Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BK7548

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
16-12-2009
Datum publicatie
23-12-2009
Zaaknummer
91377 / HA ZA 08-721
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomst inzake koop/verkoop van aandelen in vennootschap. Aansprakelijkheid voor achterstallige pensioenpremies, toekomstige pensioenafdracht en voor loonvordering vanwege niet naleven van de van toepassing zijnde CAO. 2:249 BW. Opschorting betaling van achterstallige lening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 91377 / HA ZA 08-721

Vonnis van 16 december 2009

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PRIVATEER YACHTS B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FRISIAN YACHT BUILDERS B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[x] HOLDING B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

eiseressen in conventie,

gedaagden in reconventie,

advocaat mr. J.B. Dijkema, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Y] BEHEER B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

2. [Y],

wonende te [woonplaats],

3. [Z],

wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

advocaat mr. Y.K. van Dijk, kantoorhoudende te Heerenveen.

Partijen zullen hierna Privateer Yachts c.s. en [Y] c.s. worden genoemd dan wel aan de zijde van eiseressen in conventie afzonderlijk als Privateer Yachts, Frisian Yacht en [x] en aan de zijde van gedaagden in conventie afzonderlijk als [Y] Beheer, gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3 genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- conclusie van antwoord tevens eis in reconventie;

- conclusie van antwoord in reconventie;

- het proces-verbaal van comparitie van 15 juni 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [x] en [Y] Beheer hebben een overeenkomst met betrekking tot koop en verkoop van aandelen in de besloten vennootschap Privateer Yachts B.V., hierna ook te noemen: de vennootschap, gesloten op 19 december 2004. [Y] Beheer is verkoper; [x] is koper. Deze overeenkomst bevat, voorzover relevant, de volgende bepalingen:

“b. De koopprijs voor de Aandelen bedraagt € 200.000,--.

(…)

Artikel 2 – Levering, betaling

a. De levering van de aandelen zal plaatshebben op 31 januari 2005

(…)

c. Van de koopprijs wordt op de Leveringsdatum door Koper voldaan een bedrag groot € 100.000,--

(…)

b. Het na betaling van het in het voorgaande lid vermelde bedrag resterende gedeelte van de koopsom ten bedrage van € 100.000,-- zal door Koper schuldig worden gebleven aan Verkoper in de vorm van een aan alle crediteuren van Koper achtergestelde lening, tegen een enkelvoudige rente gelijk aan 5% per jaar, welke lening inclusief gekweekte renten (€ 110.000,--) voor het eerst opeisbaar zal zijn op de dag gelegen twee jaar na de Leveringsdatum. Vanaf die dag zal hoofdsom en gekweekte rente worden voldaan in 36 gelijke maandelijkse termijnen van € 3055,56, te vermeerderen met de lopende rente, die per kwartaal achteraf wordt voldaan.

(…)

Artikel 4 – Garanties

a. Verkoper garandeert aan Koper dat de in Bijlage B onder het opschrift “ Garanties” opgenomen verklaringen op de Leveringsdatum ten aanzien van de Vennootschap ieder afzonderlijk juist en volledig zijn.

(…)

Artikel 5- Inbreuken, tekortkomingen

a. Ingeval van een inbreuk op enige door Verkoper verstrekte garantie, als bedoeld in artikel 4 lid a (hierna: een “ Inbreuk”) of ingeval van een tekortkoming in de nakoming door Verkoper van enige andere verplichting uit hoofde van deze overeenkomst, zal Verkoper Koper schadeloos stellen met inachtneming van het bepaalde in dit artikel 5, een en ander onverlet overigens aan Koper toekomende wettelijke rechten.

b. De aan Verkoper toe te rekenen schade ten gevolge van een Inbreuk of tekortkoming in de nakoming van enige andere verplichting uit hoofde van deze overeenkomst (hierna: “ Schade”) wordt hierbij vastgesteld op het bedrag dat nodig is om Koper, of, naar keuze van Koper, de Vennootschap, in een positie te brengen die zou hebben bestaan indien geen sprake zou zijn geweest van de desbetreffende Inbreuk of tekortkoming.”

