Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2010:BK8848

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
07-01-2010
Datum publicatie
12-01-2010
Zaaknummer
09/592
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De Minister heeft eiser wegens het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank aan een persoon van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt, een boete opgelegd van € 900,00. Bewijs. Hoogte van de boete. Gelijkheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 09/592

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 januari 2010 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), verweerder,

gemachtigde: mr. I.L. de Graaf, werkzaam bij de Voedsel en Waren Autoriteit, agentschap van het ministerie van VWS.

Procesverloop

Bij brief van 5 februari 2009 heeft verweerder (de Minister) eiser (hierna ook: [eiser]) mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Drank- en Horecawet (DHW). Tegen dit besluit heeft [eiser] beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 3 december 2009. [eiser] is in persoon verschenen. Namens de Minister is voornoemde gemachtigde verschenen.

Motivering

Feiten

1.1 [eiser] is vennoot van de Vennootschap onder firma [naam V.O.F.]. Deze V.O.F. exploiteert in [vestigingsplaats] een camping met een kantine waar onder meer alcoholhoudende dranken worden verkocht.

1.2 Bij besluit van 5 december 2008 heeft de Minister aan [naam eiser] (de rechtbank begrijpt: [eiser]) wegens het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank aan een persoon van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt, een boete opgelegd van € 900,00.

1.3 Bij het bestreden besluit heeft de Minister het bezwaar van [eiser] tegen het besluit van 5 december 2008 ongegrond verklaard.

Beoordeling van het geschil

2.1 Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de DHW is het verboden bedrijfsmatig alcoholhoudende drank te verstrekken aan een persoon van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt. Onder verstrekken als bedoeld in de eerste volzin wordt eveneens begrepen het verstrekken van alcoholhoudende drank aan een persoon van wie is vastgesteld dat deze de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt, welke drank echter kennelijk bestemd is voor een persoon van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt. Ingevolge het vierde lid, eerste volzin, van dit artikel blijft de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, achterwege, indien het een persoon betreft die onmiskenbaar de vereiste leeftijd heeft bereikt.

2.2 Ingevolge artikel 44a, eerste lid, van de DHW kan de minister ter zake van in de bijlage omschreven overtredingen een boete opleggen aan een natuurlijke of rechtspersoon aan wie de overtreding kan worden toegerekend.

2.3 Ingevolge artikel 2 van het Besluit bestuurlijke boete Drank- en Horecawet (hierna: het Besluit DHW) bepaalt het in de kolommen I en II opgenomen bedrag de bestuurlijke die opgelegd kan worden voor in de bijlage omschreven overtredingen van voorschriften gesteld bij of krachtens de DHW. Ingevolge artikel 3 van het Besluit DHW in samenhang met de bijlage bij het Besluit DHW bedraagt de boete voor de rechtspersoon die op de dag waarop artikel 20, eerste lid, van de DHW is overtreden minder dan vijftig werknemers telde: € 900,00.

2.4 Uit artikel 20, eerste lid, eerste volzin, van de DHW vloeit voort dat het uitgangspunt van de aan de orde zijnde regeling is dat de leeftijd van een persoon moet worden vastgesteld voordat tot bedrijfsmatige verstrekking van alcoholhoudende drank mag worden overgegaan. Een uitzondering op dit uitgangspunt kan, ingevolge het vierde lid, eerste volzin, worden gemaakt, indien het een persoon betreft die onmiskenbaar de vereiste leeftijd heeft bereikt. Het woord onmiskenbaar houdt, blijkens de wetgeschiedenis in dat overduidelijk moet zijn dat die persoon de vereiste leeftijd heeft bereikt (Kamerstukken II 1997-1998, 25 969, nr. 3, blz. 28).

2.5 Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) dat de Minister zich voor het antwoord op de vraag of artikel 20, eerste lid, eerste volzin, van de DHW is overtreden, mag baseren op ter zake opgemaakte processen-verbaal van de controleambtenaren. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat de Minister in beginsel mag uitgaan van de juistheid van de inhoud van het op ambtseed/belofte opgemaakte proces-verbaal. Dit sluit echter betwisting daarvan in rechte niet uit. De rechtbank verwijst in dit kader bijvoorbeeld naar een uitspraak van de ABRvS van 12 december 2007 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN BB9939).

2.6 In het op 19 september 2008 op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal heeft de controleambtenaar vermeld dat hij op 10 juli 2008 op het terras van [de camping] zag en hoorde dat aan twee jongens alcoholhoudende drank werd verstrekt zonder dat hun leeftijd werd vastgesteld en dat hij zag dat deze jongens niet onmiskenbaar de leeftijd van 16 jaar hadden bereikt. Hij maakte dit onder meer op uit uiterlijke kenmerken als lichaamsbouw, gelaat, kleding en gedrag. Van één van de jongens is vervolgens door de controleambtenaar vastgesteld dat hij 16 jaar oud was (hierna: de eerste jongen) en van de andere jongen is vastgesteld dat hij 15 jaar oud was (hierna: de tweede jongen).

