Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2010:3902

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
20-10-2010
Datum publicatie
10-06-2015
Zaaknummer
92531 HA ZA 08-875
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 92531/ HA ZA 08-875

Vonnis van 20 oktober 2010

in de zaak van

I. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WASSERIJ DE BLINDE B.V., gevestigd te Heerenveen,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PHRONTOS B.V., gevestigd te Heerenveen, eiseressen in conventie, verweersters in reconventie, advocaat mr. P. Tuinman te Leeuwarden,

tegen

de naamloze vennootschap

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. R.S. van der Spek te Leeuwarden.

Partijen zullen hierna Wasserij de Blinde c.s. en Achmea Schadeverzekeringen genoemd worden.

1 De procedure

l.I. Het verloop van de procedure blijkt uit: -de dagvaarding -de conclusie van antwoord in conventie en van voorwaardelijke eis in reconventie -de conclusie van repliek in conventie, tevens akte houdende vermindering van eis, alsmede

conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie -de conclusie van dupliek in conventie, tevens antwoordakte houdende vermindering eis, alsmede conclusie van repliek in voorwaardelijke reconventie -de pleidooien.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

20 oktober 2010

2 De feiten in conventie en voorwaardelijke reconventie

2.1.

Wasserij de Blinde B.V. exploiteert een wasserij en heeft de verzekering van haar bedrijfsgebouwen, roerende zaken in bedrijfsgebouwen en bedrijfsschade voor wat betreft de panden Leeuwarderstraatweg 68-70 te Heerenveen ondergebracht in het 'Zaken Zekerplan' bij Achmea Schadeverzekering. Het betreft de volgende polissen:

-Bedrijfsgebouwen ([polisnummer]) met een verzekerd bedrag van EUR 3.481.350,00 -Roerende zaken ([polisnummer]) " 4.624.960,00 -Roerende zaken ([polisnummer]) " " 938.575,00 -Roerende zaken (linnen van en bij derden) ([polisnummer]) " " 225.000,00 -Bedrijfsschade ([polisnummer]) " " 3.068.000,00

2.2.

Op de eerst genoemde polis (bedrijfsgebouwen) zijn de voorwaarden met nummer BR042-A, BR042-AB en BR042-1 van toepassing.

2.3.

Op de vier laatstgenoemde polissen is een viertal algemene voorwaarden van toepassing, namelijk de Algemene Voorwaarden Zaken Zekerplan, de Begrippenlijst Brand, de Bijzondere Voorwaarden (namelijk de Bijzondere Voorwaarden Uitgebreide Verzekering Roerende Zaken in Bedrijfsgebouwen en de Bijzondere Voorwaarden Uitgebreide Bedrijfsschadeverzekering) en de Voorwaarden Terrorismebeperking.

2.4.

Wind Verzekeringen B.V. te Heerenveen treedt op als tussenpersoon.

2.5.

De onroerende zaken van Wasserij de Blinde B.V. zijn op 23 juli 2004 verkocht en geleverd aan Phrontos B.V., van welke vennootschap Wasserij de Blinde B.V. een 100% dochter is. Phrontos B.V. is bestuurder van Wasserij de Blinde B.V. en beide vennootschappen vormen een fiscale eenheid. Phrontos B.V. is gevestigd en houdt kantoor op hetzelfde adres als Wasserij de Blinde B.V.

2.6.

Op 29 december 2005 heeft in de panden van Wasserij de Blinde c.s. een brand gewoed. De productieruimte en de kantoorruimten zijn volledig afgebrand. Voor het ( bepalen van schade heeft Achmea Schadeverzekeringen het expertisebureau Crawford Burggraaff, verder te noemen Crawford, te Drachten ingeschakeld. Wasserij de Blinde c.s. heeft Troostwijk Expertises B.V., verder te noemen Troostwijk, te Amsterdam als eigen deskundige aangewezen.

2.7.

De totale schade aan de bedrijfsgebouwen, ook te noemen de opstalschade, is in overleg tussen de deskundigen bepaald op EUR 2.050.472,00.

2.8.

Partijen hebben overeenstemming bereikt over de schade aan eigen textiel en dat van derden. Deze is vastgesteld op EUR 244.777,00.

2.9.

De totale schade aan de roerende zaken op basis van 'open polis' is op 28 mei 2009 in overleg tussen de deskundigen vastgesteld op EUR 2.511.134,00.

2.10.

Achmea Schadeverzekeringen heeft een bedrag van EUR 3.045.160,00 aan voorschotten voldaan. Voor de schade aan de roerende zaken is een bedrag van

EUR 375.383,00 uitgekeerd, voor bedrijfsschade EUR 2.425.000,00 en voor de schade aan de overige roerende zaken (linnen van en bij derden) EUR 244.777,00.

2.11.

Artikel 14 van de Bijzondere Voorwaarden Uitgebreide Verzekering bedrijfsgebouwen luidt voor zover van belang als volgt.

"Artikel 14 Eigendomsoverdracht

A. Doorlopen van de verzekering Bij eigendomsoverdracht van het verzekerde belang geldt, dat de verzekering gedurende dertig dagen van kracht blijft ten bate van de nieuwe eigenaar. Deze dertig dagen worden geteld vanaf de dag waarop het eigendom is overgegaan. De verzekering zal ook na dertig dagen doorlopen onder voorwaarde dat de nieuwe eigenaar binnen deze tennijn ons ofde verzekeringsadviseur hiervan schriftelijk mededeling heeft gedaan. Na ontvangst van de kennisgeving van eigendomsovergang bevestigen wij de nieuwe eigenaar zo spoedig mogelijk ofwij hem als verzekeringnemer accepteren ofwij de verzekering beëindigen. In dat geval nemen wij een opzegtennijn van ten minste dertig dagen in acht. "

2.12.