2.2. Aan voornoemde overeenkomst is een bijlage B gehecht waarin garanties en verklaringen zijn opgenomen. Voorzover van belang, staan hierin de volgende bepalingen:

“B.10. Directie, Commissarissen, Werknemers

(…)

d. Alle premies die door de Vennootschap verschuldigd zijn geworden in verband met verplichtingen ter zake van pensioenen en vut-regelingen, zijn steeds volledig voldaan. Alle premies die in verband met deze pensioenen en vut-regelingen door werknemers verschuldigd zijn geworden zijn steeds op het salaris van de betreffende werknemers ingehouden. De Vennootschap heeft op correcte wijze uitvoering gegeven aan alle pensioentoezeggingen. Er bestaan geen (latente) verplichtingen uit hoofde van pensioentoezeggingen, daaronder begrepen back-service-verplichtingen, voor een hoger bedrag dan voorzien in de Jaarrekening.”

2.3. De in artikel 2 van voornoemde overeenkomst overeengekomen koopprijs is gebaseerd op bedrijfseconomische gegevens, waaronder de jaarrekening van 2003.

2.4. Frisian Yachts – 100% dochter van Privateer Yachts – heeft op 13 april 2005 de contractuele positie van [x] in de overeenkomst van 19 december 2004 overgenomen. [Y] Beheer heeft hier bij voorbaat mee ingestemd.

2.5. Privateer Yachts enerzijds en [Y] Beheer en gedaagde sub 2 anderzijds hebben ter comparitie van 12 december 2005 ten overstaan van de rechter een vaststellingsovereenkomst gesloten. In deze overeenkomst is – voorzover relevant – het volgende bepaald:

“a. Inzake de kwestie van de achterstallige pensioenpremies die de werknemers van Privateer Yachts B.V. en Privateer Yachts B.V. verdeeld houdt, zal uiterlijk voor 15 januari 2006 een procedure bij de kantonrechter worden gestart.

b. Uiterlijk binnen 1 maand nadat het vonnis van de kantonrechter onherroepelijk is geworden, zal Privateer Yachts B.V., dan wel P.M. [x] Holding B.V. – indien gebleken is dat zij daadwerkelijk achterstallige pensioenpremies aan haar werknemers is verschuldigd – [Y] Beheer B.V. zonodig in rechte betrekken teneinde een oordeel te krijgen over de vraag of [Y] B.V. hiervoor aansprakelijk is. (…)

e. Indien in het geschil over de aansprakelijkheid van [Y] Beheer B.V. jegens P.M. [x] Holding B.V. een onherroepelijke einduitspraak is gedaan, dan wel partijen eerder hun geschil – al dan niet door middel van een vaststellingsovereenkomst – hebben beslecht, zal het depotbedrag (van EUR 75.000,--, toevoeging rechtbank) worden vrijgegeven, in die zin dat het bedrag toekomt aan [Y] Beheer B.V., indien vast komt te staan dat er geen claim van de werknemers jegens Privateer Yachts B.V. is waarvoor [Y] Beheer B.V. aansprakelijk is. Indien dat wel het geval is zal het depotbedrag tot de hoogte van de in rechte vastgestelde claim aan Privateer Yachts B.V. toekomen.

f. De over het depotbedrag gegenereerde rente zal ten goede komen aan degene die het depotbedrag uiteindelijk toekomt. Indien beide partijen een deel van het depotbedrag toekomt zal de rente naar rato onder hen verdeeld worden.”

2.6. Bij brief van 2 juni 2009, met als productie bijgevoegd een e-mailbericht van de heer [a] van Aegon d.d. 5 januari 2009, heeft mr. Y.K. van Dijk aan de rechtbank bericht dat de BFPF-claim gereduceerd dient te worden tot een bedrag van € 63.309,29.