2.7 De rechtbank is van oordeel dat in het proces-verbaal aldus duidelijk is vastgelegd wat de controleambtenaar heeft waargenomen en dat hij een overtreding van artikel 20, eerste lid, van de DHW heeft vastgelegd. Voorts is in het proces-verbaal op voldoende wijze aangegeven waarop de constatering van de controleambtenaar dat beide jongens niet onmiskenbaar de leeftijd van 16 jaar hadden bereikt, is gebaseerd. In hetgeen [eiser] heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding te oordelen dat de Minister in dit geval aan de juistheid van de inhoud van het proces-verbaal had moeten twijfelen en het niet aan zijn besluit ten grondslag had mogen leggen. Ook indien het personeel van de camping van de eerste jongen eerder wel de leeftijd heeft vastgesteld en de serveerster die de jongens op het terras bediende daarvan op de hoogte was, zoals [eiser] stelt, is nog steeds sprake van een overtreding aangezien vaststaat dat van de tweede jongen niet is vastgesteld dat hij de leeftijd van 16 jaar had bereikt en uit de waarnemingen van de controleambtenaar blijkt dat één van de verstrekte biertjes kennelijk voor hem bestemd was, voor zover deze al niet rechtstreeks aan hem is verstrekt. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor onder 2.4 heeft overwogen is voor het vaststellen van een overtreding, in tegenstelling tot wat [eiser] meent, niet vereist dat het een persoon betreft die onmiskenbaar jonger is dan 16. Er is slechts dan geen sprake van een overtreding wanneer overduidelijk is dat het een persoon betreft die ten minste 16 jaar oud is. Gelet op de waarnemingen van de controleambtenaar is daarvan in dit geval geen sprake. Daaraan doet niet af dat de tweede jongen een 16+ bandje en een 16+ stempel droeg. Bovendien is vastgesteld dat deze jongen daadwerkelijk jonger was dan 16 jaar.

2.8 Uit het voorgaande volgt dat de Minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat door [eiser] in strijd met artikel 20, eerste lid, van de DHW aan ten minste één persoon alcoholhoudende drank is verstrekt zonder dat zijn leeftijd is vastgesteld, terwijl hij niet onmiskenbaar 16 jaar of ouder was.

2.9 [eiser] acht de hoogte van de opgelegde boete onredelijk, omdat op [de camping] streng op de regels uit de DHW wordt toegezien. Voor zover hij daarmee een beroep heeft willen doen op afwezigheid van alle schuld overweegt de rechtbank dat een dergelijk beroep slechts kan slagen indien redelijkerwijs aan de betrokkene geen enkel verwijt kan worden gemaakt van de bewezen geachte overtreding. De door [eiser] getroffen maatregelen zijn kennelijk onvoldoende nu zijn personeel het uitgangspunt van artikel 20, eerste lid, van de DHW in dit geval heeft genegeerd. De situatie dat aan [eiser] geen enkel verwijt kan worden gemaakt, doet zich dan ook niet voor. De rechtbank verwijst in dit kader naar een uitspraak van de ABRvS van 5 december 2007 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN BB9438). Voorts overweegt de rechtbank in dit kader dat de hoogte van de opgelegde boete rechtstreeks voortvloeit uit artikel 3 van het Besluit DHW in samenhang met de bijlage bij dat DHW en dat het Besluit DHW geen mogelijkheid kent de hoogte van de boete te matigen.

2.10 [eiser] heeft aangevoerd dat de hoogte van de opgelegde boete hem heeft verbaasd, omdat de controleambtenaar tegen hem heeft gezegd dat de boete kon oplopen tot € 450,00. Voor zover [eiser] daarmee een beroep heeft willen doen op het vertrouwensbeginsel kan dit beroep niet slagen, omdat geen sprake is van een concrete en ondubbelzinnige toezegging, gedaan door een daartoe bevoegde persoon.

2.11 [eiser] acht het onredelijk dat hij voor deze overtreding is beboet en de jongens niet. Voor zover hij daarmee een beroep heeft willen doen op het gelijkheidsbeginsel, kan dit beroep niet slagen, omdat geen sprake is van gelijke gevallen. Bovendien is de verplichting tot vaststelling van de leeftijd gericht tot de verstrekker van de alcoholhoudende drank en heeft de wetgever er bewust voor gekozen de verstrekker van de alcoholhoudende drank te beboeten en niet degene aan wie deze drank wordt verstrekt.

2.12 Het voorgaande brengt de rechtbank tot de slotsom dat het beroep ongegrond is.

Proceskosten

3. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. E.M. Visser, rechter, in tegenwoordigheid van mr. F.F. van Emst als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2010.

w.g. E.M. Visser

w.g. F.F. van Emst

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:13 gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.