Wasserij de Blinde B.V. heeft verzuimd Achmea Schadeverzekeringen in kennis te stellen van de eigendomsoverdracht van de onroerende zaken aan Phrontos B.V.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

Wasserij de Blinde c.s. vordert -samengevat -na eiswijziging veroordeling van Achmea Schadeverzekeringen, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

I. ten aanzien van de opstalschade tot betaling van EUR 2.050.472,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 februari 2006, althans vanaf een datum in goede justitie te bepalen, en kosten;

  1. ten aanzien van de inventarisschade tot betaling van EUR 3.145.628,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 februari 2006, althans vanaf een datum in goede justitie te bepalen, en kosten;

  2. ten aanzien van de bedrijfsschade tot betaling van de wettelijke rente over een bedrag van EUR 2.425.000,00 vanaf 23 februari 2006, althans een datum in goede justitie te bepalen, tot 27 november 2006, over een bedrag van EUR 1.925.000,00 vanaf 27 november 2006 tot 17 oktober 2007 en over een bedrag van EUR 1.725.000,00 vanaf 17 oktober 2007 tot I november 2008;

  3. ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten tot betaling van een bedrag van EUR 25.000,00; een en ander met veroordeling van Achmea Schadeverzekeringen in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum vonnis.

3.2.

Achmea Schadeverzekeringen voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

20 oktober 2010

In voorwaardelijke reconventie

3.4.

Achmea Schadeverzekeringen vordert -samengevat -veroordeling van Wasserij de Blinde c.s. uitvoerbaar bij voorraad tot betaling van EUR 1.225.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover te berekenen vanaf de dag van betaling door Achmea Schadeverzekering aan Wasserij de Blinde B.V. met veroordeling van Wasserij de Blinde

c.s. in de kosten.

3.5.

Wasserij de Blinde c.s. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

o

in conventie en in voorwaardelijke reconventie

De opstal

4.1.

Wasserij de Blinde c.s. legt aan haar vordering met betrekking tot de bedrijfsgebouwen, verder ook te noemen de opstallen, het volgende ten grondslag. Volgens Wasserij de Blinde c.s. is Achmea Schadeverzekeringen gehouden tot uitkering van de opstalschade over te gaan en dient het verweer van Achmea Schadeverzekeringen dat zij daartoe niet gehouden is, omdat Wasserij de Blinde B.V. op 29 december 2005 geen eigenaresse meer was van de betreffende onroerende zaken, te worden gepasseerd. Het is volgens Wasserij de Blinde c.s. in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (6:248 lid 2 BW) onaanvaardbaar dat Achmea Schadeverzekeringen zich op dit standpunt beroept. Wasserij de Blinde B.V. is de premiebetalingen blijven voldoen en indien Wasserij de Blinde B.V. of Phrontos B.V. de eigendomsoverdracht van de onroerende zaken binnen de gestelde termijn van dertig dagen zou hebben gemeld, dan zou Achmea Schadeverzekeringen Phrontos B.V. op dezelfde voorwaarden en tegen dezelfde premie hebben verzekerd. Achmea Schadeverzekeringen is door de eigendomsoverdracht op geen enkele wijze in haar belangen geschaad, aldus Wasserij de Blinde c.s. Wasserij de Blinde c.s. beroept zich in dit verband op een uitspraak van de Hoge Raad, namelijk die van 5 oktober 2007, in welke uitspraak is overwogen dat de verzekeraar als redelijk handelend verzekeraar de nieuwe verzekerde niet geweigerd zou hebben, nu niet is gebleken dat er met de overgang van het verzekerd belang relevante veranderingen (verzwaringen) ten aanzien van het verzekerd risico hebben plaatsgevonden. Wasserij de Blinde c.s. beroept zich daarnaast op de van toepassing zijnde algemene voorwaarden, namelijk Zaken Zekerplan Algemene Voorwaarden Brand, waarin -kort gezegd en voor zover relevant-is vermeld dat de verzekerde niet het recht heeft de verzekering tussentijds te beëindigen indien de onderneming van rechtsvorm verandert, fuseert, of in het kader van de uitoefening van het bedrijf een vennootschap met anderen gaat vormen. Volgens Wasserij de Blinde c.s. kunnen Wasserij de Blinde B.V. en Phrontos

B.V. als één onderneming worden gezien en is ten aanzien van beide vennootschappen sprake van vereenzelviging. Op grond van voornoemde bepaling heeft men binnen één onderneming niet het recht om de verzekering te beëindigen.

4.2.