3. Het geschil in conventie

3.1. Privateer Yachts c.s. vordert – samengevat –:

I. veroordeling van [Y] c.s. – hoofdelijk – tot betaling van EUR 89.443,90 althans zodanig bedrag als uiteindelijk door [Y] c.s. verschuldigd zal blijken te zijn aan het Bedrijfstakpensioenfonds, vermeerderd met kosten juridische bijstand ad EUR 22.559,39 en nadien gemaakte kosten, alsmede met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2005 althans vanaf de dagtekening van de facturen althans de dag der dagvaarding;

II. te verklaren voor recht dat Privateer Yachts c.s. aanspraak heeft op restitutie van elke door de rechter in de procedures tussen [Y] Beheer en de desbetreffende werknemers dan wel door het Bedrijfstakpensioenfonds vastgestelde pensioen- en salarislast per jaar hoger dan de omvang zoals gerapporteerd in de jaarrekeningen van de vennootschap over de jaren 2001, 2002 en 2003, gemiddeld berekend over die jaren, vermenigvuldigd met drie en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2005 althans de dag der dagvaarding;

kosten rechtens.

3.2. [Y] c.s. voert gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschil in reconventie

4.1. [Y] c.s. vordert – samengevat –:

I. veroordeling van Frisian Yacht tot betaling van EUR 100.000,--, te vermeerderen met een rente van 5% vanaf 31 januari 2007;

II. veroordeling van Privateer Yachts om binnen een week na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis de Stichting derdenrekening Advocaten, gevestigd aan de K.R. Poststraat 91 te Heerenveen, schriftelijk mee te delen dat deze stichting onverwijld overgaat tot betaling aan [Y] Beheer B.V. van EUR 75.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag dat genoemd bedrag op rekeningnummer 29.62.63.982 is bijgeschreven, zulks op straffe van een dwangsom van EUR 1.000,-- per dag dat Privateer Yachts daar geheel of gedeeltelijk mee in gebreke blijven na betekening van het in dezen te wijzen vonnis dan wel te bepalen dat het in deze te wijzen vonnis in de plaats treedt van de medewerking van Privateer Yachts aan volledige uitkering van het depotbedrag van EUR 75.000,-- aan [Y] Beheer;

III. Frisian Yachts te verbieden tot overdracht van de overeenkomst over te gaan, zulks op straffe van een dwangsom van EUR 1.000,-- per dag dat zij daar geheel of gedeeltelijk mee in gebreke blijft na betekening van het in deze te wijzen vonnis,

een en ander met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van Privateer Yachts c.s. in de kosten van het geding.

