Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BK7609

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
23-12-2009
Datum publicatie
28-12-2009
Zaaknummer
AWB 08/422
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijstelling en bouwvergunning voor de nieuwbouw van een Van der Valk hotel te Sneek. Natuurwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 08/422

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 december 2009 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

de vereniging Vogelbeschermingswacht "Sneek en omstreken",

gevestigd te Sneek,

eiseres,

gemachtigde: mr. M.T. Hoen, advocaat te Assen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sneek,

verweerder,

gemachtigde: K. de Vries, werkzaam bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij besluiten van 30 oktober 2007 heeft verweerder een kapvergunning, een reguliere bouwvergunning en een vrijstelling verleend aan de gemeente Sneek, respectievelijk aan Van der Valk Hotel Sneek Beheer B.V. (hierna: Van der Valk) voor de kapwerkzaamheden, voor een ontsluitingsweg en voor de bouw van een hotel op het perceel Burgemeester Rasterhofflaan 1 te Sneek (hierna: het perceel).

Eiseres heeft tegen deze besluiten bezwaar ingesteld. Bij besluit van 29 februari 2008 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres op 4 maart 2008 beroep aangetekend. Bij brief van 29 april 2008 zijn de nadere gronden voor het beroep ingediend. Verweerder heeft op 16 juni 2008 een verweerschrift ingediend.

Op grond van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb is Van der Valk door de rechtbank in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt.

Op 22 januari 2009 heeft verweerder een nieuw besluit, gedateerd 22 januari 2009 in het geding gebracht, dat ziet op wijziging van de verleende bouwvergunning. Met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 29 februari 2008 mede gericht geacht tegen het besluit van 22 januari 2009.

Bij brief van 28 april 2009 heeft eiseres aanvullende gronden ingediend tegen het gewijzigde besluit.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 15 oktober 2009. Eiseres is ter zitting vertegenwoordigd door haar gemachtigde, bijgestaan door Y. van der Werf, bestuurslid van de Vogelbeschermingswacht. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Namens Van der Valk heeft L. Grit ter zitting het woord gevoerd.

Motivering

Feiten

1.1 Het bouwplan voorziet in de bouw van een hotel met 148 kamers, een restaurant, (conferentie)zalen en een bedrijfswoning op het perceel. Het plan voorziet verder in de inrichting van het bijbehorende terrein en de aanleg van een ontsluitingsweg. Het perceel ligt ten zuiden van het Burgemeester Rasterhoffpark in Sneek en ten noorden van de voormalige zandwinput. De ontsluitingsweg wordt vanaf het hotelperceel in noordelijke richting langs de buitenrand van het park aangelegd. De weg sluit aan op de nieuwe rotonde aan de parkzijde, die wordt gerealiseerd als onderdeel van het aangepaste wegtracé van de A7. Ten behoeve van de ontsluitingsweg en de parkeerplaatsen bij het hotel moeten bospercelen en bomen gerooid worden.

1.2 Het bouwplan is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied". Om de bouw van het hotel, de inrichting van het bijbehorende terrein en de aanleg van een ontsluitingsweg mogelijk te maken, heeft verweerder bij het besluit van 30 oktober 2007 krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling verleend. Bij besluiten van dezelfde datum heeft verweerder een bouwvergunning en een kapvergunning verleend.

1.3 Bedoelde besluiten zijn na bezwaar in stand gebleven, zij het dat aan de verleende bouwvergunning, gelet op het besluit van 22 januari 2009, aanvullende voorwaarden zijn gekoppeld.

Geschil

2.1 Eiseres heeft zich - kort samengevat - op het standpunt gesteld dat de natuurwaarden in de omgeving van het bouwplan ernstig worden geschaad. Zij heeft gewezen op de effecten van het bouwplan op (met name de vogels in) het nabijgelegen beschermd natuurgebied Witte en Zwarte Brekken, een Natura 2000-gebied. Tevens heeft zij gewezen op het belang van het Burgemeester Rasterhoffpark voor vleermuizen en heeft zij gesteld dat, gelet op de aanwezigheid van deze dieren in het plangebied, een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet vereist is. De ten behoeve van de besluitvorming opgestelde rapporten van Tauw en van Altenburg & Wymenga vertonen volgens eiseres dusdanige tekortkomingen dat verweerder ze niet aan zijn besluiten ten grondslag had mogen leggen. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar standpunt gewezen op reacties van Sovon Vogelonderzoek Nederland en van de Vogelbescherming Nederland en op een rapport van de Fryske Feriening foar Fjildbiologie.