Achmea Schadeverzekeringen verweert zich tegen de vordering van Wasserij de Blinde c.s. en voert daartoe het volgende aan. Zij stelt voorop dat zij geen schades behoeft uit te keren die op de redelijkheid en billijkheid zijn gestoeld en die niet hun grondslag vinden in een overeenkomst van schadeverzekering. Zulks volgt ook uit arresten van de Hoge Raad, namelijk die van 9 juni 2006 (NI 2006, 326) en van 16 mei 2008 (NI 2008, 284). Voor de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid is volgens Achmea Schadeverzekeringen geen plaats en ook niet voor de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Voor de vraag of er onder de polis recht bestaat op uitkering zijn de polisvoorwaarden en de Bijzondere Voorwaarden maatgevend. Uitsluitend de polis bepaalt de omvang van de dekking, waarbij Achmea Schadeverzekeringen zich beroept op artikel 7:932 BW, dat dwingendrechtelijk bepaalt dat een polis een onderhandse akte is die de inhoud van de polis -behoudens door de verzekerde te leveren tegenbewijs-vastlegt. Phrontos B.V. was op het moment van brand eigenaresse van de opstallen en zij was op dat moment niet bij Achmea Schadeverzekeringen verzekerd. Achmea Schadeverzekeringen is dan ook niet gehouden de schade aan de opstallen te voldoen. Achmea Schadeverzekeringen verwijst in dit kader naar artikel 7:946 lid 1 BW, waarin staat vermeld dat de overeenkomst slechts de belangen van de verzekeringnemer dekt. Phrontos B.V. miskent artikel 14 van de Bijzondere Voorwaarden door te stellen dat Achmea Schadeverzekeringen na melding zou zijn overgegaan tot verzekering van Phrontos B.V. op dezelfde voorwaarden en tegen dezelfde premie. Voornoemd artikel bevat namelijk een keuzemogelijkheid voor Achmea Schadeverzekeringen. Er zou na de melding een vragenlijst zijn gestuurd en vieren half jaar na dato valt niet meer na te gaan hoe zij met de antwoorden zou zijn omgegaan. De maatstaven van redelijkheid en billijkheid kunnen er niet toe leiden dat Phrontos B.V. als verzekeringnemer wordt aangemerkt, nu Achmea Schadeverzekeringen daarmee een contractspartij opgedrongen zou krijgen. Achmea Schadeverzekeringen wijst er voorts op dat het bepaalde in artikel 14 van de Bijzondere Voorwaarden aansluit bij het thans geldende artikel 7: 948 BW. In de parlementaire geschiedenis staat hierover vermeld dat een oplossing is beproefd voor het voorkomende euvel dat na eigendomsoverdracht onder bijzondere titel de nieuwe belanghebbende afwacht of zich schade voordoet of niet, om het daarvan te laten afhangen of hij de verzekering overneemt. De in artikel 14 van de Bijzondere Voorwaarden opgenomen uitzondering op artikel 263 K waarop Achmea Schadeverzekeringen zich beroept is dan ook aanvaardbaar. Achmea Schadeverzekeringen betwist dat Wasserij de Blinde B.V. en Phrontos B.V. vereenzelvigd moeten worden. In dat geval had de transactie in juli 2004 namelijk ook niet behoeven plaats te vinden. Wasserij de Blinde B.V. en Phrontos B.V. zijn verschillende rechtspersonen en verschillende entiteiten. Voorts stelt Achmea Schadeverzekeringen dat het beroep op het door Wasserij de Blinde

c.s. aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 5 oktober 2007 dient te worden gepasseerd, nu de in dat arrest genoemde feiten volstrekt anders waren. In die zaak had de beursmakelaar verzuimd de wijzigingen door te geven en nu deze was aangewezen door de verzekeraar, kwam dat voor haar rekening. Daar komt nog bij, aldus nog steeds Achmea Schadeverzekeringen, dat het ging om de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid die enkel en alleen in de verhouding Achmea Schadeverzekeringen en Wasserij de Blinde B.V. zou kunnen gelden. Phrontos B.V. is namelijk geen partij.

4.3.

Bij de beoordeling door de rechtbank heeft als uitgangspunt te gelden dat Wasserij de Blinde B.V. de in haar eigendom zijnde -en door haar verzekerde-onroerende zaken op 23 juli 2004 heeft verkocht en geleverd aan Phrontos B.V., waarvan Wasserij de Blinde

B.V. een 100% dochter is. Vaststaat voorts dat Wasserij de Blinde c.s. niet heeft voldaan aan de in artikel 14 van de Bijzondere Voorwaarden (Uitgebreide Verzekering bedrijfsgebouwen) opgenomen verplichting om de eigendomsoverdracht van het verzekerde belang (binnen dertig dagen) aan Achmea Schadeverzekeringen te melden. Kern van het 20 oktober 2010