4.2. Privateer Yachts c.s. voert gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling

in conventie

5.1. Privateer Yachts c.s. stelt zich op het standpunt dat [Y] c.s. de bij de overeenkomst gegeven garanties (zoals weergegeven onder rechtsoverwegingen 2.1 en 2.2) niet is nagekomen. In dat kader maakt zij [Y] c.s. de volgende verwijten: 1. de jaarrekening gaf geen getrouw beeld van de vermogenspositie van de vennootschap; 2. de bedrijfsvoering is op diverse onderdelen onjuist geweest en 3. er was sprake van ontevreden klanten in verband met de jachten van de vennootschap. Privateer Yachts c.s. stelt dat zij onderzoek heeft gedaan naar de (vermogens)toestand van de vennootschap, dat er voorts sprake was van garanties en dat zij aan de juistheid daarvan niet behoefde te twijfelen. Privateer Yachts c.s. stelt ter onderbouwing van het eerste verwijt dat de vennootschap zich niet aan de CAO heeft gehouden waardoor een loonvordering door werknemers van de vennootschap is ingesteld en de vennootschap ten onrechte geen pensioenpremies heeft afgedragen. Bij vonnis van de kantonrechter d.d. 4 oktober 2006 is bepaald dat de vennootschap aan het bedrijfstakpensioenfonds een bedrag van EUR 89.443,90 verschuldigd was. De loonkostensom is 15% te laag in de jaarrekening opgenomen en is derhalve niet juist verantwoord, aldus Privateer Yachts c.s. De jaarrekening geeft daarmee een onjuist beeld van de vermogenspositie van de vennootschap: de af te dragen pensioenpremies alsmede het mogelijk te weinig betaalde salaris hadden volgens Privateer Yachts c.s. ten laste van de vennootschap moeten komen. De schade moet in de visie van Privateer Yachts c.s. opgemaakt worden aan de hand van het positief contractsbelang, hetgeen inhoudt dat de crediteur door de schadevergoeding in de positie moet worden gebracht alsof het contract behoorlijk was nagekomen. In dit verband wijst Privateer Yachts c.s. op artikel 5 lid b van de overeenkomst waarin dit met zoveel woorden is bepaald. Dit houdt in dat 1) het eigen vermogen van de vennootschap het gegarandeerde niveau bereikt en 2) Privateer Yachts c.s. teveel heeft betaald voor het goodwillcomponent nu gebleken is dat er (op grond van de CAO) hogere pensioenpremies en salarissen betaald moeten worden. Het goodwillcomponent was gebaseerd op drie keer de gemiddelde jaarwinst over 2001, 2002 en 2003 en bedroeg EUR 150.000,--. Privateer Yachts c.s. voert aan dat artikel 5 lid b van de overeenkomst een derdenbeding betreft (in de zin van artikel 6:253 BW), dat mede ten behoeve van de vennootschap is geschreven en dat de vennootschap heeft aanvaard. De overeenkomst schept daarmee ook voor de vennootschap (een derde) het recht een prestatie te vorderen van [Y] Beheer. Gedaagden sub 2 en 3 zijn als bestuurders aansprakelijk op de voet van artikel 2:249 BW omdat zij een misleidende voorstelling van zaken hebben gegeven over de vermogenstoestand van de vennootschap, zo stelt Privateer Yachts c.s.

5.2. Wat betreft het geschilpunt of [Y] Beheer aansprakelijk is voor betaling van de achterstallige pensioenpremies overweegt de rechtbank als volgt. De kantonrechter heeft bij vonnis van 4 oktober 2006 geoordeeld dat niet is gebleken dat de vennootschap niet gebonden is aan de Hiswa-CAO. Dit vonnis is, naar de rechtbank begrijpt, inmiddels in kracht van gewijsde gegaan. Vast staat derhalve dat de vennootschap gebonden is aan de CAO van de Hiswa en daarmee verplicht was overeenkomstig die CAO pensioenpremies af te dragen. De rechtbank is van oordeel dat Privateer Yachts c.s. terecht heeft aangevoerd dat [Y] aansprakelijk is voor de schade die de vennootschap hierdoor heeft geleden. Immers, Privateer Yachts c.s. (althans [x]) heeft de (aandelen in de) vennootschap gekocht en mocht er daarbij vanuit gaan dat de pensioenpremies waren afgedragen. Bij schriftelijke overeenkomst, die door beide partijen is ondertekend en elke pagina, ook die waarin de garantie B.10. sub d is opgenomen, hebben geparafeerd, is immers gegarandeerd dat alle door de vennootschap verschuldigde premies terzake van de pensioen- en vut-regelingen steeds volledig zijn voldaan. Gelet op deze garanties, kan het verweer van [Y] c.s., dat [x] uitdrukkelijk heeft meegedeeld dat zij van mening was dat de CAO niet van toepassing was en dat de werknemers dat ook wisten, haar niet baten. Het had naar het oordeel van de rechtbank op de weg van [Y] c.s. gelegen in dat geval hierover een voorbehoud te maken bij de overeengekomen garantieverplichtingen. Nu zij dat niet heeft gedaan, dient de tekortkoming voor haar risico te blijven (artikel 6:75 BW). Mutatis mutandis geldt dit voor het verweer dat Privateer Yachts c.s. zelf onderzoek had moeten doen naar de toepasselijkheid van de CAO. Uit de correspondentie van mr. Y.K. van Dijk en de brief van Delta Lloyd blijkt dat de pensioenclaim, ook wel hierna te noemen, de BPF-claim niet EUR 87.386,73 bedraagt maar EUR 63.309,29. De rechtbank zal - gelet op het vorenstaande - [Y] Beheer veroordelen dit laatstgenoemde bedrag aan Privateer Yachts te betalen. De gevorderde wettelijke rente over dit bedrag is niet toewijsbaar nu partijen hierover reeds in de vaststellingsovereenkomst – waaraan partijen ingevolge artikel 7:900 BW zijn gebonden – hebben afgesproken dat de over het depotbedrag gegenereerde rente ten goede zal komen aan degene die het depotbedrag toekomt. Nu aansprakelijkheid van [Y] Beheer bij dit vonnis zal komen vast te staan en het bedrag van EUR 75.000,-- dat in depot is gestort diende om de in rechte vastgestelde claim van Privateer Yachts te betalen, zal – conform afspraak – de rente op grond van deze vaststellingsovereenkomst naar rato van het toegewezen bedrag moeten worden verdeeld. De gevorderde wettelijke rente vanaf 9 juni 2005 bouwt hierop voort en deelt het lot daarvan. Met betrekking tot de gevorderde kosten juridische bijstand ad EUR 22.559,39 heeft Privateer Yachts c.s. aangevoerd dat zij advocaatkosten heeft moeten maken in de gerechtelijke procedure inzake de loonvorderingen. Met [Y] c.s. is de rechtbank van oordeel dat Privateer Yachts c.s. heeft nagelaten haar vordering op dit punt te specificeren zodat de vordering als onvoldoende onderbouwd zal worden afgewezen.

