Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BK4747

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
26-11-2009
Datum publicatie
30-11-2009
Zaaknummer
AWB 09/424
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vaststelling WAO-dagloon. Refertejaar. Vakantiegeld. Wel vorderbaar maar niet inbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 09/424

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 november 2009 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[naam],

wonende te [woonplaats],

eiser (hierna: [X]),

gemachtigde: mr. I. Blekman, advocaat te Groningen,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

verweerder (hierna: het Uwv),

gemachtigde: P.J. Langius, werkzaam bij het Uwv te Leeuwarden.

Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2008 heeft het Uwv met ingang van 30 mei 2008 [X] een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Zijn dagloon is vastgesteld op € 119,73.

Bij besluit van 8 januari 2009 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van [X] hiertegen gegrond verklaard en het primaire besluit herzien in die zin dat de WAO uitkering met ingang van 9 juli 2008 aan [X] wordt toegekend en zijn dagloon is vastgesteld op € 121,51.

Bij brief van 17 februari 2008 (lees: 2009) heeft [X] hiertegen bezwaar gemaakt bij het Uwv.

Na telefonisch overleg met het Uwv heeft [X] bij brief van 23 februari 2009 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Op grond van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb is Caparis N.V. door de rechtbank in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Zij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

Op 6 oktober 2009 heeft [X] aanvullende beroepsgronden ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2009. [X] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv is niet verschenen.

Motivering

Feiten

1.1 [X] is laatstelijk werkzaam geweest als werkleider bij Caparis N.V. voor 38 uur per week. Op 11 juni 2008 meldde hij zich ziek vanwege een toename van de bij hem bekende rugklachten. [X] is bij het Uwv bekend wegens eerdere beoordelingen na diverse uitvallen als gevolg van een rugaandoening. Na zijn laatste (AMBER) beoordeling in augustus 2007 heeft hij opnieuw regelmatig verzuimd als gevolg van rugklachten.

1.2 Het Uwv betaalde de WAO uitkering van [X] aan zijn werkgever, die vervolgens het salaris van [X] daarmee aanvulde. In juli 2008 heeft [X] van zijn werkgever een nabetaling van zijn vakantietoeslag over zijn WAO uitkering ontvangen ten bedrage van € 520,42. Dit bedrag had zijn werkgever niet betaald in mei 2008.

1.3 De verzekeringarts E. Panhuis geeft in haar rapportage van 23 september 2008 aan dat er bij [X] sprake is van verminderde benutbare mogelijkheden als een rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek. In zijn rapportage van 20 oktober 2008 stelt de arbeidsdeskundige A. Weistra dat [X] per 30 mei 2008 voor 80-100% arbeidsongeschikt dient te worden beschouwd. Bij het primaire besluit van 28 oktober 2008 heeft het Uwv aan [X] per 30 mei 2008 een WAO uitkering toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80-100% en een dagloon van € 119,73.

1.4 Bij het bestreden besluit heeft het Uwv het bezwaar van [X] gegrond verklaard. Omdat hij vóór 11 juni 2008 uitgevallen is met andere klachten dan rugklachten, dient de eerste arbeidsongeschiktheidsdag te worden bepaald op 11 juni 2008 in plaats van 30 mei 2008. De WAO uitkering wordt alsnog per 9 juli 2008 aan hem toegekend. Ook de referteperiode voor het vaststellen van het dagloon is gewijzigd, te weten van 1 juni 2007 tot en met 31 mei 2008. Het dagloon is vastgesteld op € 121,51.

Geschil

2.1 [X] betwist dat hij in een telefoongesprek met het Uwv op 23 februari 2009 heeft gezegd dat zijn bezwaarschrift van 17 februari 2009 niet hoefde te worden doorgezonden aan de rechtbank. Verder voert hij onder meer aan dat zijn dagloon niet juist is vastgesteld. Zijn werkgever heeft te weinig vakantietoeslag aan hem betaald tijdens de referteperiode. Deze fout is na afloop van de referteperiode rechtgezet. Dit bedrag is ten onrechte niet meegenomen in de dagloonberekening. Dit betreft de vakantietoeslag over zijn WAO uitkering. Dit bedrag was voor hem in mei 2008 vorderbaar, maar niet inbaar. Het Uwv betaalde de WAO uitkering aan de werkgever en die betaalde dat bedrag vervolgens aan [X]. Het Uwv had het desbetreffende bedrag nog niet betaald aan zijn werkgever en daarom was dit niet inbaar. Het is in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, om dit bedrag niet te betrekken in de berekening van het dagloon. [X] is nu slachtoffer van een fout van een ander.

