Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2010:1532

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
21-06-2010
Datum publicatie
08-05-2017
Zaaknummer
AWB-08_1375
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omkering van de bewijslast op grond van artikel 52 AWR in samenhang gelezen met artikel 27e, aanhef, onderdeel b, en slot AWR.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

procedurenummers: AWB 08/1375 en 08/1377

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juni 2010 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[eiseres] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

gemachtigde [gemachtigde 1] ,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Groningen,

verweerder,

gemachtigde [gemachtigde 2] .

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 1997 een aanslag VPB opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van nihil.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 6 mei 2008 de aanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 16 juni 2008, op dezelfde dag per fax ontvangen bij de rechtbank, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 1999 een aanslag VPB opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 34.033 (f 75.000).

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 6 mei 2008 de aanslag, na verrekening van openstaande verliezen, verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar bedrag van nihil.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 16 juni 2008, op dezelfde dag per fax ontvangen bij de rechtbank, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Daar zijn, met toestemming van partijen, gelijktijdig behandeld de zaken: 08/1357 tot en met 08/1359; 08/1361 tot en met 08/1366; 08/1374 tot en met 08/1378; 08/1438 tot en met 08/1451; 09/2509 en 09/2510.

Partijen zijn daar vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Zij hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar.

Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

Motivering

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

1.1 Eiseres is op [dag, maand] 1980 opgericht en exploiteert een accountant-administratiekantoor aan de [adres] te [vestigingsplaats] .

1.2 De heer [gemachtigde 1] is economisch eigenaar/houder van de aandelen van eiseres.

1.3 [gemachtigde 1] exploiteert sinds 1992 in de vorm van een eenmanszaak een onderneming op het gebied van administratie- en accountantswerkzaamheden.

1.4 Eiseres' heeft over het jaar 1997 een aangifte VPB ingediend, welke op 8 september 1999 door verweerder ontvangen.

1.5 Het belastbaar bedrag voor het jaar 1997 bedraagt volgens eiseres' aangifte VPB negatief € 121.243 (f 267.183).

1.6 Verweerder heeft eiseres bij brief van 5 maart 2007 geïnformeerd over zijn voornemen een boekenonderzoek in te stellen op 21 maart 2007. Het doel van dat onderzoek is de aanvaardbaarheid vast te stellen van de aangiften vennootschaps-, inkomsten- en omzetbelasting van 1996 tot en met 2004. Verweerder verzoekt eiseres er voor te zorgen dat de hele administratie vanaf 1996 aanwezig zal zijn.

1.7 Bij brief van 17 maart 2007 reageert eiseres op de onder 1.6 vermelde aankondiging van het boekenonderzoek met het verzoek om uitstel, omdat zij graag eerst een uitspraak op het bezwaarschrift verliesverrekening 1990 op het jaar 1989 zou ontvangen.

1.8 Bij brief van 6 juni 2007 informeert verweerder eiseres met de mededeling dat het niet gelukt is om de administratie ter inzage te ontvangen ten einde het boekenonderzoek in te stellen. Verweerder wijst eiseres op de verplichtingen genoemd in artikel 52, eerste lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en stelt haar in de gelegenheid om binnen een redelijke termijn alsnog aan haar verplichtingen te voldoen. Verweerder informeert eiseres voorts dat het boekenonderzoek, met hetzelfde doel, staat gepland op 17 augustus 2007.

1.9 Eiseres reageert bij brief van 14 augustus 2007 op de onder 1.8 vermelde brief en sluit deze als volgt af:

"Kortom uw brief van 6 juni 2007 is niet volgens de afspraken door ons gemaakt, eerst het oude zeer , dan op de gemaakte afspraken verder... dan moet u niet schriftelijk formeel beginnen te doen, derhalve als u de voorgeschiedenis laat liggen hoeft u 17 augustus a.s. niet te komen.".

1.10 Bij brief van 5 september 2007 informeer verweerder eiseres als volgt:

"Hierbij mijn reactie op uw brief van 14 augustus 2007.

U stelt in deze brief, dat ik u bepaalde toezeggingen gedaan heb. Dit is niet juist, ik heb slechts aangegeven dat, nadat de administratie ter inzage was verstrekt, ik deze punten, indien mogelijk, in het onderzoek zou betrekken.

Voor de beoordeling van de aangiften en bezwaarschriften over de desbetreffende jaren is inzage van de administratie echter vereist.

Bij dezen wordt u nogmaals in de gelegenheid gesteld om de administratie van u zelf en de BV/lnc. over de jaren 1996 t/m 2004 ter inzage te verstrekken, hetzij bij u, hetzij op kantoor te Groningen.