5.3. Met betrekking tot de aansprakelijkheid van gedaagden sub 2 en 3 die naar de rechtbank begrijpt gebaseerd is op artikel 2:249 BW overweegt de rechtbank als volgt. Uit de vaststellingsovereenkomst blijkt dat het Privateer Yachts vrij stond een procedure te entameren jegens [Y] Beheer omtrent diens aansprakelijkheid inzake de pensioenclaim. Privateer Yachts is aan deze vaststellingsovereenkomst gebonden en kan daar thans niet (eenzijdig) van afwijken door ook een procedure – op een andere rechtsgrond – te beginnen tegen gedaagden sub 2 en 3. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de vordering inzake de pensioenclaim jegens gedaagden sub 2 en 3 afgewezen dient te worden.

5.4. In het verlengde van de gevorderde veroordeling tot betaling van de BPF-claim (pensioenvordering) heeft Privateer Yachts c.s. onder sub II gevorderd een verklaring voor recht dat [Y] c.s. ook voor de toekomstige pensioenafdracht aansprakelijk is. De rechtbank acht dit op dezelfde grond als onder rechtsoverweging 5.2. uiteen is gezet toewijsbaar nu Privateer Yachts onbetwist heeft gesteld dat zij de hogere pensioenlasten ook voor de toekomst zal moeten dragen. Het verweer van [Y] c.s. dat afwezigheid van overwinst verschillende oorzaken kan hebben faalt omdat ook indien juist, dit onverlet laat dat Privateer Yachts bij het sluiten van de koopovereenkomst ervan uit ging en ook, gelet op de garantiebepalingen, vanuit mocht gaan dat er een bepaald bedrag aan pensioenpremies betaald moest worden terwijl nu achteraf moet worden vastgesteld dat deze bedragen niet juist waren omdat op grond van de CAO hogere pensioenpremies verschuldigd waren. Verder heeft [Y] c.s. haar verweer dat er geen schade gevorderd kan worden voor de periode na de leveringsdatum niet onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat. De gevorderde wettelijke rente vanaf 9 juni 2005 zal worden afgewezen nu de wettelijke rente eerst verschuldigd is in geval van niet-nakoming van een verbintenis tot betaling van een geldsom. Nu de (hoogte van) geldsom terzake van de (toekomstige) pensioenlasten nog niet vast staat, kan niet worden gesteld dat [Y] Beheer reeds nu in verzuim is, laat staan reeds in 2005 in verzuim was met de voldoening van de betaling op grond van toekomstige pensioenlasten.

