onrechtmatig is geweest omdat het zeiljacht is verkocht voor een bedrag van ƒ 26.000,00 terwijl het zeiljacht toen een waarde vertegenwoordigde van € 550.000,00.

4.5.1. [gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat de waarde van het zeiljacht "[naam]' een bedrag van € 550.000,00 beliep. Volgens [gedaagde] is het zeiljacht voor een reëel bedrag verkocht. Omdat [eiser] zijn stelling dat het zeiljacht een waarde vertegenwoordigde van € 550.000,00 op geen enkele wijze heeft onderbouwd, zal deze stelling als onvoldoende onderbouwd worden gepasseerd. Ook de meer subsidiaire vordering zal dus worden afgewezen.

4.6. Nog meer subsidiair heeft [eiser] aangevoerd dat [gedaagde] rekening en verantwoording dient af te leggen over de gerealiseerde opbrengst van het zeiljacht "[naam]". [eiser] heeft er daarbij op gewezen dat [gedaagde] een bedrag van (ƒ 20.000,00 +ƒ 26.000,00 = ) ƒ 46.000,00 heeft ontvangen, terwijl de vordering uit hoofde van verbeurde dwangsommen, vermeerderd met kosten een bedrag van ƒ 24.546,04 beliep, vermeerderd met een redelijk bedrag aan extra kosten ter zake van de executoriale verkoop van het zeiljacht "[naam]". [eiser] betwist de juistheid van de door de deurwaarder bij brief van 17 april 2001 gespecificeerde kosten van in totaal ƒ 27.898,06. De vordering van [eiser] strekt tot betaling door [gedaagde] van een bedrag van (ƒ 46.000,00 - ƒ 24.546,04 = ) ƒ 21.453,96 (€ 9.735,38).

4.6.1. De rechtbank constateert dat de deurwaarder bij brief van 17 april 2001 desgevraagd een specificatie van de kosten van ƒ 27.898,06 aan [eiser] heeft doen toekomen. De rechtbank acht het ten laste van [eiser] gebrachte aan kosten - dat op zichzelf hoog is, doch gelet op de gerechtelijke bewaring van het zeiljacht en de executoriale verkoop daarvan, reëel lijkt te zijn - met deze specificatie voldoende onderbouwd en ziet in hetgeen [eiser] hiertegen heeft aangevoerd onvoldoende aanleiding om aan de juistheid daarvan te twijfelen. Opgemerkt wordt nog dat [eiser] niet heeft betwist dat hij destijds geen bezwaar heeft gemaakt tegen deze specificatie maar daar eerst nu - jaren later - bezwaar tegen maakt.

4.7. Op grond van het voorgaande zal de vordering van [eiser] worden afgewezen. Hetgeen [gedaagde] overigens nog heeft aangevoerd - zoals een beroep op misbruik van recht en rechtsverwerking - behoeft gelet op het voorgaande geen behandeling.

4.8. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden vastgesteld op:

- vast recht 1.148,00

- salaris advocaat 5.160,00 (2 punten × tarief EUR 2.580,00)

Totaal EUR 6.308,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden vastgesteld op EUR 6.308,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Jansen en in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2010.?