Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BK4564

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
26-11-2009
Datum publicatie
26-11-2009
Zaaknummer
17/880352-09 VON
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijk opzet, zware mishandeling, noodweer, noodweerexces, psychische overmacht, eisen van proportionaliteit en subsidiariteit

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 36b
Wetboek van Strafrecht 36c
Wetboek van Strafrecht 302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector straf

parketnummer 17/880352-09

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 26 november 2009 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in PI Noord, gevangenis De Marwei te Leeuwarden.

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 12 november 2009.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B. Klunder, advocaat te Leeuwarden.

Telastelegging

Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft primair ter terechtzitting gevorderd de behandeling van de zaak aan te houden teneinde een nader onderzoek te gelasten naar een geschikte kliniek waar verdachte eventueel zou kunnen worden behandeld.

Subsidiair heeft de officier van justitie ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het primair telastegelegde;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

- oplegging van de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht ook als dat het volgen van een ambulante behandeling mocht inhouden;

- onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen samoeraizwaard.

Partiële vrijspraak

Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat verdachte van het primair telastegelegde moet worden vrijgesproken. Uit de stukken en het onderzoek ter terechtzitting heeft de rechtbank niet de overtuiging gekregen dat verdachtes opzet -al dan niet voorwaardelijk- was gericht op het om het leven brengen van aangever.

Met betrekking tot het subsidiair telastegelegde is de rechtbank het volgende van oordeel. Uit de gehele telastelegging blijkt dat de feiten in aflopende vorm zijn telastegelegd. Nu primair aan verdachte een poging tot doodslag is telastegelegd en meer subsidiair een poging tot zware mishandeling, leest de rechtbank de dagvaarding ten aanzien van het subsidiair telastegelegde verbeterd in die zin dat de rechtbank begrijpt dat de officier van justitie zware mishandeling heeft telastegelegd.

Bewijsmiddelen

De rechtbank past met betrekking tot de telastegelegde feiten de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 november 2009;

2. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte (pag. 26-30, 31-35).

Bovenstaande wettige bewijsmiddelen -in onderling verband en samenhang beschouwd- houden de redengevende feiten en omstandigheden in waarop de beslissing van de rechtbank steunt dat verdachte het hierna bewezenverklaarde feit heeft begaan.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het subsidiair telastegelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij op 24 juli 2009 te Leeuwarden, aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een diepe circulair verlopende snijwond van ongeveer 15 cm. in de rechteronderarm met schade aan spieren en pezen (onder meer doorkliefde spieren van de onderarm) en een snijwond (ongeveer 5 cm.) aan de bovenarm en een gevoelloze rechteronderarm en letsel aan de zenuwen), heeft toegebracht, door opzettelijk met een samoeraizwaard een neergaande beweging te maken waarbij die [slachtoffer] in zijn rechterarm (zowel boven als onder) werd geraakt;

De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het bewezene levert op het misdrijf:

subsidiair

Zware mishandeling.

Strafbaarheid verdachte

Door de raadsvrouw is ter zitting bepleit dat er sprake was van noodweer, dan wel noodweerexces dan wel psychische overmacht. De officier van justitie heeft gesteld dat er geen sprake was van een rechtvaardigingsgrond in de zin van noodweer, dan wel noodweerexces. Ook is er, aldus de officier van justitie geen sprake geweest van psychische overmacht.

De rechtbank overweegt omtrent de verweren van de raadsvrouw het volgende.

Voor een geslaagd beroep op noodweer, dan wel noodweerexces dient ten eerste vastgesteld te worden of er sprake was van een noodweersituatie: was er sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding gericht tegen eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed?

Uit de stukken en het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank het volgende gebleken. Op een bepaald moment is ruzie ontstaan tussen verdachte en aangever. Nadat verdachte door aangever is geslagen is verdachte de woonkamer in gerend en heeft het samoeraizwaard van de kast gepakt. Toen verdachte in een hoek stond heeft hij aangever gedreigd met het zwaard om hem bang te maken. Toen dat niet hielp, heeft verdachte een neerwaartse beweging met het zwaard gemaakt. Daarbij heeft hij aangever in zijn arm geraakt.