5.5. Partijen debatteren partijen verder over de vraag of [Y] c.s. aansprakelijk is voor de loonvordering die werknemers van de vennootschap hebben ingesteld naar aanleiding van het niet toepassen van de CAO. Privateer Yachts vordert een verklaring voor recht dat [Y] c.s. aansprakelijk is voor deze extra salarislasten, ook voor de toekomst. De rechtbank overweegt dat bij vonnis van de kantonrechter van 24 september 2008 de vordering van de werknemers is afgewezen. Tegen dit vonnis hebben drie werknemers appel ingesteld en met één werknemer is inmiddels een schikking bereikt. Nog daargelaten dat geenszins vast staat dat Privateer Yachts een vordering terzake op [Y] c.s. heeft, valt de loonvordering – die gebaseerd is op het feit dat de Hiswa-CAO ten onrechte niet van toepassing is verklaard op de rechtsverhouding tussen de vennootschap als werkgever en de werknemers – naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer onder de garantiebepalingen nu over de toepasselijkheid van de CAO in de overeenkomst niets is bepaald en over de salarissen niets is gegarandeerd. Privateer Yachts heeft ook niets gesteld waaruit dat dan wel zou blijken. Anders dan waar Privateer Yachts kennelijk vanuit gaat kan, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, de pensioenclaim niet één op één worden doorgetrokken naar een claim inzake een mogelijk extra salarislast.

5.6. De gevorderde verklaring van recht inzake de aansprakelijkheid van gedaagden sub 2 en sub 3 op de grond van artikel 2:249 BW (misleiding door bestuurders) inzake de extra salarislasten is naar het oordeel van de rechtbank niet toewijsbaar. Artikel 2:249 BW vereist dat de aangesproken bestuurder verwijtbaar heeft gehandeld. Daarop stuit de vordering naar het oordeel van de rechtbank reeds op af nu als onweersproken vast staat dat de bestuurders (gedaagden sub 2 en sub 3) er zelf altijd vanuit zijn gegaan dat de Hiswa-CAO niet van toepassing was en dat zij dat ook aan hun werknemers hebben meegedeeld.

5.7. Ten slotte zijn partijen het er niet over eens of er – naast de pensioenproblematiek – nog sprake is van andere garantieschendingen, waaronder de loonvorderingen van de werknemers. Privateer Yachts heeft aangevoerd dat de vaststellingsovereenkomst enkel ziet op de pensioenproblematiek en niet op de loonvordering dan wel op andere garantieschendingen. Zij stelt dat er met de vaststellingsovereenkomst geen afstand is gedaan van de laatste twee discussiepunten en haar rechten terzake heeft voorbehouden. [Y] c.s. heeft daartegenover gesteld dat de rechter ten wiens overstaan de vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen heeft aangegeven dat het onaannemelijk is dat er – naast de garantieschending met betrekking de pensioenen – nog overige garantieschendingen zijn en dat tegen die achtergrond de vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen. De rechtbank begrijpt het verweer van [Y] c.s. aldus dat reeds vanwege het feit dat de vaststellingsovereenkomst een einde heeft gemaakt aan deze drie discussiepunten de gevorderde verklaring voor recht, zoals geformuleerd onder II, moet worden afgewezen.