Met nadruk wijs ik u erop, dat het niet ter inzage verstrekken van de administratie, tot omkering van bewijslast bij bezwaar c.q. beroep zou kunnen leiden.

Uw reactie zie ik uiterlijk 15 september 2007 tegemoet.".

1.11 Bij brief van 17 september 2007 reageert eiseres op de onder 1.10 vermelde brief en schrijft onder meer:

"U krijgt de eerste 2 jaren, alleen die moet ik nog bijeen vergaren. Zodra ik dit heb gedaan zal ik u volgende week bellen.".

1.12 Bij brief van 28 september 2007 schrijft eiseres:

"Door mij was toegezegd u deze week te bellen, dit is mij niet gelukt. Ik vraag u nog een weekje uitstel, komende week hoort u van mij.".

1.13 Bij brief van 5 oktober 2007 schrijft eiseres:

"Hierbij geef ik aan dat ik voor u 1996 en 1997 grotendeels klaar heb liggen. U kunt mij bellen voor een afspraak.".

1.14 Bij brief van 11 oktober 2007 informeert verweerder eiseres als volgt:

"Hierbij mijn reactie op uw fax van 5 oktober 2007.

Bij brief d.d. 5 september 2007 heb ik duidelijk aangegeven, dat ik de administratie van u zelf en de BV/inc. over de jaren 1996 t/m 2004 ter inzage wens te ontvangen.

Nu u aangeeft dat alleen de administratie over de jaren 1996 en 1997 grotendeels kaar ligt, zult u begrijpen dat dit voor mij niet voldoende is om het boekenonderzoek in te stellen.

Ik zal u derhalve ook niet bellen voor een afspraak.".

1.15 Op 15 februari 2008 heeft er ten kantore van verweerder een hoorgesprek plaatsgevonden, waarover in het, door eiseres niet weersproken, hoorverslag is vermeld:

"Dhr. [gemachtigde 1] heeft de jaarstukken tot en met 1997 af. Dhr. [belastingambtenaar 1] merkt op dat de balansen per 1-1-1996 wel moeten aansluiten op de eindbalans per 31-12-1995, zoals die door de controlerend ambtenaar dhr. [controlerend ambtenaar] zijn vastgesteld, en welke vatstellingen door het Hof zijn gevolgd. Volgens dhr. [gemachtigde 1] heeft hij veel dingen in de boekhouding weg laten vallen, in overleg met dhr. [controlerend ambtenaar] , en deze aanpassingen komen in de verlies en winstsfeer terug, ook uit het verleden, met name de pensioenpremies. Dhr. [belastingambtenaar 1] merkt nogmaals op dat als controle wordt ingesteld reservering wel mogelijk is, mits aansluiting wordt gezocht met de situatie na de onherroepelijke beslissingen van de rechter. Reactie van dhr [gemachtigde 1] : “Dan moet ik alles weer uitzoeken”. Partijen bereiken hierover geen overeenstemming. De discussie wordt door dhr. [belastingambtenaar 2] afgesloten omdat het geen zin heeft om terug te komen op aanslagen die reeds onherroepelijk vaststaan.".

1.16 Het gerechtshof Leeuwarden heeft op 3 maart 2006 uitspraak gedaan in het geding tussen eiseres en verweerder inzake de aanslag vennootschapsbelasting 1995. Verweerder is in het gelijk gesteld. Eiseres' beroep in cassatie is ongegrond verklaard.

1.17 Eiseres' aangegeven verlies voor het jaar 1996 is door verweerder gecorrigeerd en het belastbaar bedrag is nader vastgesteld op nihil. Eiseres heeft tegen deze aanslag geen bezwaar gemaakt.

1.18 Eiseres heeft over het jaar 1999 geen aangifte VPB ingediend.

1.19 Eiseres schrijft in haar bezwaarschrift:

"Hierbij maak ik bezwaar tegen de ambtshalve opgelegde Vpb 1999 aanslag.

Ik verzoek u deze achter de voorgaande te parkeren en de B.V. uitstel van betaling

te verlenen voor € 13.449,--".

1.20 Eiseres schrijft aan het slot van haar toelichting op het beroepschrift van 19

november 2008:

"Tevens is er dividendbelasting ingehouden (€ + 120)".

Geschil

2.1 In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder terecht de aanslagen VPB voor de jaren 1997 en 1999 heeft berekend naar een belastbaar bedrag van nihil, voor 1999 terecht een bedrag aan openstaande verliezen heeft verrekend en voor 1997 en 1999 terecht geen verlies heeft vastgesteld.