geschil is de vraag of Achmea Schadeverzekeringen met een beroep op artikel 14 uitkering van de schade kan weigeren, of dat dit in de gegeven omstandigheden op grond van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zoals door Wasserij de Blinde c.s. is gesteld en door Achrnea Schadeverzekeringen is betwist. De rechtbank is van oordeel dat Wasserij de Blinde B.V. en Phrontos B.V. in hun relatie tot Achmea Schadeverzekeringen (evenals dat het geval was in het door Wasserij de Blinde c.s. aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 5 oktober 2007 NJ 2007, 542) gelijk kunnen worden gesteld. Dat niet de gehele onderneming, maar slechts een deel daarvan is overgedragen aan Phrontos B.V., namelijk de tot de onderneming behorende bedrijfsgebouwen, is niet relevant, nu deze overdracht heeft plaatsgevonden binnen groepsverband en Wasserij de Blinde B.V. een honderd procent dochter is van Phrontos B.V., beide hetzelfde bestuur en dezelfde aandeelhouders hebben en op hetzelfde adres zijn gevestigd. Verder heeft Achmea Schadeverzekeringen geen althans onvoldoende argumenten aangedragen op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd zou zijn dat Achmea Schadeverzekeringen haar toestemming om Phrontos B.V. als nieuwe verzekerde te accepteren zou hebben geweigerd, indien deze toestemming tijdig door Phrontos B.V. zou zijn gevraagd. Dat nu niet meer valt na te gaan hoe Achmea Schadeverzekeringen met de antwoorden op de alsdan aan Phrontos B.V. gestelde vragen zou zijn om gegaan en haar aldus een keuzemogelijkheid is onthouden, zoals Achmea Schadeverzekeringen nog heeft gesteld, doet daaraan niet af. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat gesteld is noch gebleken en dat evenmin valt in te zien dat het materiële risico sedert het aangaan van de verzekering zodanig zou zijn gewijzigd dat Achmea Schadeverzekeringen gebruik zou hebben gemaakt van de in artikel 14 geboden mogelijkheid om tot beëindiging van de verzekeringsovereenkomst over te gaan. De rechtbank komt op grond van het vorenstaande tot het oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat aan Achmea Schadeverzekering een beroep op het bepaalde in artikel 14 van de Bijzondere Voorwaarden toekomt, in verband met het verzuim aan de zijde van Phrontos B.V. om mededeling te doen van de overdracht van de onroerende zaken. Dat dit verzuim in het onderhavige geschil niet -zoals in het aangehaalde arrest-aan de verzekeraar, maar aan Phrontos B.V. zelf dient te worden toegerekend maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Ook het feit dat Achmea Schadeverzekeringen hiermee een contractspartner opgedrongen krijgt doet naar het oordeel van de rechtbank niet aan het vorenstaande af, nu -zoals hiervoor al is overwogen-gesteld is, noch gebleken, dat zij Phrontos B.V. als contractspartner had zullen weigeren. De stelling van Achmea Schadeverzekeringen dat zij geen schades behoeft uit te keren die niet hun grondslag vinden in een overeenkomst dient eveneens te worden gepasseerd, nu de oorspronkelijke overeenkomst tussen Wasserij de Blinde B.V. en Achmea Schadeverzekeringen geacht wordt -ondanks de op grond van voornoemd artikel uitgebleven vereiste schriftelijke mededeling-tussen Phrontos B.V. en Achmea Schadeverzekeringen van kracht te zijn gebleven. De door Achmea Schadeverzekeringen aangehaalde jurisprudentie is voor de onderhavige zaak dan ook niet van belang. De rechtbank komt op grond van het vorenstaande tot de slotsom dat de schade aan de opstallen op het in overleg tussen de deskundigen bepaalde bedrag van EUR 2.050.472,00 dient te

worden bepaald.

De inventaris

4.4.

Wasserij de Blinde c.s. vordert vergoeding van de inventarisschade op basis van vaste taxatie tot een bedrag van EUR 3.145.628,00. Het taxatierapport van de HDS Groep dateert van 29 mei 2002 en was geldig tot 29 mei 2005. Overeenkomstig artikel 6.2 van de Algemene Voorwaarden Zaken Zeker Plan is de voortaxatie nog zes maanden blijven gelden, derhalve tot 29 november 2005. Wasserij de Blinde c.s. betwist dat de omstandigheid dat het taxatierapport op het moment van de brand verlopen was en dat overschrijding van de uitlooptermijn -zonder een nieuwe taxatie te laten opmaken-tot gevolg dient te hebben dat moet worden vergoed op basis van dagwaarde. Weliswaar stelt Achmea Schadeverzekeringen dat zij bij brief van 11 februari 2005 en per e-mail van 11 februari 2005 aan Wind Verzekeringen de aandacht heeft gevestigd op het feit dat de geldigheidsduur van de taxatie binnenkort zou verstrijken, van welke brief en e-mail door Wasserij de Blinde c.s. wordt betwist dat deze door Wind Verzekeringen zijn ontvangen, maar dat doet volgens Wasserij de Blinde c.s. niet af aan de verplichting van Achmea Schadeverzekeringen, in het kader van de op haar als verzekeraar rustende zorgplicht, om Wasserij de Blinde c.s. rechtstreeks op de hoogte te stellen van het verlopen van de betreffende taxatie. De door Achmea Schadeverzekeringen genoemde offerte van HDS, voor het verzorgen van een nieuwe voortaxatie is Wasserij de Blinde c.s. onbekend. Wasserij de Blinde c.s. had, indien zij tijdig door Achmea Schadeverzekeringen op de hoogte zou zijn gesteld, de betreffende termijn verlengd. Mocht Achmea Schadeverzekeringen destijds van mening zijn geweest dat de geldigheidsduur van het taxatierapport was verstreken, dan had ook de premie naar beneden dienen te worden bijgesteld. Volgens Wasserij de Blinde c.s. is zelfs bij vervanging op basis van 2e hands inventaris het door Crawford en Troostwijk vastgestelde bedrag aan schade op basis van open polis van EUR 2.5I1.l34,00 ontoereikend. Achmea Schadeverzekeringen kan in de gegeven omstandigheden in redelijkheid dan ook geen beroep doen op het verstrijken van de taxatietermijn, aldus nog steeds Wasserij de Blinde c.s.

4.5.