5.8. De rechtbank stelt voorop dat voor de uitleg van de vaststellingsovereenkomst het Haviltex-criterium van toepassing is, hetgeen inhoudt dat het voor de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, waarbij van belang kan zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht (vgl. HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635). De gedachte die hieraan ten grondslag ligt is dat de uitleg van een schriftelijk contract niet dient plaats te vinden op grond van alleen maar de taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin het is gesteld. In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die deze bewoordingen, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift vaak wel van groot belang. De rechtbank kan uit de bewoordingen van de vaststellingsovereenkomst niet afleiden of in de procedure die heeft geleid tot deze overeenkomst de overige door Privateer Yachts vermeende garantieschendingen onderwerpen van geschil waren terzake waarvan partijen elkaar finale kwijting hebben verleend. Uit de tekst blijkt ondubbelzinnig dat de vaststellingsovereenkomst enkel ziet op achterstallige pensioenpremies. Aan een taalkundige uitleg komt in het onderhavige geval naar het oordel van de rechtbank in beginsel veel betekenis toe omdat het gaat om een overeenkomst als bedoeld in artikel 7:900 lid 1 BW – een vaststellingsovereenkomst – die is aangegaan tussen twee gelijkwaardig te achten professionele partijen, die zijn bijgestaan door deskundige raadslieden. Bovendien is de overeenkomst gesloten ten overstaan van de rechter, eveneens in bijzijn van de advocaten. [Y] c.s. heeft, tegen deze achtergrond beschouwd, onvoldoende gesteld dat aan die bewoordingen een afwijkende betekenis toekomt dan wel dat partijen bij het aangaan van de vaststellingsovereenkomst een andere bedoeling hadden, te weten dat Privateer Yachts met het sluiten van de vaststellingsovereenkomst afstand heeft gedaan van het recht om andere rechtsvorderingen in te stellen op dezelfde dan wel andere gronden. De rechtbank passeert derhalve het verweer van [Y] c.s. dat de vaststellingsovereenkomst ook betrekking heeft op het geschil inzake de loonvorderingen en overige garantieschendingen.

5.9. De rechtbank zal de door Privateer Yachts c.s. gevorderde verklaring voor recht voor het goodwillcomponent afwijzen. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat Privateer Yachts c.s. teveel goodwill heeft betaald als zij voor de grondslag die zij daarvoor aanvoert reeds gecompenseerd is middels schadevergoeding wegens niet deugdelijke nakoming van de koopovereenkomst. Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat Privateer Yachts c.s. haar stelling dat er sprake is van overige garantieschendingen onvoldoende heeft onderbouwd. Ook heeft Privateer Yachts c.s. niet duidelijk gemaakt welk rechtsgevolg zij aan deze vermeende schending verbindt. Ze heeft immers onder I betaling gevorderd inzake de pensioenclaim en onder II een verklaring voor recht voor aansprakelijkheid met betrekking tot de (toekomstige) hogere pensioen- en salarislasten.

5.10. [Y] Beheer zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. Deze kosten worden als volgt vastgesteld:

- exploot EUR 71,80

- griffierechten EUR 2.465,--

- kosten advocaat EUR 2.235,-- (2,5 punt x EUR 894,--)

Totaal: EUR 4.771,80.