2.2 Volgens verweerder heeft de besluitvorming op een uitgebreide en zorgvuldige wijze plaatsgevonden en is strijdigheid met de natuurwetgeving niet aan de orde.

Beoordeling

Procesbelang

3.1 De rechtbank zal in de eerste plaats beoordelen of eiseres nog belang heeft bij een beoordeling van haar beroep tegen de verleende kapvergunning. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. De beroepsgronden van eiseres zien op het tegengaan van de verstoring van in het gebied aanwezige vogels en vleermuizen. Vast staat dat het kappen van de bomen, waarvoor vergunning is verleend, inmiddels is voltooid. Daarom kan het door eiseres met haar beroep beoogde doel niet meer bereikt worden. Eiseres heeft dan ook geen (proces)belang meer bij een beoordeling van het beroep tegen de kapvergunning. Het beroep voor zover gericht tegen de na bezwaar gehandhaafde kapvergunning moet niet-ontvankelijk verklaard worden.

3.2 Vervolgens komt aan de orde de vraag of eiseres nog belang heeft bij een beoordeling van haar beroep tegen de verleende bouwvergunning en vrijstelling, nu gebleken is dat verweerder op 29 augustus 2008 een nieuwe bouwvergunning en vrijstelling heeft verleend voor het bouwen van een hotelcomplex, op basis waarvan thans wordt gebouwd. In de nieuwe situatie ziet de vergunning op de bouw van 100 kamers, in plaats van de eerder vergunde 148 kamers. Tegen de op 29 augustus 2008 verleende bouwvergunning en vrijstelling heeft eiseres geen beroep ingesteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres echter nog wel belang bij een beoordeling van de verleende bouwvergunning en vrijstelling ten behoeve van een hotel met 148 kamers. Eiseres heeft ter zitting toegelicht dat uit kostenoverwegingen geen beroep is ingesteld tegen het "kleine bouwplan", maar dat er nog wel belang is bij het beroep tegen het "grote bouwplan", nu niet is uitgesloten dat op basis van de daarvoor verleende vergunning in de toekomst nog zal worden bijgebouwd. De gemachtigde van Van der Valk heeft dit ter zitting desgevraagd bevestigd. De rechtbank is van oordeel dat eiseres gelet op het vorenstaande haar procesbelang voldoende heeft aangetoond.

Bouwvergunning en vrijstelling

4.1 Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden en is de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) ingetrokken. Op grond van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening blijft op aanvragen die zijn ingediend vóór 1 juli 2008 de WRO van toepassing. Aangezien de aanvraag om vrijstelling en bouwvergunning dateert van vóór 1 juli 2008, zijn in dit geval de bepalingen van de WRO van toepassing zoals deze destijds, vóór 1 juli 2008 luidde.

4.2 Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en gedeputeerde staten vooraf hebben verklaard dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. De gemeenteraad kan deze bevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

4.3 In de aan de vrijstelling ten grondslag gelegde ruimtelijke onderbouwing heeft verweerder de consequenties van de plannen voor natuurwaarden in het gebied in kaart gebracht, met verwijzing naar onder andere het rapport "Ecologische beoordeling van het inrichtingsplan van het stadspark van Sneek" van Altenburg & Wymenga uit 2003 en het rapport "Natuurtoets Van der Valk Hotel te Sneek" van Tauw BV van november 2005. Ten aanzien van de in het plangebied voorkomende beschermde vleermuizen heeft verweerder zich onder meer gebaseerd op het rapport "Vleermuizen in en rond het Rasterhoffpark te Sneek" van Altenburg & Wymenga uit november 2006.

4.4 Eiseres betoogt dat in de natuurtoets onvoldoende rekening wordt gehouden met de externe werking van het Natura 2000-gebied Witte en Zwarte Brekken en het Vogelrichtlijngebied Witte en Zwarte Brekken en Oudhof. Volgens eiseres is niet de afstand tot de Natura 2000-gebieden bepalend, maar de vraag of sprake is van significante gevolgen voor de beschermde waarden in het betreffende gebied. In dit geval is volgens eiseres niet uitgesloten dat die gevolgen er zijn en had om die reden een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet aangevraagd moeten worden.