2.2 Het Uwv stelt zich op het standpunt dat het dagloon op juiste wijze is vastgesteld. Het is juist dat de werkgever van [X] in de periode van september 2007 tot en met februari 2008 te weinig vakantietoeslag heeft gereserveerd. Als gevolg hiervan heeft de werkgever in mei 2008 te weinig vakantietoeslag aan [X] uitbetaald. In juli 2008 heeft zijn werkgever een bedrag van € 520,42 nabetaald. Deze nabetaling valt echter buiten de referteperiode en kan om die reden niet worden meegenomen. Dit deel van het loon is immers wel inbaar gebleken. Omdat het buiten de referteperiode is ontvangen, kan dit niet in het dagloon worden meegenomen. Hoewel het Uwv beseft dat [X] de dupe is geworden van administratieve fouten van zijn werkgever, kan het helaas niet anders beslissen.

Beoordeling van het geschil

3.1 Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge artikel 6:15, eerste lid, van de Awb wordt een bezwaar- of beroepschrift, dat is ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan of bij een onbevoegde administratieve rechter, nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend, zo spoedig mogelijk doorgezonden aan het bevoegde orgaan, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het eerste lid van overeenkomstige toepassing is indien in plaats van een bezwaarschrift een beroepschrift is ingediend of omgekeerd.

3.2 Ingevolge artikel 2, vierde lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (Besluit dagloonregels) wordt onder loon mede begrepen het loon waarvan de werknemer aantoont dat dit in het refertejaar vorderbaar, maar niet tevens inbaar is geworden. Voor de toepassing van het Besluit dagloonregels wordt de werknemer geacht dit loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarin het vorderbaar is geworden.

3.3 Ten eerste staat ambtshalve ter beoordeling of het beroep van [X] ontvankelijk is. De beroepstermijn verstreek op 18 februari 2009. Op die dag is zijn bezwaarschrift tegen het bestreden besluit bij het Uwv binnengekomen. Het Uwv heeft dit echter niet aangemerkt als beroepschrift en evenmin doorgestuurd aan de rechtbank. Vervolgens heeft [X] bij brief van 23 februari 2009 alsnog een beroepschrift aan de rechtbank toegestuurd. Dit is op 24 februari 2009 bij de rechtbank binnengekomen. De rechtbank stelt vast dat de brief van 17 februari 2009 aangemerkt dient te worden als beroepschrift op grond van artikel 6:15, tweede lid, van de Awb. Het Uwv heeft niet voldaan aan zijn doorzendplicht op grond van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb. De rechtbank is daarom van oordeel dat het beroep van [X] tijdig is ingediend en ontvankelijk is.

3.4 Ten tweede staat ter beoordeling of het Uwv het dagloon op juiste wijze heeft vastgesteld. [X] heeft in dit verband nog een aanvullend beroepschrift met bijlagen overgelegd. Aangezien dit stuk eerst op 6 oktober 2009 aan de rechtbank is gefaxt, is dit op grond van artikel 8:58, eerste lid, van de Awb niet tijdig ingediend. Immers, dit artikel bepaalt dat partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. Aangezien het Uwv niet is verschenen, kon het ter zitting niet op dit stuk reageren. Evenwel is ter zitting gebleken dat de bijlagen (kopieën van salarisstroken) eerder al in de juiste versie waren overgelegd. De nieuwe grond in het aanvullende beroepschrift, inhoudende dat het Uwv bij de berekening van het dagloon is uitgegaan van een te laag SV-loon heeft [X] ter zitting laten vervallen. De overige punten van het aanvullend beroepschrift worden aangemerkt als een nadere toelichting op de eerder (tijdig) ingediende beroepsgronden. De rechtbank is daarom van oordeel dat het Uwv niet in zijn procesbelang wordt geschaad en zal dit stuk, voor zover van belang, betrekken in haar beoordeling.