Achmea Schadeverzekeringen verweert zich als volgt. Wasserij de Blinde c.s. verlangt vergoeding van schade op basis van vaste taxatie, terwijl tussen partijen in confesso is dat deze voortaxatie ten tijde van de brand, zelfs rekening houdend met een uitlooptermij n van zes maanden, zijn geldigheid had verloren. Na de datum waarop de uitlooptermijn is verlopen wordt de voortaxatie beschouwd als een opgaaf van de verzekerde zelf, aldus Achmea Schadeverzekeringen. Achmea Schadeverzekeringen heeft, zonder daar volgens haar toe verplicht te zijn, Wind Verzekeringen zowel bij brief van 3 februari 2005 als per email van 11 februari 2005 erop gewezen dat de voortaxatie op 3 mei 2005 zou expireren. Daarnaast heeft HDS Groep -het bedrijf dat in 2002 de oorspronkelijke voortaxatie had verricht-Wasserij de Blinde c.s. rechtstreeks geoffreerd voor het verzorgen van een nieuwe voortaxatie en later is door HDS zelfs nog een rappel gezonden. Achmea Schadeverzekeringen betwist dat op haar de verplichting rust Wasserij de Blinde c.s. rechtstreeks te informeren over het verstrijken van de geldigheid van de taxatie. In het dossier van Achmea Schadeverzekeringen bevinden zich tientallen brieven, faxen en e-maiIs die zijn gewisseld met Wind Verzekeringen en er bestond voor haar geen enkele reden om aan te nemen dat zij Wind Verzekeringen geen mededelingen aangaande de verzekeringsportefeuille van Wasserij de Blinde B.V. kon doen. Achmea Schadeverzekeringen betwist voorts dat Wasserij de Blinde c.s. het in haar macht had om de geldigheidsduur met een jaar te verlengen. Volgens haar is het juist waarschijnlijk dat Achmea Schadeverzekeringen -zonder nieuw taxatierapport-niet met een dergelijke verlenging zou hebben ingestemd. Achmea Schadeverzekeringen betwist dat zij in redelijkheid geen beroep op het verstrijken van de geldigheidsduur van de vaste taxatie zou mogen doen.

20 oktober 2010

4.6.

De rechtbank oordeelt als volgt. De vraag die ter beantwoording voor ligt is of de inventarisschade op basis van vaste taxatie of op basis van open polis dient te worden vergoed en de daarmee samenhangende vraag of Achmea Schadeverzekeringen -in het kader van haar zorgplicht-Wasserij de Blinde c.s. al dan niet rechtstreeks had moeten waarschuwen voor het verlopen van de termijn. Vaststaat in dit verband dat de voortaxatie, rekening houdend met een uitlooptermijn van 6 maanden, op het moment van de brand op 29 december 2005 was verstreken. Achmea Schadeverzekeringen heeft gesteld dat zij, zonder daartoe verplicht te zijn, de tussenpersoon Wind Verzekeringen zowel per brief van 3 februari 2005 als per e-mail van 11 februari 2005 over het expireren van de voortaxatie heeft geïnformeerd. Voornoemde mededeling van Achmea Schadeverzekeringen, over het expireren van de voortaxatie, dient op grond van artikel 3:37 BW, om haar werking te hebben, Wind Verzekeringen te hebben bereikt. Weliswaar heeft Wasserij Blinde c.s. betwist dat Wind Verzekeringen voornoemde brief en e-mail (en de hierop betrekking hebbende offerte van HDS) heeft ontvangen, maar de rechtbank gaat hieraan voorbij, nu zonder nadere redengeving -die ontbreekt-niet valt in te zien dat Wind Verzekeringen voornoemde beide mededelingen, die op verschillende wijze aan Wind Verzekeringen zijn aangeboden, namelijk per brief en per e-mail, niet zou hebben ontvangen, terwijl door Wasserij de Blinde c.s. niet is betwist dat zich in het dossier van Achmea Schadeverzekeringen tientallen brieven, faxen en e-maiIs met Wind Verzekeringen bevinden die op de verzekeringsportefeuille van Wasserij de Blinde B.V. betrekking hebben. In het geval Wind Verzekeringen Wasserij op haar beurt Wasserij de Blinde c.s. niet heeft geïnformeerd na het ontvangen van voornoemde mededelingen, dan kan deze onzorgvuldigheid jegens Wasserij de Blinde c.s. niet aan Achmea Schadeverzekeringen worden toegerekend. Voorts oordeelt de rechtbank dat de in het kader van de verzekeringsovereenkomst op Achmea Schadeverzekeringen rustende zorgplicht om Wasserij de Blinde c.s. van het expireren van de voortaxatie mededeling te doen niet zover reikt dat Achmea Schadeverzekeringen deze rechtstreeks aan Wasserij de Blinde c.s. had behoren te voldoen, nu de roerende zaken ook na het verstrijken van de termijn op basis van open polis verzekerd zijn gebleven. De niet nader onderbouwde stelling van Wasserij de Blinde c.s. dat het op basis van open polis vastgestelde schadebedrag van EUR 2.511.134,00 bij lange na niet toereikend is om de roerende zaken te vervangen doet hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. De stelling van Wasserij de Blinde c.s. dat Achmea Schadeverzekeringen in het kader van de op haar rustende zorgplicht gehouden was de betreffende mededeling rechtstreeks aan haar te doen dient naar het oordeel van de rechtbank dan ook te worden gepasseerd. De rechtbank komt tot de slotsom dat, met

inachtneming van hetgeen hierna nog over de 'Hulpzaken' wordt overwogen, een bedrag van EUR 2.511.134,00 voor vergoeding van schade aan de roerende zaken in aanmerking komt.