in reconventie

5.11 Allereerst is aan de orde de vordering van [Y] c.s. tot betaling van een bedrag van EUR 100.000,-- plus rente vanaf 31 januari 2007. [Y] c.s. legt aan haar vordering ten grondslag dat Privateer Yachts c.s. tot op heden heeft nagelaten haar verplichting uit de overeenkomst – artikel 2 sub d – van 19 december 2004 na te komen. Het betreft hier de achtergestelde lening die inclusief gekweekte rente EUR 110.000,-- bedraagt en die twee jaar na de levering van de aandelen opeisbaar is, derhalve op 31 januari 2007. Vanaf die dag had terugbetaling moeten plaatsvinden in 36 maandelijkse termijnen waarbij de rente per kwartaal achteraf wordt voldaan. [Y] c.s. stelt dat Privateer Yachts c.s. zich ten onrechte heeft beroepen op een opschortingsrecht omdat bij vaststellingsovereenkomst van 12 december 2005 de rechtsstrijd beëindigd is en terzake van de loonvordering van de werknemers geldt dat deze bij vonnis van 4 oktober 2006 is afgewezen. Nu de geldlening en de terugbetaling daarvan vast staat en niet is betwist dat Privateer Yachts tot op heden niet aan haar verplichting uit hoofde van deze geldlening heeft voldaan, is de kern van het geschil de vraag of Privateer Yachts bevoegd was haar betalingsverplichting op te schorten waardoor zij niet in verzuim is komen te verkeren en de lening ook niet ineens opeisbaar is geworden. De rechtbank stelt voorop dat opschorting een verweermiddel oplevert die leidt tot uitstel van nakoming en niet tot bevrijding. Nakoming kan, met uitzondering van de gevallen genoemd in artikel 6:80 BW, eerst gevorderd worden als de vordering opeisbaar is. Dat is eerst het geval indien vast komt te staan dat [Y] c.s. ook verplicht was de pensioenpremies en de extra salarislasten te betalen en de vordering inzake de overige vermeende garantieschendingen (die in deze procedure niet aan de orde is) toewijsbaar is, de grond waarop Privateer Yachts heeft opgeschort. De vaststellingsovereenkomst kan hier niet toe dienen nu zij juist daarin hebben afgesproken dat er een bodemprocedure zou worden gestart om te bezien of [Y] c.s. voor de pensioenclaim aansprakelijk was. Nu het geschil van partijen over deze kwestie eerst in deze procedure is beslecht en aansprakelijkheid van [Y] c.s. is komen vast te staan met veroordeling van haar tot betaling van de pensioenpremies, inclusief de toekomstige, kan niet worden gesteld dat [Y] c.s. in een eerder stadium een opeisbare verbintenis niet is nagekomen. Dit leidt tot de conclusie dat Privateer Yachts niet gerechtigd was de betaling van de achterstallige lening ad EUR 100.000,-- op te schorten. De conclusie luidt dat ook dat de vordering van [Y] c.s. op dit punt moet worden toegewezen.

5.12. Voorts is in reconventie in geschil of het depotbedrag aan [Y] c.s. dient te worden uitgekeerd. Hiervoor zij verwezen naar hetgeen onder conventie reeds is beslist en behoeft geen nadere bespreking.

5.13 Ten slotte speelt in reconventie het geschil of Frisian Yacht (eiseres sub 2) verboden moet worden haar overeenkomst over te dragen, op verbeurte van een dwangsom. Privateer Yachts heeft hiertegen aangevoerd dat zij niet tot een nieuwe overname zullen overgaan en dat de overname door Frisian Yachts al voorzien was bij de verkoop door [Y] Beheer. [Y] c.s. heeft dit naar het oordeel van de rechtbank niet althans onvoldoende betwist. De rechtbank is dan ook van oordeel dat deze vordering, bij gebrek aan belang, moet worden afgewezen.

5.14. Privateer Yachts zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure in reconventie. Deze kosten worden begroot op EUR 2.131,50 (1,5 punt x EUR 1.421,--).

6. De beslissing

De rechtbank

in conventie

veroordeelt [Y] Beheer tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Privateer Yachts te betalen een bedrag van EUR 63.309,29 alsmede tot betaling van de rente overeenkomstig hetgeen partijen zijn overeengekomen in de vaststellingsovereenkomst van 12 december 2005;

veroordeelt [Y] in de proceskosten in conventie, tot op heden bepaald op EUR 4.771,80;

verklaart voor recht dat Privateer Yachts aanspraak heeft op betaling van elke door de rechter in de procedures tussen [Y] Beheer en het Bedrijfstakpensioenfonds vastgestelde pensioenlast per jaar hoger dan de omvang, zoals gerapporteerd in de jaarrekeningen van de vennootschap over de jaren 2001, 2002 en 2003, gemiddeld over die jaren, vermenigvuldigd met drie;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

veroordeelt Privateer Yachts tot betaling van EUR 100.000,--, te vermeerderen met een rente van 5% vanaf 31 januari 2007 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Privateer Yachts in de kosten van de procedure in reconventie, tot op heden bepaald op EUR 2.131,50;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.G. Lautenbach en in het openbaar uitgesproken op

16 december 2009.

Fn: 456