Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BL1642

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
10-09-2009
Datum publicatie
02-02-2010
Zaaknummer
AWB 08/1307
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vergrijpboete op grond van artikel 67f AWR wegens het niet betalen van loonbelasting/premieheffing vernietigd omdat de rechtbank van oordeel is dat eiser geen grove schuld kan worden verweten, nu de inspecteur geen aangifte heeft uitgereikt en eiser daardoor niet over een betalingskenmerk kon beschikken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2010/15.2.1
FutD 2010-0340
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

procedurenummer: AWB 08/1307

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 september 2009 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres,

gemachtigde [gemachtigde eiseres],

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Emmen,

verweerder,

gemachtigde [gemachtigde verweerder].

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 2004 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [nummer]) loonbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede bij beschikking een boete van € 1.396.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 april 2008 de boetebeschikking gehandhaafd. Eiseres heeft tegen deze beschikking bij brief van 6 juni 2008, ontvangen bij de rechtbank op 9 juni 2008, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2009 te Leeuwarden.

Namens eiseres is daar verschenen haar financieel manager, [financieel manager]. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde verweerder].

Motivering

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

1.1 Eiseres is opgericht op [datum] 2004 en heeft als doel het produceren, assembleren, ontwikkelen, ontwerpen, kopen en verkopen van computers.

1.2 Aan eiseres is door verweerder met dagtekening 25 juni 2004 een formulier "Opgaaf startende onderneming" gezonden. Eiseres heeft op dit formulier ingevuld dat zij vanaf 1 augustus 2004 van start is gegaan en vanaf die datum personeel in dienst heeft.

1.3 Eiseres heeft van verweerder een aangiftebiljet loonbelasting ontvangen over het vierde kwartaal 2004. Voor de maanden augustus en september 2004 is door verweerder geen aangiftebiljet uitgereikt.

1.4 Eiseres heeft verweerder bij brief van 25 februari 2005 verzocht om uitreiking van een aangiftebiljet loonbelasting over de maanden augustus en september 2004.

1.5 Ter zitting heeft [financieel manager] verklaard dat zij tevens tenminste twee keer telefonisch heeft verzocht om uitreiking van een aangiftebiljet over de maanden augustus en september 2004. Daarbij is haar meegedeeld dat deze biljetten alsnog zouden worden toegezonden. Dit is uiteindelijk niet gebeurd.

1.6 Eiseres heeft voor het jaar 2004 de verzamelloonstaat naar verweerder ingezonden. Daarin heeft zij ook de loon- en loonbelastingbedragen van de maanden augustus en september opgenomen.

1.7 Eiseres heeft de verschuldigde loonbelasting/premie volksverzekeringen over de maanden augustus en september 2004 in de jaarrekening 2004 als schuld op haar balans opgenomen.

1.8 Op 8 november 2007 is door verweerder bij eiseres een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften loonbelasting over de periode 1 augustus tot en met 31 december 2004. De controlerend ambtenaar heeft in zijn rapport met dagtekening 6 december 2007 verslag gedaan van zijn bevindingen. Bij onderdeel 3.1.1 van het verslag staat het volgende vermeld: “Bij het bespreken van de jaarrekening over 2004 is de per 31-12-2004 nog te betalen loonbelasting/premie volksverzekering ad € 13.959 niet opgemerkt en is geen suppletie ingediend.”

In het rapport is bij onderdeel 4.1 vermeld dat op grond van artikel 67f AWR en paragrafen 25 en 28 van het Besluit bestuurlijke boeten belastingdienst (hierna: BBBB) een vergrijpboete van 25% zal worden opgelegd.

1.9 Gemachtigde van eiseres heeft in zijn brief van 24 december 2007 op de bevindingen van het boekenonderzoek gereageerd. In deze brief stelt de gemachtigde onder andere het volgende: “Er is wel degelijk geconstateerd dat er te weinig loonbelasting/premie volksverzekeringen was afgedragen. Er is weliswaar geen suppletie ingediend, maar er is wel meermaals verzocht om uitreiking van een aangiftebiljet. “

1.10 Verweerder heeft eiseres met dagtekening 7 januari 2008 een mededeling ex artikel 67g van de AWR gezonden. Hierin staat het volgende: “Ik blijf van mening dat sprake is van grove schuld. Omdat echter ook de belastingdienst nalatig is geweest bij het (tijdig) verstrekken van aangiftebiljetten loonbelasting/premie volksverzekeringen, zal de boete door mij worden gematigd tot 10%.”

1.11 De naheffingsaanslag loonbelasting over 2004 ten bedrage van € 13.959 is opgelegd met dagtekening 15 februari 2008. Bij beschikking met dezelfde datum is een vergrijpboete van € 1.396 opgelegd.

1.12 Gemachtigde van eiseres heeft in zijn brief van 27 februari 2008 bezwaar gemaakt tegen de bij punt 1.11 vermelde boetebeschikking.

1.13 Door eiseres is verwezen naar de website van de Belastingdienst, waar bij het onderdeel Belastingdienst-Zakelijk-Aangifte en controle-Betalen ten aanzien van de wijze van betalen onder andere het volgende staat vermeld:

“Let op! Bij betaling op Postbanknummer 2445588 van de Belastingdienst vermeldt u altijd het betalingskenmerk. Zonder betalingskenmerk wordt de betaling niet verwerkt.”

1.14 Door verweerder is verwezen naar de website van de Belastingdienst, waar bij het onderdeel Belastingdienst-Zakelijk-Personeel en loon-Loonheffingen aangeven en afdragen ten aanzien van de wijze van betalen onder andere het volgende staat vermeld:

“Als u geen of een onjuist betalingskenmerk vermeldt, is het mogelijk dat wij uw betaling niet of niet op tijd kunnen verwerken. U kunt dan een naheffingsaanslag krijgen.”

Geschil

2.1 In geschil is het antwoord op de vraag of terecht een vergrijpboete is opgelegd op grond van artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) wegens het niet, gedeeltelijk niet, of niet tijdig betalen van loonbelasting/premie volksverzekeringen.

2.2 Eiseres beantwoordt deze vraag ontkennend. Primair is zij van mening dat geen sprake is van in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid, omdat de belastingdienst nalatig is geweest bij het tijdig verstrekken van aangiftebiljetten en het zonder aangiftebiljet, wegens het ontbreken van een betalingkenmerk, niet mogelijk was om de verschuldigde loonheffingen af te dragen. Subsidiair is eiseres van mening dat sprake is van afwezigheid van alle schuld ter zake van het niet (kunnen) betalen.

2.3 Verweerder beantwoordt de bij 2.1 opgenomen vraag bevestigend. Er is sprake van grove schuld, omdat eiseres op de hoogte was van het feit dat nog loonbelasting/premie volksverzekeringen moest worden afdragen over de maanden augustus en september 2004. Eiseres heeft onvoldoende actie ondernomen door telefonisch en schriftelijk te verzoeken om toezending van aangiftebiljetten over deze periode. Tussen het verzenden van de brief van 25 februari 2005 en het boekenonderzoek in november 2007 heeft eiseres, afgezien van het inzenden van de verzamelloonstaat, op geen enkele wijze actie ondernomen, terwijl zij wist dat en tevens hoeveel belasting nog moest worden afgedragen.

Verweerder wijst er tevens op dat uit het arrest van de Hoge Raad van 22 februari 1984, nr. 21.979, BNB 1984/233, volgt dat de verplichting tot het doen van aangifte en de verplichting tot betaling afzonderlijke verplichtingen zijn. Hieruit vloeit voort dat de omstandigheid dat geen aangiftebiljet is uitgereikt en daardoor de plicht tot het doen van aangifte niet is ontstaan, geen rechtvaardiging is voor het niet afdragen van belasting.

2.4 Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de boetebeschikking.

2.5 Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

2.6 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

Beoordeling van het geschil

3.1 Ingevolge artikel 67f van de AWR kan een vergrijpboete worden opgelegd indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige of inhoudingsplichtige is te wijten dat belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen, niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn is betaald. In de onderhavige kwestie betreft het een situatie waarin de af te dragen loonbelasting gedeeltelijk niet, namelijk voorzover betrekking hebbend op de maanden augustus en september 2004, is betaald.

3.2 De feiten zoals vermeld bij punt 1.2 tot en met 1.4, alsmede de bij punt 1.5 opgenomen verklaring, die de rechtbank geloofwaardig acht, voeren de rechtbank tot het oordeel dat eiseres voldoende stappen heeft ondernomen om verweerder tot het uitreiken van een aangiftebiljet te doen bewegen. Aangezien verweerder in de bij punt 1.10 vermelde brief heeft aangegeven bij het (tijdig) verstrekken van aangiftebiljetten loonbelasting/premie volksverzekeringen nalatig te zijn geweest, is verweerder blijkbaar eveneens die mening toegedaan.

3.3 Het niet uitreiken van een aangiftebiljet leidde er tevens toe dat eiseres niet over een betalingskenmerk beschikte. Aan de informatie op de website van de Belastingdienst zoals hiervoor vermeld bij punt 1.13, kon eiseres naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid de gevolgtrekking verbinden dat betaling zonder betalingskenmerk niet tot de mogelijkheden behoorde. De bij punt 1.14 vermelde informatie op dezelfde website waarnaar verweerder verwijst, doet aan dit oordeel niet af, nu daarin eveneens kan worden gelezen dat betalingen zonder betalingskenmerk mogelijk niet kunnen worden verwerkt. 3.4 Verweerder stelt in zijn beroepschrift terecht - zie punt 2.3 - dat de verplichting tot het doen van aangifte en de verplichting tot betaling twee afzonderlijke verplichtingen zijn. Verweerder verbindt hieraan de conclusie dat eiseres ook zonder aangifte te doen, de verschuldigde loonbelasting had kunnen betalen. De rechtbank deelt deze conclusie niet, nu uit overweging 3.3 volgt dat in het onderhavige geval een oorzakelijk verband bestond tussen het, door verweerder nalatig, niet uitreiken van een aangiftebiljet en het niet voldoen aan de betalingsverplichting.

3.5 Het bij punt 3.2 tot en met 3.5 overwogene, in onderlinge samenhang bezien, leidt de rechtbank tot het oordeel dat geen sprake is van grove schuld ter zake van het niet betalen van de af te dragen loonbelasting over de maanden augustus en september 2004. Nu het gedeeltelijk niet betalen van de verschuldigde loonbelasting zijn oorzaken vond in het, ondanks herhaalde verzoeken, niet uitreiken van een aangiftebiljet, het als gevolg daarvan ontbreken van een betalingskenmerk en de door de Belastingdienst gepubliceerde informatie over de (on)mogelijkheid van betalingen zonder betalingskenmerk, kan eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet een zodanig ernstig verwijt worden gemaakt dat bij haar grove schuld aanwezig was. Daarbij neemt de rechtbank mede in overweging dat uit de stukken van het geding niet aannemelijk is geworden dat eiseres verweerder bewust informatie over en/of betaling van de verschuldigde belasting heeft willen onthouden. De rechtbank wijst er in dit verband op dat eiseres verweerder, door middel van het inzenden van de verzamelloonstaat over 2004, op de hoogte heeft gesteld van de volledige loon- en loonbelastinggegevens over dat jaar en in haar jaarstukken over 2004 de loonbelastingschuld heeft vermeld.

3.6 Door verweerder is nog aangevoerd dat eiseres over 2004 een suppletieaangifte in had kunnen dienen. Dit standpunt kan verweerder echter niet baten. De Staatssecretaris van Financiën heeft in zijn brief van 15 augustus 2008, nr. DGB 2008-03325 U, namelijk meegedeeld dat het niet betalen van de verschuldigde belasting een verzuim of een vergrijp kan inhouden, maar dat het niet indienen van een suppletieformulier, of het niet doen van een andere betaling, op zichzelf geen overtreding is. Nu bij overweging 3.5 is vastgesteld dat in het onderhavige geval ter zake van het niet-betalen van de verschuldigde loonbelasting geen sprake is van een vergrijp, kan enkel het achterwege blijven van een suppletie voor verweerder geen grond vormen voor het opleggen van een (vergrijp)boete.

3.7 Gelet op het voorgaande is ten onrechte een vergrijpboete opgelegd en dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vastgesteld op € 322 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de boetebeschikking;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 322 en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiseres te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres betaalde griffierecht van € 288 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M. van den Bosch, rechter, in tegenwoordigheid van mr. K. van der Leij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 september 2009.

w.g. K. van der Leij

w.g. M. van den Bosch

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.