De hulpzaken

4.7.

Met betrekking tot de 'hulpzaken' ,die tot de inventaris behoren, welke hulpzaken volgens Achmea Schadeverzekeringen eveneens aan Phrontos B.V. zijn overgedragen, stelt Wasserij de Blinde c.s. het volgende. Volgens Wasserij de Blinde c.s. waren alle zich ten tijde van de brand in het pand bevindende roerende zaken in eigendom van Wasserij de Blinde B.V. en komen zij voor vergoeding in aanmerking. De notaris heeft weliswaar een standaardbepaling over hulpzaken in de akte van koop en levering gezet, maar die heeft geen relevantie, omdat er geen hulpzaken zijn. Een jaar na de brand heeft de notaris de akte gerectificeerd, daar het duidelijk was dat er bepalingen in voornoemde akte waren opgenomen waaraan geen werking toekwam. Verder stelt Wasserij de Blinde c.s. dat op grond van artikel 3: 90 BW voor de levering van roerende zaken is vereist dat aan de verkrijger het bezit daarvan wordt verschaft, maar in dit geval is dat niet geschied. Evenmin heeft levering op grond van artikel 3: 115 sub a BW plaatsgevonden. Dat enkel de bedrijfsgebouwen in eigendom zijn overgegaan blijkt volgens Wasserij de Blinde c.s. ook uit de balans van Wasserij de Blinde B.V. en de bevestiging van Van der Veen & Kromhout bij brief van 11 oktober 2006 waarin vermeld staat dat de roerende zaken onderdeel zijn blijven uitmaken van Wasserij de Blinde B.V. De schade aan voornoemde roerende zaken dient volgens Wasserij de Blinde c.s. aan Wasserij de Blinde B.V. worden vergoed en mocht zulks anders zijn, dan dient de schade -gelet op het concernverband-aan Phrontos B.V. te worden vergoed.

4.8.

Achmea Schadeverzekeringen voert verweer tegen de stelling van Wasserij de Blinde c.s. dat op 23 juli 2004 bij de gelegenheid van de overdracht van de bedrijfsgebouwen geen roerende zaken zijn overgedragen. In artikel l.I. van de notariële akte van koop en levering wordt bij de definitie van 'Hulpzaken' verwezen naar artikel

3: 254 BW, terwijl in artikel 3 van diezelfde akte is vermeld dat in de koop en levering 'de Hulpzaken" zijn begrepen en dat deze (onder meer) vrij van pandrechten worden overgedragen. Bij diezelfde datum heeft Phrontos B.V. (onder meer) alle roerende zaken verpand die volgens verkeersopvatting bestemd zijn om het onderpand te dienen en door hun vorm als zodanig te herkennen, alsmede heeft zij machinerieën en werktuigen die bestemd zijn om daarmee een bedrijf uit te oefenen in de hiertoe ingerichte fabriek casu quo werkplaats verpand. Als de stelling van Wasserij de Blinde B.V. dat Phrontos B.V. geen eigenaresse is van voornoemde roerende zaken juist zou zijn dan zou zij onbevoegd zijn geweest om deze zaken te verpanden. Dat de betreffende roerende zaken niet in het bezit zouden zijn gesteld van Phrontos B.V. wordt eveneens betwist. In artikel 10 van voornoemde akte staat namelijk ook nog met zoveel woorden vermeld dat het gekochte na het verlijden van de akte in het bezit van de koper is gesteld. Uit dit samenstel van rechtshandelingen kan volgens Achmea Schadeverzekeringen niet anders worden afgeleid dan dat de betreffende roerende zaken zijn geleverd aan Phrontos B.V. Middels een rectificatie van de notaris op 8 december 2006 beoogt Wasserij de Blinde c.s. de nadelige gevolgen van de eigendomsoverdracht 'weg te poetsen', maar deze rectificatie heeft geen goedenrechtelijk gevolg, aldus nog steeds Achmea Schadeverzekeringen. Dat de overdracht niet in de jaarstukken van Wasserij de Blinde BV. en Phrontos B.V. is verwerkt (welke jaarstukken wellicht later zijn opgemaakt) doet hier volgens Achmea Schadeverzekering niet aan af. Zij hebben volgens haar geen constituerende werking met betrekking tot eigendomsverhoudingen.

4.9.

De rechtbank heeft hiervoor in rechtsoverweging 4.3 beslist dat Phrontos B.V. rechten aan de verzekeringsovereenkomst kan ontlenen en dat dekking onder de pol is bestaat. Op grond daarvan kan ook de schade aan de aan Phrontos B.V. overgedragen en in eigendom toebehorende zaken worden gevorderd, terwijl niet in geschil is dat Wasserij de Blinde B.V. bevoegd is gebleven om de schade te vorderen van de zaken die niet zijn overgedragen. De schade aan de 'Hulpzaken " mocht komen vast te staan dat die er zijn, dienen dan ook bij de vaststelling van de schade aan de roerende zaken te worden begrepen. Nu Wasserij de Blinde c.s. na eiswijziging niet vordert de schade aan de roerende zaken volledig aan Wasserij de Blinde B.V. te voldoen, maar om Achmea Schadeverzekeringen te veroordelen om de schade aan Wasserij de Blinde B.V. dan wel Phrontos B.V. te voldoen en 20 oktober 2010

gesteld is noch gebleken dat zij belang heeft bij beantwoording van de vraag aan wie van partijen de schade dient te worden vergoed, zal de rechtbank volstaan met een veroordeling van Achmea Schadeverzekeringen om de schade aan de roerende zaken aan Wasserij de Blinde c.s., te voldoen.