De rechtbank acht de verklaringen van verdachte consistent, zulks in tegenstelling tot de verklaringen van aangever. Aangever heeft verschillende versies van het gebeuren verteld, waarbij hij heeft aangegeven dat hij niet helemaal eerlijk is geweest. Ook is de rechtbank gebleken dat aangever in het verleden gewelddadig tegen verdachte is geweest. De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken van een noodweersituatie.

Desondanks is de rechtbank van oordeel dat het beroep op noodweer dient te worden verworpen. Verdachte werd door aangever aangevallen, waarop verdachte zich heeft verdedigd met het samoeraizwaard. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij wist dat het om een gevaarlijk wapen ging. Niet is gebleken dat aangever gewapend was. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het handelen van verdachte niet voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

De rechtbank is evenmin van oordeel dat er sprake was van noodweerexces. Ter terechtzitting heeft verdachte aangegeven dat hij de scherpe kant van het zwaard naar hemzelf gericht hield. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte helder heeft nagedacht over de stand van het wapen. Niet aannemelijk is geworden dat er bij het plegen van het feit sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging in de zin van artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, noch dat verdachtes verdediging zoals zij heeft plaatsgevonden, noodzakelijk was.

De rechtbank heeft in het voorgaande reeds overwogen dat verdachte bewust het samoeraizwaard met de scherpe kant naar zichzelf heeft gedraaid en de consequenties van het slaan met de scherpe kant heeft ingezien. Het beroep op psychische overmacht wordt eveneens verworpen.

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van het gepleegde feit;

- de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, de psychologische rapportage, de psychiatrische rapportage en het voorlichtingsrapport;

- de vordering van de officier van justitie;

- het pleidooi van de raadsvrouw.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling. Verdachte heeft zijn vriend, toen deze hem bedreigde, ernstig verwond met een samoeraizwaard. Het door verdachte toegepaste geweld stond in geen verhouding met de bedreiging door het slachtoffer.

Uit het uittreksel Justitiële Documentatie blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor geweldsmisdrijven. Dit is een strafverzwarende omstandigheid.

De psychiater en de psycholoog die verdachte hebben onderzocht, zijn tot de conclusie gekomen dat er bij verdachte sprake is van afhankelijkheid van alcohol en cannabis, alsmede een persoonlijkheidsstoornis met borderline, antisociale en narcistische trekken. Zij achten verdachte verminderd toerekeningsvatbaar. Beide deskundigen achten de kans op recidive hoog. De deskundigen achten een behandeling binnen een forensisch psychiatrische afdeling, gevolgd door een poliklinische behandeling noodzakelijk.

Het oriëntatiepunt voor het opzettelijk toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden. Nu verdachte echter eerder is veroordeeld voor geweldsmisdrijven acht de rechtbank een hogere gevangenisstraf op zijn plaats. De rechtbank zal, gelet op het feit dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht en gelet op de noodzaak van behandeling, een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen. Nu niet duidelijk is waar en wanneer een klinische behandeling plaats zou moeten vinden en hoelang een dergelijke behandeling zou moeten duren, is het niet mogelijk om dit als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke straf aan verdachte op te leggen. Wel is het mogelijk om het volgen van een ambulante behandeling op te leggen als bijzondere voorwaarde. Dit is dan ook wat de rechtbank zal doen.

Inbeslaggenomen goederen

De rechtbank acht het inbeslaggenomen samoeraizwaard vatbaar voor onttrekking aan het verkeer nu met behulp van dit zwaard het feit is begaan en zij van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan door verdachte in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36b, 36c en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is telastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 5 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te vermelden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde, dat de veroordeelde:

- zich bij het ingaan van de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland;

- ervoor zorgt dat hij gedurende de proeftijd bereikbaar is voor deze reclasseringsinstelling;

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens genoemde reclasseringsinstelling, ook als dat het volgen van een ambulante psychiatrische behandeling mocht inhouden.

Draagt genoemde reclasseringsinstelling op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart onttrokken aan het verkeer het inbeslaggenomen samoeraizwaard.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H. Severein, voorzitter, mr. H. van der Werff en mr. Y. Huizing, rechters, bijgestaan door D.P. Postma-Westerhof, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 november 2009.