4.5 Dit betoog slaag niet. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bepalingen van de Natuurbeschermingswet niet aan de uitvoerbaarheid van het project in de weg staan. In de natuurtoets van Tauw is beoordeeld of het project een negatieve invloed op het beschermde gebied de Witte en Zwarte Brekken zou kunnen hebben ('externe werking'). Geconcludeerd is dat negatieve effecten op de beschermde gebieden niet te verwachten zijn. In dit verband heeft Tauw gewezen op de afstand tussen de hotellocatie en het natuurgebied. Die bedraagt 450 meter. De afstand tot de open graslanden (foerageergebieden) bedraagt minimaal 300 meter. Tauw heeft voorts in aanmerking genomen dat de plannen niet leiden tot een toename van verstoring (recreanten) in het gebied Witte en Zwarte Brekken. Verder is aangegeven dat het plangebied deels van het vogelrijke grasland wordt afgeschermd door enkele bomenrijen op de perceelgrenzen. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank op basis van dit rapport en met inachtneming van de instandhoudingsdoelstelling voor het Natura 2000-gebied (behoud van waarden) kunnen concluderen dat niet aannemelijk is dat naar aanleiding van het project significante effecten te verwachten zijn. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt, bijvoorbeeld door middel van een tegenadvies van een deskundige, dat de uitgevoerde natuurtoets naar inhoud of wijze van totstandkoming onjuist is. Het standpunt van eiseres dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft laten doen naar met name de effecten van de plannen op de vogels in het Vogelrichtlijngebied volgt de rechtbank niet, omdat er geen aanknopingspunten zijn om een nader onderzoek noodzakelijk te achten. De reacties van

R. Kleefstra, van Sovon Vogelonderzoek Nederland en van G. Ottens van de Vogelbescherming Nederland, geven de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van Tauw. In de reactie van Kleefstra zijn slechts waarnemingen beschreven en is het grote belang van de Natura 2000-gebieden voor de vogels benadrukt. Het commentaar van G. Ottens op de uitgevoerde natuurtoets, acht de rechtbank voldoende weerlegd in het verweerschrift.

4.6 Eiseres heeft aangevoerd dat de Flora- en faunawet aan de realisering van het bouwplan in de weg staat vanwege de aanwezigheid van vleermuizen in het plangebied. Volgens eiseres heeft verweerder onvoldoende onderzoek verricht naar de negatieve effecten van het bouwplan op het leef- en foerageergebied van de vleermuizen. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de vraag of voor de uitvoering van het bouwplan ontheffingen nodig zijn op grond van de Flora- en faunawet, en zo ja, of deze ontheffingen kunnen worden verleend, aan de orde komt in een eventueel te voeren procedure op grond van de Flora- en faunawet. Dit doet er niet aan af dat verweerder geen vrijstelling voor het plan had mogen verlenen indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten onderkennen dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het bouwplan in de weg staat. Uit het door Altenburg & Wymenga uitgevoerde onderzoek van november 2006, dat aan de ruimtelijke onderbouwing ten grondslag is gelegd, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat deze situatie hier niet aan de orde is. Dit onderzoek geeft een duidelijk beeld van de in het Rasterhoffpark aanwezige vleermuizen en de effecten van het bouwplan op de voor hen belangrijke vliegroutes en foerageergebieden. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt voldoende dat met mitigerende maatregelen geen negatieve effecten zijn te verwachten. De rechtbank wijst er voorts op dat inmiddels door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op een concreet verzoek om handhaving ten aanzien van de vleermuizen in het Rasterhoffpark afwijzend is beslist. Tegen deze afwijzing heeft eiseres bezwaar gemaakt en beroep ingesteld. De rechtbank heeft heden beslist op het beroep en het ongegrond verklaard (zie de uitspraak met registratienummer 08/1683). Gelet op het vorenstaande moet geconcludeerd worden dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Flora- en faunawet niet aan uitvoering van het bouwplan en daarmee aan de verlening van de vrijstelling in de weg staat.

4.7 Concluderend is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid de gevraagde vrijstelling heeft kunnen verlenen. Derhalve is er geen sprake meer van strijd met het bestemmingsplan. Dat de bouwvergunning, zoals gewijzigd bij besluit van 22 januari 2009, zou moeten worden geweigerd op één van de overige gronden genoemd in artikel 44 van de Woningwet is gesteld noch gebleken.

4.8 Het beroep van eiseres moet gelet op het vorenstaande ongegrond verklaard worden. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen de na bezwaar gehandhaafde kapvergunning niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.H. de Groot, voorzitter, en door mrs. E.M. Visser en K.J. de Graaf, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.R.M. Poiesz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2009.

w.g. P.R.M. Poiesz

w.g. C.H. de Groot

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.