2.2 Eiseres beantwoordt deze vragen ontkennend en verweerder bevestigend.

2.3 Eiseres voert daartoe - kort gezegd - aan dat er geen aanleiding bestaat tot omkering van de bewijslast en dat verweerder de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden. Tenslotte voert eiseres met een beroep op de foutenleer aan dat de belastbare bedragen tot een lager (negatief) bedrag dienen te worden vastgesteld.

2.4 Verweerder voert ter onderbouwing van zijn standpunt - kort gezegd - aan dat terecht sprake is van omkering van de bewijslast en dat de belastbare bedragen niet tot een te hoog bedrag zijn vastgesteld.

2.5 Ter zitting zijn partijen bij wijze van compromis overeengekomen dat verweerder aan eiseres alsnog een bedrag van € 120 aan ingehouden dividendbelasting over het jaar 1999 zal terugbetalen c.q. zal verrekenen, zodat dit punt niet langer onderdeel zal uitmaken van het geschil.

2.6 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

Beoordeling van het geschil

Vooraf
3.1 Het belastbaar bedrag van 1997 jaren is vastgesteld op nihil en daarmee is ook de aanslag VPB vastgesteld op nihil. Het belastbaar bedrag van 1999 is, na verrekening van de openstaande verliezen, vastgesteld op nihil en daarmee is ook de aanslag VPB vastgesteld op nihil. De rechtbank is van oordeel dat het beroep inzake de aanslag VPB 1999 (en het daaraan voorafgegane bezwaar) mede dient te worden geacht te zijn gericht tegen de bij deze aanslag gegeven verliesverrekeningsbeschikking, waarbij verweerder de in de voorgaande jaren vastgestelde verliezen tot een bedrag van € 34.033 (f 75.000) heeft verrekend. Voorts is de rechtbank van oordeel dat naar volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 16 december 2005, nr. 41 587, BNB 2006/73, in onderhavige aanslagen ligt besloten de beschikking dat het verlies van 1997 en 1999 nihil bedraagt (hierna: de verliesvaststellingsbeschikking). De rechtbank vat eiseres' bezwaren tegen de aanslagen tevens op als een bezwaar tegen de in de aanslagen besloten liggende verliesvaststellingsbeschikkingen over de jaren 1997 en 1999. In aanmerking genomen dat verweerder op laatstbedoeld bezwaren niet afzonderlijk uitspraak heeft gedaan, is de rechtbank van oordeel dat in de bestreden uitspraken op bezwaar ook het bezwaar tegen de verliesvaststellingsbeschikking ongegrond is verklaard (vergelijk HR 16 december 2005, nr. 41 588, BNB 2006/74).

omtrent het eigenlijke geschil

1997

3.2 Administratieplichtig zijn onder andere lichamen. De administratie dient zodanig te zijn ingericht en te worden gevoerd en de gegevensdragers dienen zodanig te worden bewaard, dat controle daarvan door de inspecteur binnen een redelijke termijn mogelijk is. Daartoe verleent de administratieplichtige de benodigde medewerking (artikel 52 AWR).
De administratieplichtige die niet of niet volledig voldoet aan de vordering gegevensdragers voor raadpleging beschikbaar te stellen, wordt geacht niet volledig te hebben voldaan aan een bij artikel 52 van de AWR opgelegde verplichting, tenzij de administratieplichtige aannemelijk maakt dat de afwezigheid van de gegevensdragers of de inhoud daarvan het gevolg is van overmacht.
3.3 Niet in geschil is dat eiseres administratieplichtige is. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet voldaan heeft aan de op haar rustende administratieve verplichtingen. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres, mede gelet op de voorafgaande correspondentie vermeld onder 1.6 tot en met 1.12, eerst bij brief van 5 oktober 2007 aan verweerder meedeelt dat de benodigde stukken grotendeels klaar liggen en dat eiseres tijdens het hoorgesprek op 15 februari 2008 te kennen heeft gegeven dat de jaarstukken 1997 niet zijn aangepast aan de vaststaande (en in bezwaar en beroep bevestigde) voorafgaande jaren.

Ingevolge artikel 27e, aanhef, onderdeel b, en slot, van de AWR dient om deze reden het beroep ongegrond te worden verklaard tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is (de zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast).
3.4 Nu de sanctie van artikel 27e AWR dient te worden toegepast, is het aan eiseres om te doen blijken dat en in hoeverre de (bij de bestreden uitspraak gehandhaafde) correcties van verweerder onjuist zijn. De rechtbank is van oordeel dat eiseres met hetgeen zij heeft aangevoerd, daarin niet is geslaagd.