3.5 De rechtbank stelt voorop dat het dagloon conform het Besluit dagloonregels wordt vastgesteld op basis van het loon dat de werknemer in het refertejaar heeft genoten. De toelichting op het Besluit dagloonregels vermeldt dat het in het refertejaar ontvangen loon wordt geacht te zijn genoten in het tijdvak waaraan het - volgens opgave van de werkgever - moet worden toegerekend. Voor zover relevant luidt de toelichting op artikel 2, vierde lid, van het Besluit dagloonregels:

"Het komt voor dat in het refertejaar recht op loon bestaat, doch dat loon (nog) niet inbaar is. (…) Om te voorkomen dat loon waar de werknemer wel recht op heeft maar dat niet wordt uitbetaald, bijvoorbeeld in de situatie dat de werkgever met de noorderzon is vertrokken, het dagloon van de werknemer negatief wordt beïnvloed, is in het vierde lid bepaald dat onder loon mede wordt begrepen het loon waarvan de werknemer aantoont dat dit in het refertejaar vorderbaar maar niet tevens inbaar is geworden. Zulk loon wordt dus in het dagloon meegerekend."

3.6 De rechtbank leidt uit de toelichting af dat artikel 2, vierde lid, van het Besluit dagloonregels ziet op de situatie waarin de werknemer wel een opeisbare vordering ('vorderbaar') heeft op zijn werkgever, maar daarvan geen betaling kan verkrijgen ('niet inbaar'). Op grond van het Besluit dagloonregels ligt het op de weg van de werknemer (in dit geval: [X]) om dit aan te tonen. Van oninbaarheid is pas sprake als een opeisbare loonvordering, ondanks een verzoek van de werknemer tot betaling, niet wordt voldaan. De stelling van [X] dat zijn werkgever nalatig is geweest ten aanzien van de betaling van de vakantietoeslag treft in dit verband doel. Ter zitting heeft hij verklaard dat hij direct na ontvangst van zijn salarisstrook telefonisch contact heeft opgenomen met zijn werkgever om betaling van de vakantietoeslag te verzoeken. De werkgever heeft geweigerd dit bedrag te betalen, aangezien dat deel van de vakantietoeslag eerst door het Uwv aan de werkgever betaald zou moeten worden en het Uwv dit nog niet gedaan zou hebben. De rechtbank acht de door [X] geschetste gang van zaken aannemelijk. Hieruit volgt dat [X] zijn werkgever binnen het refertejaar heeft verzocht om betaling van de vakantietoeslag en dat de werkgever dat vervolgens heeft geweigerd. Of het Uwv daadwerkelijk een betalingsverplichting had aan de werkgever, in die zin dat het Uwv de WAO uitkering van [X] niet rechtstreeks aan hem betaalde maar via zijn werkgever, is niet van belang. Dit doet namelijk niet af aan de vorderbaarheid van de vordering op de werkgever. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [X] erin is geslaagd om aan te tonen dat dit deel van het salaris in het refertejaar vorderbaar, maar niet inbaar was. Dit houdt in dat het Uwv het bedrag aan vakantietoeslag van € 520,42 ten onrechte niet heeft betrokken in de berekening van het dagloon van [X].

3.7 Het beroep zal gegrond worden verklaard. Het bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op de vaststelling van het dagloon, zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 2, vierde lid, van het Besluit dagloonregels. Het Uwv zal worden opgedragen om in zoverre een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van bovenstaande overwegingen.

3.8 Met toepassing van artikel 8:75 van de Awb zal de rechtbank het Uwv veroordelen in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van eiser in totaal € 344,26, waarvan € 322,- ter zake van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (verschijnen ter zitting één punt; zwaarte van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 322,-) en € 22,26 voor reiskosten openbaar vervoer tweede klas ([woonplaats X] - Leeuwarden v.v.).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op de vaststelling van het dagloon;

- draagt het Uwv op om in zoverre een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat het Uwv aan [X] het griffierecht ten bedrage van € 39,- vergoedt;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van [X] ten bedrage van € 344,26.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Leegsma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2009.

w.g. J.R. Leegsma

w.g. P.G. Wijtsma

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.