De bedrijfsschade

4.10.

Wasserij de Blinde c.s. legt op dit punt de volgende stellingen aan haar vordering ten grondslag. Volgens haar dient bij de berekening van de bedrijfsschade niet te worden uitgegaan van de concernbenadering, maar van de zogenaamde 'stand alone' benadering. Wasserij de Blinde B.V. wordt in het laatstgenoemde geval als zelfstandige onafhankelijke onderneming beschouwd, hetgeen volgens Wasserij de Blinde c.s. juist is. De bedrijfsschadepolis is namelijk alleen op naam van Wasserij de Blinde B.V. gesteld. Wasserij de Blinde c.s. stelt bereid te zijn de bedrijfsschade op concernbasis af te doen (voor een bedrag van EUR 1.200,00) indien de opstalschade en de schade aan de inventarisgoederen ook op concernbasis worden afgedaan.

4.11.

Met betrekking tot de gevorderde bedrijfsschade verweert Achmea Schadeverzekeringen zich als volgt. De lijn die de experts bij de schadevaststelling met instemming van haar hebben gevolgd is dat Wasserij de Blinde B.V. en de daarmee verbonden vennootschappen worden gezien als aparte entiteiten. In geval van een 'stand alone' benadering bedraagt de bedrijfsschade EUR 2.425.000,00 en dit is EUR 1.225.000,00 hoger dan de bedrijfsschade op basis van een concernbenadering. Volgens Achmea Schadeverzekering hanteert Wasserij de Blinde c.s. twee niet met elkaar te verenigen uitgangspunten door ten aanzien van de overdracht van de onroerende en roerende zaken uit te gaan van de concernbenadering en door ten aanzien van de bedrijfsschade uit te gaan van de 'stand alone' benadering. Volgens Achmea Schadeverzekeringen heeft zij een bedrag van EUR 1.225.000,00 teveel betaald in het geval de rechtbank van oordeel is dat de overgedragen zaken op basis van concernbenadering onder de dekking van de polissen zijn te brengen. In dat geval heeft zij recht op terugbetaling van dit bedrag, waartoe de voorwaardelijke vordering in reconventie is gesteld, dan wel op verrekening hiervan.

4.12.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Nu zij in rechtsoverweging 4.3 heeft beslist dat Phrontos B.V. bevoegd is om de schade aan de aan haar overgedragen en in eigendom toebehorende zaken van Achmea Schadeverzekering te vorderen en Wasserij de Blinde c.s. gesteld heeft dat zij in dat geval bereid is genoegen te nemen met een schadevergoeding van EUR 1.200.000,00, welke stelling de rechtbank aldus begrijpt dat Wasserij de Blinde c.s. haar vordering dienovereenkomstig vermindert, zal de rechtbank voornoemd bedrag aan bedrijfsschade toewijzen.

4.13.

De rechtbank komt tot de slotsom dat in totaal een bedrag van EUR 5.986.606,00 (EUR 2.050.472,00 wegens schade aan de opstallen, plus EUR 2.511.134,00 wegens schade aan de roerende zaken, plus EUR 225.000,00 wegens schade aan de overige roerende zaken, plus EUR 1.200.000,00 wegens bedrijfsschade), door Achmea Schadeverzekeringen aan Wasserij de Blinde c.s. dient te worden vergoed. Verrekend dient te worden het inmiddels door Achmea Schadeverzekeringen betaalde voorschot van EUR 3.045.160,00 (EUR 375.383,00 voorschot op de schade aan de roerende zaken, plus EUR 244.777,00 voorschot op de schade aan de overige roerende zaken, plus EUR 2.425.000,00 voorschot op de bedrijfsschade). In totaal dient een bedrag van EUR 2.941.446,00 (EUR 5.986.606,00 minus EUR 3.045.160,00) te worden toegewezen.

De wettelijke rente

4.14.

Met betrekking tot de wettelijke rente stelt Wasserij de Blinde c.s. zich op het volgende standpunt. In de van toepassing zijnde Bijzondere Voorwaarden is bepaald dat Achmea Schadeverzekeringen elke verschuldigde schadevergoeding zal voldoen binnen vier weken na ontvangst van alle noodzakelijke gegevens. Het moment van verzuim wordt derhalve gekoppeld aan het hebben van de beschikking over gegevens om de schade vast te stellen. Volgens Wasserij de Blinde c.s. beschikte Achmea Schadeverzekeringen binnen acht weken na de brand over voldoende gegevens om de omvang van de schade globaal vast te stellen. In ieder geval beschikte zij met het interim rapport van Crawford van 3 februari 2006 over voldoende gegevens om de omvang van de schade vast te stellen en grotendeels uit te keren. Aan dat moment dient dan ook de gehoudenheid tot vergoeding van wettelij ke rente te worden gekoppeld en niet aan de data van totstandkoming van schaderapporten.

4.15.