3.5 Voorts dient de rechtbank te toetsen of verweerder een redelijke schatting heeft gemaakt van het belastbare bedrag van eiseres. De rechtbank stelt daarbij voorop dat verweerder in gevallen als het onderhavige in het algemeen een zekere armslag heeft omdat hij niet kan beschikken over (betrouwbare) gegevens. De rechtbank is van oordeel dat verweerder daarin, gelet op de feiten en omstandigheden van het geding, is geslaagd.

3.6 De rechtbank gaat voorbij aan eiseres' stelling dat verweerder zich niet heeft gehouden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, nu deze stelling door eiseres niet nader is onderbouwd en onduidelijk is op welk(e) beginsel(en) van behoorlijk bestuur eiseres zich overigens beroept.
3.7 Voor zover eiseres een beroep doet op de foutenleer is de rechtbank van oordeel dat deze stelling geen hout snijdt, omdat eiseres niet inzichtelijk heeft gemaakt welke fouten het betreft.

3.8 Gelet op het vorenoverwogene zal de rechtbank het beroep in deze procedure ongegrond verklaren.

1999

3.9 Een ieder die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, is gehouden - binnen een door de inspecteur te stellen termijn (artikel 9, eerste lid, van de AWR) - aangifte te doen door de in de uitnodiging gevraagde gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud in te vullen, te ondertekenen en in te leveren (artikel 8, eerste lid, AWR).
3.10 Door eiseres wordt niet betwist dat zij het aan haar uitgereikte aangiftebiljet niet heeft ingediend. Nu vaststaat dat eiseres de aangifte nimmer heeft ingediend, heeft zij niet de vereiste aangifte gedaan.

3.11 Indien de vereiste aangifte niet is gedaan, verklaart de rechtbank het beroep ongegrond, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is, aldus artikel 27e van de AWR. Deze sanctie, de zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast, brengt mee dat eiseres overtuigend dient aan te tonen dat de in bezwaar gehandhaafde aanslag onjuist is.

3.12 Nu eiseres niet de vereiste aangifte heeft gedaan, is verweerder bevoegd het belastbare bedrag over 1999 te schatten. De aanslag mag niet naar willekeur worden opgelegd, maar dient te berusten op een redelijke schatting van het resultaat. Verweerder heeft het belastbaar bedrag voor verrekening van openstaande verliezen 1999 geschat op € 34.033 (f 75.000).

3.13 Met hetgeen eiseres heeft aangevoerd is zij naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd in de op haar rustende bewijslast zoals bedoeld onder punt 3.9.

3.14 De rechtbank gaat voorbij aan eiseres' stelling dat verweerder zich niet heeft gehouden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, nu deze stelling door eiseres niet nader is onderbouwd en onduidelijk is op welk(e) beginsel(en) van behoorlijk bestuur eiseres zich overigens beroept.
3.15 Voor zover eiseres een beroep doet op de foutenleer is de rechtbank van oordeel dat deze stelling geen hout snijdt, omdat eiseres niet inzichtelijk heeft gemaakt welke fouten het betreft.

3.16 Nu partijen ter zitting zijn overeengekomen (zie 2.5) dat verweerder alsnog een bedrag aan ingehouden dividendbelasting zal verrekenen zal het beroep (uitsluitend) om die reden gegrond worden verklaard.

Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een door eiseres gevraagde en door verweerder betwiste proceskostenveroordeling in de procedure met nummer 08/1377. De rechtbank overweegt daartoe dat gelet op de feiten vermeld onder 1.18 tot en met 1.20 eiseres zichzelf in de positie heeft gebracht waarin haar nog slechts het indienen van een beroepschrift restte. De kosten van een dergelijke procedure voor eiseres dienen voor haar rekening te blijven. Bij gebreke van een andersluidende afspraak is de gegrondverklaring van het beroep wegens het ter zitting bereikte compromis evenmin aanleiding voor een proceskostenveroordeling van verweerder.

Griffierecht

Eiseres heeft in de procedure met nummer 08/1377, welk beroep gegrond zal worden verklaard, geen griffierecht voldaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart:

-het beroep inzake de aanslag VPB 1997 ongegrond;

-het beroep inzake de aanslag VPB 1999 gegrond;

-vernietigt de uitspraak op bezwaar;

-vermindert het belastingbedrag met € 120 tot een door eiseres terug te ontvangen of een met haar te verrekenen bedrag van € 120 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Aldus gegeven door mr. J.W. Keuning, rechter, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Haanstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2010.

w.g. griffier

w.g. rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 -

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.