Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BL0955

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
29-10-2009
Datum publicatie
28-01-2010
Zaaknummer
AWB 08/1133
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHLEE:2010:BN0786, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of eiseres een bedrag in mindering op de winst kan brengen op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onderdeel i, Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010, 531 met annotatie van Post
FutD 2010-0263
V-N 2010/15.2.3

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

procedurenummer: AWB 08/1133

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 oktober 2009 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres,

gemachtigden [gemachtigden eiseres]

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Assen,

verweerder,

gemachtigden [gemachtigden verweerder].

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2004 een aanslag (aanslagnummer [nummer]) vennootschapsbelasting opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 1.581.117.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 10 april 2008 de aanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 20 mei 2008, ontvangen bij de rechtbank op 21 mei 2008, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna verweerder schriftelijk heeft gedupliceerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2009 te Leeuwarden.

Eiseres is daar bij haar gemachtigden verschenen. Namens verweerder zijn eveneens zijn gemachtigden verschenen.

Motivering

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

1.1 De stichting [stichting] (hierna: de stichting) is een woningcorporatie. Zij is een toegelaten instelling in de zin van artikel 70 van de Woningwet. Zij heeft als doel uitsluitend werkzaam te zijn op het gebied van de volkshuisvesting. Naar partijen ter zitting eenparig hebben verklaard houdt de stichting zich geheel of nagenoeg geheel (derhalve: voor 90% of meer) bezig met de verhuur van woningen in de “sociale sector” (hierna ook: sociale verhuur). De omzet van de stichting bedraagt in 2004 ongeveer € 47.000.000.

1.2 De stichting houdt alle aandelen in het kapitaal van [holding], welke vennootschap op haar beurt alle aandelen houdt in het kapitaal van eiseres. De stichting heeft haar voordien zelf geëxploiteerde commerciële activiteiten nagenoeg geheel (middellijk) in eiseres ingebracht.

1.3 Eiseres richt zich, blijkens haar statuten, op de ontwikkeling en realisatie van woningbouwprojecten, eventueel in combinatie met bedrijfs- c.q. winkelruimtes en maatschappelijk onroerend goed, het verwerven, vervreemden en exploiteren van registergoederen. Eiseres' nieuwbouwportefeuille omvat voor de jaren 2005 tot en met 2010 minimaal 1.800 woningen. De door eiseres ontwikkelde woningprojecten omvatten zowel sociale woningbouw als commerciële woningbouw. Daarnaast zal in de genoemde periode door eiseres ca. 15.000 m2 winkelruimte worden gerealiseerd.

1.4 Eiseres levert in de praktijk een belangrijke bijdrage aan het realiseren van de beleidsmatige doelstellingen van de stichting binnen het statutaire werkgebied van de stichting. Eiseres heeft in dat kader een vaste plaats in het nieuwbouwproces van de stichting. Eiseres en de stichting hebben dezelfde huisbankier, ten gevolge waarvan eiseres onder gunstiger voorwaarde dan zonder haar aandelenband met de stichting het geval zou zijn geweest financiering kan krijgen. Voorts levert de stichting eiseres grond ten behoeve van de projectontwikkeling van eiseres tegen kostprijs. Ook ziet eiseres bij het in rekening brengen van prijzen voor haar diensten aan de stichting structureel af van een winst- en kostenopslag van 4%.

1.5 Eiseres behaalde in het onderhavige jaar - voor toepassing van artikel 9, eerste lid, aanhef en onderdeel i, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) - een belastbare winst van € 1.581.117.

1.6 Op 29 december 2004 is tussen de stichting en eiseres een overeenkomst gesloten op grond waarvan de winst van eiseres, als "fondswerver", binnen zes maanden na afloop van het boekjaar zal uitkeren aan de stichting als "ontvanger", indien en voor zover de winst van eiseres dit toelaat, zulks onder de ontbindende voorwaarde dat bij eiseres artikel 9, eerste lid, aanhef en onderdeel i, Wet Vpb niet of niet langer van toepassing blijkt te zijn en/of dat ten aanzien van uit hoofde van de bedoelde overeenkomst door de stichting verkregen gelden schenkingsrecht verschuldigd is naar het tarief voor "andere verkrijgers"(41-68%). Op 10 juni 2005 heeft eiseres op basis van deze overeenkomst een bedrag van € 1.581.117 overgemaakt aan de stichting.

Geschil

2.1 Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of het hiervoor - onder 1.6 - bedoelde bedrag van € 1.581.117 op grond van het bepaalde in artikel 9, eerste lid, aanhef en onderdeel i, Wet Vpb in mindering op de winst van eiseres kan worden gebracht.

2.2 Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de belastingaanslag. Zij stelt daartoe primair dat zij voldoet aan alle in artikel 9, eerste lid, aanhef en onderdeel i, Wet Vpb gestelde voorwaarden. Subsidiair beroept zij zich op de beleidsregels neergelegd in het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 20 november 2002, nr. CPP2002/3050M. Meer subsidiair bepleit eiseres dat het hiervoor - onder 1.6 - bedoelde bedrag moet worden aangemerkt als een aftrekbare gift in de zin van artikel 16 Wet Vpb.

2.3 Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

2.4 Tussen partijen is, naar zij ter zitting eenparig hebben verklaard, niet in geschil dat onder "in Nederland gevestigde kerkelijke, levensbeschouwelijke, charitatieve, culturele, wetenschappelijke of het algemeen nut beogende instellingen", als bedoeld in artikel 16, eerste lid, Wet Vpb (tekst 1994), hetzelfde moet worden verstaan als onder "binnen het Rijk gevestigde kerkelijke, levensbeschouwelijke, charitatieve, culturele, wetenschappelijke of het algemeen nut beogende instelling(en)", als bedoeld in artikel 24, vierde lid, van de Successiewet 1956 (tekst 1994).

2.5 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

Beoordeling van het geschil

3.1 Artikel 9, eerste lid, aanhef en onderdeel i, Wet Vpb (tekst: 2004) luidt: "Bij het bepalen van de winst komen mede in aftrek: bij een lichaam welker werkzaamheid uitsluitend of nagenoeg uitsluitend is gericht op de behartiging van een algemeen maatschappelijk belang of waarvan de werkzaamheid uitsluitend of nagenoeg uitsluitend is gericht op de verkrijging van gelden die ingevolge de statuten van het lichaam of op grond van een schriftelijke overeenkomst zullen worden uitgekeerd aan een instelling als bedoeld in artikel 16, eerste of derde lid: de uitgaven ten bate van het algemeen maatschappelijk belang alsmede de uitkeringen aan die instelling, tenzij als gevolg van deze aftrek ernstige concurrentieverstoring zou optreden.".

3.2 Artikel 16, eerste lid, Wet Vpb (tekst: 2004) luidt: "Aftrekbare giften zijn de in het jaar gedane en met schriftelijke bescheiden gestaafde giften aan in Nederland gevestigde kerkelijke, levensbeschouwelijke, charitatieve, culturele, wetenschappelijke of het algemeen nut beogende instellingen, voor zover zij te zamen € 227 te boven gaan. De aftrek bedraagt ten hoogste 6 percent van de winst.".

3.3 Vaststaat dat eiseres op grond van een schriftelijke overeenkomst een bedrag van

€ 1.581.117 heeft uitgekeerd aan de stichting. De stichting is een toegelaten instelling in de zin van artikel 70 van de Woningwet. Eiseres heeft betoogd dat, nu tussen partijen vaststaat dat de stichting zich geheel of nagenoeg geheel bezig houdt met sociale verhuur, zij moet worden aangemerkt als een in Nederland gevestigde het algemeen nut beogende instelling, als bedoeld in artikel 16, eerste lid, Wet Vpb (tekst 1994). De rechtbank volgt eiseres daarin niet. Bij de beantwoording van de vraag wanneer sprake is van een (kort gezegd) het algemeen nut beogende instelling (hierna: ANBI) stelt de rechtbank voorop dat, naar zij afleid uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, een ANBI grotendeels (dat wil zeggen: voor meer dan 50 %) met haar activiteiten rechtstreeks het algemeen belang moet dienen. Nu vaststaat dat de stichting zich geheel of nagenoeg geheel bezig houdt met sociale verhuur, is de vraag die de rechtbank in het onderhavige geval moet beantwoorden of sociale verhuur in de bovenvermelde zin kan worden aangemerkt als zijnde de rechtstreekse behartiging van het algemeen belang. Hoewel met sociale verhuur onmiskenbaar een maatschappelijk belang wordt gediend, en sociale verhuur - gelet op de desbetreffende bepalingen gegeven bij of krachtens de Woningwet en gelet op de statuten en feitelijke werkzaamheden van de stichting - zelfs (vrijwel) het enige doel is van de stichting, neemt dat, naar het oordeel van de rechtbank, niet weg dat ook bij sociale verhuur van “rechtstreeks het algemeen belang dienen” in de vorenbedoelde zin geen sprake kan zijn als, zoals in casu het geval is, met iedere verhuurovereenkomst feitelijk primair het particuliere belang van de desbetreffende huurder wordt gediend. Nog daargelaten het antwoord op de vraag of, en zo ja, in hoeverre, de eventuele winstgevendheid van de activiteiten van de stichting in de sociale verhuur daaraan ook in de weg staan, kan de stichting reeds daarom niet als ANBI worden aangemerkt.

3.4 Reeds op grond van het hiervoor overwogene heeft eiseres niet voldaan aan alle voorwaarden gesteld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onderdeel i, Wet Vpb (tekst: 2004).

De overige voorwaarden behoeven dan ook geen bespreking meer.

3.5 In het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 20 november 2002, nr. CPP2002/3050M, is onder B.3. opgenomen: "Kan een BV ook gebruik maken van de aftrekbepaling van artikel 9, lid 1, onderdeel i?

Vraag

Kan een BV met commerciële activiteiten, die is opgericht door en ten behoeve van haar moedermaatschappij - een charitatieve instelling waarvoor de giftenaftrek geldt - en dividend ter beschikking stelt aan haar aandeelhoudster, gebruik maken van de regeling van artikel 9, eerste lid, onderdeel i?

Antwoord

Wanneer een charitatieve instelling haar commerciële activiteiten onderbrengt in een afzonderlijke rechtspersoon, bijvoorbeeld een BV, dan behartigt die BV niet zelf het algemeen belang. Er is een zelfstandige fondswervende rechtspersoon (ontstaan) met een eigen commercieel doel. De BV zal wel kunnen worden aangemerkt als een lichaam waarvan de werkzaamheid (nagenoeg) uitsluitend is gericht op de verkrijging van gelden die zullen worden uitgekeerd aan een instelling als bedoeld in artikel 16, eerste of derde lid (hierna artikel 16-instelling). Aftrek op grond van onderdeel i is mogelijk indien de (dividend)uitkering plaatsvindt overeenkomstig statuten (en/of oprichtingsakte) of op grond van een schriftelijke overeenkomst; dit onder het voorbehoud dat terzake van de aftrek geen ernstige concurrentieverstoring optreedt en binnen de beperkingen van artikel 9, vijfde lid.

Overigens zal in de situatie waarin de aandeelhoudster tevens als fondswerver voor een andere goed-doelinstelling optreedt, de uitkering niet opnieuw tot aftrek kunnen leiden. De deelneming zal namelijk tot het niet ondernemingsdeel van de artikel 16-instelling behoren.

In de statuten van de BV of de schriftelijke overeenkomst op grond waarvan de BV de uitkeringen doet, zal immers expliciet naar het (fondsen behoevende) algemeen belang van het ontvangende lichaam zijn verwezen.".

3.6 Naar het oordeel van de rechtbank, wordt met "een instelling als bedoeld in artikel 16, eerste of derde lid (hierna artikel 16-instelling)" in de zin van bovenbedoeld besluit aansluiting gezocht bij het begrip "in Nederland gevestigde kerkelijke, levensbeschouwelijke, charitatieve, culturele, wetenschappelijke of het algemeen nut beogende instellingen", als bedoeld in artikel 16, eerste lid, Wet Vpb (tekst 1994), waarvan, zoals hierboven - onder 3.3 - overwogen, naar het oordeel van de rechtbank, ten aanzien van de stichting geen sprake is. Eiseres' subsidiaire grief treft derhalve eveneens geen doel.

3.7 Gelet op het hiervoor - onder 3.6 - overwogene kan ook eiseres' meer subsidiaire grief niet door de rechtbank worden gehonoreerd.

3.8 Gelet op het vorenoverwogene is het gelijk aan de zijde van verweerder en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr.dr. P. van der Wal, mr. J.S. van der Kolk en mr. M. van den Bosch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Haanstra, griffier. De beslissing wordt in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2009.

w.g. H.J. Haanstra

w.g. P. van der Wal

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.