Achmea Schadeverzekeringen verweert zich tegen de door Wasserij de Blinde c.s. gevorderde wettel ij ke rente. In de door haar gehanteerde algemene voorwaarden staat vermeld dat zij niet eerder in verzuim is dan vanaf vier weken na ontvangst van alle noodzakelijke gegevens, waaronder ook de schaderapporten. Nu met betrekking tot de vaststelling van de roerende zaken tijdens de procedure nog arbitrage diende plaats te vinden (hetgeen in verband met de vaststeIl ing door beide deskundigen tijdens de procedure niet meer is geschied -toevoeging rechtbank) kan zij onmogelijk in verzuim zijn. Voorts . betwist Achmea Schadeverzekeringen dat zij op enigerlei wijze heeft bijgedragen aan het vertraagd tot stand komen van de verschillende schaderapporten. Nu Wasserij de Blinde

B.V. Achmea Schadeverzekeringen niet heeft gesommeerd tot nakoming is Achmea Schadeverzekeringen ook nu nog niet in verzuim, aldus nog steeds Achmea Schadeverzekeringen.

4.16.

De rechtbank is met Wasserij de Blinde c.s. van oordeel dat op grond van de polisvoorwaarden voor het intreden van verzuim geen ingebrekestelling is vereist, nu Achmea Schadeverzekeringen gehouden was de schadevergoeding binnen vier weken na ontvangst van alle noodzakelijke gegevens te voldoen. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van Achmea Schadeverzekeringen dat zij pas wettelijke rente verschuldigd is na ontvangst van alle schaderapporten. De rechtbank is namelijk van oordeel dat Achmea Schadeverzekeringen met het interim rapport van Crawford van 3 februari 2006 beschikte over de noodzakelijke gegevens ter vaststelling van de schade. Dat de schade pas definitief is vastgesteld na overleg tussen de deskundigen en na ontvangst van de definitieve schaderapporten doet hier niet aan af. De wettelijke rente is mitsdien vanaf 4 maart 2006 verschuldigd.

De buitengerechtelijke kosten

4.17.

Volgens Wasserij de Blinde c.s. hebben partijen getracht door middel van overleg tot een regeling te komen. De buitengerechtelijke kosten voor juridische bijstand bedragen volgens Wasserij de Blinde c.s. EUR 23.531,43. Zij vordert vergoeding van voormeld bedrag. Het gaat volgens haar om een omvangrijke schade en om een traject van tweeënhalf jaar voorafgaand aan de dagvaarding. De door Wasserij de Blinde c.s. opgegeven specificatie volstaat en het is gebruikelijk dat er meerdere mensen aan de zaak hebben gewerkt, aldus nog steeds Wasserij de Blinde c.s.

4.18.

Achmea Schadeverzekeringen voert verweer en stelt het volgende. De specificatie van de buitengerechtelijke kosten is niet te doorgronden. Zo ontbreekt het inzicht in het gehanteerde uurtarief, is het onduidelijk waarom zes mensen aan de zaak hebben moeten werken, heeft er correspondentie plaatsgevonden met advocaten wier rol niet is toegelicht en is er een aantal declaraties gesteld ten name van Floron Holding. Volgens Achmea Schadeverzekeringen dient de vordering te worden afgewezen.

4.19.

De rechtbank oordeelt als volgt. Weliswaar heeft Wasserij de Blinde c.s. gemotiveerd gesteld -aan de hand van een specificatie-dat kosten zijn gemaakt anders dan ter voorbereiding en instructie van de zaak, maar nu de hoogte van die kosten gemotiveerd door Achmea Schadeverzekeringen is weersproken en Wasserij de Blinde c.s. onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat meer kosten zijn gemaakt dan in het forfaitaire tarief ligt besloten, worden de kosten gematigd overeenkomstig de aanbevelingen van het rapport Voorwerk 11 tot een bedrag van EUR 6.422,00, namelijk tot twee punten van het van toepassing zijnde liquidatietarief, omdat de daarin gehanteerde tarieven in zijn algemeenheid redelijk worden geacht.

4.20.

Achmea Schadeverzekeringen zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Wasserij de Blinde c.s. worden begroot op:

-dagvaarding

EUR

71,80

-vast recht

4.784,00

-salaris advocaat

9.633,00 (3 punten x tarief EUR 3.211,00)

Totaal

EUR 14.488,80

in reconventie

4.21.

Nu de rechtbank in conventie de door Achmea Schadeverzekeringen betaalde voorschotten heeft verrekend met het door Achmea Schadeverzekeringen te betalen bedrag, dient de vordering in reconventie te worden afgewezen.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie en in voorwaardelijke reconventie

5.1.

veroordeelt Achmea Schadeverzekeringen om aan Wasserij de Blinde c.s. te betalen een bedrag van EUR 2.941.446,00 (tweemiljoennegenhonderdeenenveertigduizendvierhonderdzesenveertig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het toegewezen bedrag vanaf 4 maart 2006 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt Achmea Schadeverzekeringen om aan Wasserij de Blinde c.s. te betalen een bedrag van EUR 6.422,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het te dezen te wijzen vonnis,

5.3.

veroordeelt Achmea Schadeverzekeringen in de proceskosten, aan de zijde van Wasserij de Blinde c.s. tot op heden begroot op EUR 14.488,80,

5.4.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Werkema, mr. Th.G. Lautenbach en mr. M.R. Gans en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2010.

type: \A (j Scou: