Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BK4078

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
13-11-2009
Datum publicatie
24-11-2009
Zaaknummer
250363 \ CV EXPL 08-3990
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asbest; mesothelioom. Een werknemer is tijdens zijn werk als cv-monteur met asbest in aanraking gekomen. Als gevolg daarvan is hij ziek geworden en overleden. De vrouw van de overleden werknemer spreekt de (rechtsopvolger van de) oud-werkgever aan en vordert materiële en immateriële schadevergoeding. Werkgever verweert zich o.a. met een beroep op verjaring, omdat de vordering bijna 40 jaar na afloop van het dienstverband is ingesteld. De kantonrechter heeft dit beroep gehonoreerd, omdat de werkgever zich door allerlei omstandigheden in redelijkheid niet tegen de ingestelde vordering kan verweren.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 310
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2010/18
AR-Updates.nl 2009-0889
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector kanton

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 250363 \ CV EXPL 08-3990

vonnis van de kantonrechter d.d. 13 november 2009

inzake

[eiseres], voor zichzelf en in haar hoedanigheid van nabestaande en erfgename van [erflater],

hierna te noemen: [eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

procederende met toevoeging,

gemachtigde: mr. R.F. Ruers,

tegen

De besloten vennootschap Pranger-Rosier Installaties B.V.,

hierna te noemen: Pranger-Rosier,

gevestigd te Dokkum,

gedaagde,

gemachtigde: Mr. P.A. Speijdel.

Procesverloop

1. Ingevolge het tussenvonnis van 5 juni 2009 is op 1 september 2009 een getuigenverhoor gehouden aan de zijde van [eiseres]. [eiseres] heeft hierna bij akte laten weten af te zien van de mogelijkheid om verdere getuigen aan haar zijde te horen, terwijl Pranger-Rosier bij akte te kennen heeft gegeven af te zien van contra-enquête.

Vervolgens is wederom vonnis bepaald op de stukken, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

Motivering

2. De kantonrechter neemt hier over hetgeen hij heeft overwogen en beslist bij zijn tussenvonnissen van 6 februari 2009 en 5 juni 2009.

De verdere beoordeling van het geschil

De vraag of Pranger-Rosier rechtsopvolgster is van Rosier Technisch Installatiebedrijf dan wel "J. Rosier en Zoon".

3. [eiseres] is bij tussenvonnis van 5 juni 2009 toegelaten tot het bewijs van feiten of omstandigheden, waaruit kan worden afgeleid dat J. Rosier en Zoon per 1 januari 1970 een deel van zijn onderneming dat zich toelegde op c.v. activiteiten heeft ingebracht in Pranger-Rosier, dat dit deel kan worden aangemerkt als een economische eenheid en dat deze eenheid is overgegaan ten gevolge van een overeenkomst, een fusie of een splitsing, zoals bedoeld in artikel 7:662 BW.

4. [eiseres] heeft als getuige doen horen: [getuige].

Deze heeft verklaard: "In 1963 ben ik in dienst getreden van Rosier. Ik ben altijd bij Rosier, later Pranger-Rosier, in dienst geweest totdat ik in 2000 met pensioen ging. Laatstelijk was ik daar projectleider technische installaties. [erflater] heb ik als collega meegemaakt in de periode die u noemt 1963 tot 1967. Hij was cv-monteur en ik was chef. Rosier was een loodgietersbedrijf maar er werd ook cv-werk gedaan. Er werkten in die tijd daar toen ongeveer 6 cv-monteurs terwijl het aantal mensen wat daar in dienst was ca. 12 bedroeg. [A] was directeur en ook waren er loodgieters, electriciëns en dakdekkers in dienst en er was een administratie. Wanneer ik het heb over cv-monteurs bedoel ik daar niet mee dat deze monteurs zich exclusief met cv-werk bezig hielden, terwijl voor de andere werknemers die ik noemde in omgekeerde zin hetzelfde gold. Ik kan mij niet herinneren dat het werk fundamenteel anders is geworden, in mijn beleving heeft Rosier en later Pranger-Rosier zich steeds met installatiewerk bezig gehouden, waaronder cv-installaties. U houdt mij de ontslagbrief voor van [erflater] waarin wordt gesproken over het ontbreken van werkgelegenheid in de afdeling centrale verwarming. Ik heb daar geen herinnering aan maar met de verandering van de tijden zal er ook verandering zijn geweest in de hoeveelheid werk betreffende cv-installaties. Ik herinner mij niet dat er duidelijk sprake is geweest van een breuk tussen het werk bij Rosier en dat bij de latere Pranger-Rosier Installaties B.V.: ik ben altijd op dezelfde stoel blijven zitten, in die zin dat mijn functie steeds dezelfde is gebleven; wel heeft die stoel zich op verschillende locaties bevonden. Ook is het zo dat door de gasvondst in Slochteren omstreeks 1970 het werk bij Pranger-Rosier toenam zodat er omstreeks die tijd meer werknemers waren -hoeveel weet ik niet- dan destijds bij Rosier. Ik herinner mij dat toen sprake was van Pranger-Rosier er alleen nog een winkel van Rosier overbleef; deze winkel handelde in huishoudelijke artikelen. Of ze haarden en kachels verkochten weet ik niet. In 1966 is er een nieuwe onderneming gesticht met als directeuren de heren Pranger en Rosier, met als naam "IP". Dat bedrijf had ook cv-monteurs in dienst maar ikzelf ben niet bij die vestiging in dienst geweest. Toen ik in 1963 begon was er naast het bedrijf Rosier ook een bedrijf Pranger dat zich ook bezig hield met cv-installaties. Nadat Pranger en Rosier wat betreft het installatiewerk samen waren gegaan bleef er volgens mij nog wel een winkel Pranger over waar kachels en haarden werden verkocht, en ik veronderstel dat die winkel daarom ook installatiewerk deed."

5. Uit voormelde verklaring van de getuige leidt de kantonrechter af dat een deel van de onderneming van J. Rosier en Zoon -welk deel zich toelegde op c.v.-activiteiten- ten gevolge van een fusie is overgegaan naar Pranger-Rosier en dat dit deel kon worden aangemerkt als een economische eenheid, nu dit bestond uit een georganiseerd geheel van personen en elementen waarmee een economische activiteit met een eigen doelstelling kon worden uitgeoefend. De kantonrechter acht [eiseres] dan ook geslaagd in het leveren van bewijs conform de haar gegeven bewijsopdracht.

6. Op grond van het bovenstaande staat thans in deze procedure vast dat Pranger-Rosier rechtsopvolgster is van Rosier Technisch Installatiebedrijf dan wel "J. Rosier en Zoon", zodat moet worden vastgesteld dat [eiseres] Pranger-Rosier terecht in rechte heeft betrokken, uitgaande van hetgeen zij aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd.

Met betrekking tot de (on)aanvaardbaarheid van het beroep op verjaring

7. Pranger-Rosier heeft een beroep gedaan op verjaring, nu de vordering is ingesteld na het verstrijken van de verjaringstermijn van 30 jaren, genoemd in artikel 3:310 lid 2 BW.

Partijen verschillen over de vraag of toepassing van genoemde verjaringstermijn in het onderhavige geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is in de zin van artikel 6:2 lid 2 BW.

8. Vooropgesteld zij dat toepassing van de in artikel 3:310 lid 2 BW neergelegde regel slechts in uitzonderlijke gevallen onaanvaardbaar zal kunnen worden bevonden, gelet op de belangen die deze regel beoogt te dienen. Niettemin kan het zo zijn dat in de onderhavige zaak -waar het gaat om een schadeveroorzakende gebeurtenis (blootstelling aan asbest) waarvan de schade pas na het verstrijken van de verjaringstermijn van 30 jaar is ontstaan en aan het licht getreden (mesothelioom)- moet worden geoordeeld dat sprake is van een dergelijk uitzonderlijk geval.

Bij de beoordeling van de vraag of toepassing van genoemde verjaringstermijn in het onderhavige geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, dienen, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 28 april 2000, NJ 2000, 430 (LJN: AA5635), inzake Van Hese/De Schelde, alle omstandigheden van het geval in acht te worden genomen, waarbij een zevental -in genoemd arrest geformuleerde- gezichtspunten vallen te noemen, te weten:

a) of het gaat om vergoeding van vermogensschade dan wel van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, en -mede in verband daarmede- of de gevorderde schadevergoeding ten goede komt aan het slachtoffer zelf, diens nabestaanden dan wel een derde;

b) in hoeverre voor het slachtoffer respectievelijk zijn nabestaanden ter zake van de schade een aanspraak op een uitkering uit anderen hoofde bestaat;

c) de mate waarin de gebeurtenis de aangesprokene kan worden verweten;

d) in hoeverre de aangesprokene reeds vóór het verstrijken van de verjaringstermijn rekening heeft gehouden of had behoren te houden met de mogelijkheid dat hij voor de schade aansprakelijk zou zijn;

e) of de aangesprokene naar redelijkheid nog de mogelijkheid heeft zich tegen de vordering te verweren;

f) of de aansprakelijkheid (nog) door verzekering is gedekt;

g) of na het aan het licht komen van de schade binnen redelijke termijn een aansprakelijkstelling heeft plaatsgevonden en een vordering tot schadevergoeding is ingesteld.

9. De kantonrechter begrijpt dat de Hoge Raad gezichtspunt e) heeft opgenomen, omdat, indien de daarin geformuleerde vraag ontkennend moet worden beantwoord, de daaraan te verbinden conclusie in redelijkheid slechts kan zijn dat de vordering niet meer kan worden beoordeeld, hetgeen meebrengt dat er bij een ontkennende beantwoording geen grond is om een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te achten.

Gelet hierop beschouwt de kantonrechter het verweer van Pranger-Rosier, dat zij niet naar redelijkheid nog de mogelijkheid heeft zich tegen de vordering te verweren, als het meest verstrekkend.

Hierin vindt de kantonrechter aanleiding eerst de als gezichtspunt e) geformuleerde vraag te bespreken.

10. In de eerste plaats overweegt de kantonrechter dat aan de hand van hetgeen [eiseres] heeft aangereikt en van de eerder in het vonnis opgenomen getuigenverklaring de voor de vordering relevante feiten onvoldoende kunnen worden vastgesteld. Weliswaar kan daaruit worden afgeleid dat [erflater] als cv-monteur voor [A] heeft gewerkt, maar niet dat, voor zover hij daarbij is blootgesteld aan asbest, [A] ten aanzien van die blootstelling een verwijt treft. In het bijzonder kan aan de hand van de aanwezige bescheiden niet worden vastgesteld dat een verwijtbaar handelen of nalaten van [A] (of een tekortschieten van hem in zijn zorgplicht als werkgever) heeft veroorzaakt dat [erflater] werd blootgesteld aan asbest, onder meer nu die bescheiden geen inzicht geven omtrent eventuele destijds getroffen veiligheidsmaatregelen en gegeven veiligheidsinstructies en evenmin antwoord geven op de vraag of en in hoeverre destijds [A] bekend was met de gevaren van blootstelling aan asbest en -daaruit voortvloeiend- met de gebodenheid van veiligheidsmaatregelen en -instructies ter voorkoming van blootstelling aan asbest.

11. Pranger-Rosier heeft ter onderbouwing van haar stelling dat zij niet naar redelijkheid nog de mogelijkheid heeft zich tegen de vordering te verweren, bij antwoord aangevoerd dat zij niet meer over de administratie van "J. Rosier en zoon" beschikt en dat [A] is overleden en geen informatie meer kan verstrekken, bijvoorbeeld (onder meer) over de vraag of [erflater] bij hem in dienst was (of ingeleend, gedetacheerd was, feitelijk daar werkte, etc), over de aard van de werkzaamheden van [erflater], de wijze waarop hij die diende uit te voeren en de reden van de eventuele afwijking daarvan, de aan [erflater] gegeven instructies, eventuele veiligheidsmaatregelen en de naleving daarvan en het door [A] ingewonnen hebben van informatie bij deskundigen over de gevaren van asbest. Pranger-Rosier wijst erop dat zij zich nooit als rechtsopvolgster van "J. Rosier en zoon" heeft beschouwd en zich daar dus ook nooit naar heeft gedragen. Zij kan in haar archieven geen aanwijzing vinden voor de juistheid van het door [eiseres] gestelde. Verder heeft Pranger-Rosier aangevoerd dat de beweerde oorzaak van de aansprakelijkstelling inmiddels zo lang geleden is -zij wijst erop dat de verjaringstermijn van 30 jaren met bijna 10 jaren is overschreden- dat ook de collega's/vrienden en kennissen van [A] door ouderdom, onvindbaarheid of geheugenvervaging niet meer kunnen bijdragen aan het verweer van Pranger-Rosier.

12. [eiseres] heeft hetgeen Pranger-Rosier ten aanzien van gezichtspunt e) heeft aangevoerd inhoudelijk niet bestreden, zodat in deze procedure moet worden uitgegaan van de juistheid daarvan.

13. Voor zover [eiseres] mede heeft willen betogen dat het feit dat Pranger-Rosier geen relevante informatie meer kan achterhalen voor risico van Pranger-Rosier dient te komen, overweegt de kantonrechter dat niet is weersproken dat Pranger-Rosier zich nimmer heeft beschouwd als rechtsopvolger van Rosier Technisch Installatiebedrijf dan wel "J. Rosier en Zoon". Gelet hierop, alsmede op het gegeven dat Pranger-Rosier pas op 23 november 2006 als rechtsopvolger is aangesproken en op de omstandigheid dat eerst heden in rechte is vastgesteld dat Pranger-Rosier daadwerkelijk -sinds omstreeks 1 januari 1970- rechtsopvolger is, kan in redelijkheid niet worden betoogd dat het voor risico van Pranger-Rosier dient te komen dat zij geen administratie of gegevens over de bedrijfsvoering van de jaren 60 meer heeft van -zoals thans is komen vast te staan- haar rechtsvoorganger, Rosier Technisch Installatiebedrijf dan wel "J. Rosier en Zoon".

14. Nu vast staat dat Pranger-Rosier geen relevante informatie meer kan achterhalen omtrent de aan de vordering ten grondslag gelegde feiten en dit laatste ook niet voor haar risico komt, terwijl moet worden geconstateerd dat die feiten ook aan de hand van de reeds aanwezige bescheiden onvoldoende kunnen worden vastgesteld, leidt dit tot het oordeel dat Pranger-Rosier niet naar redelijkheid nog de mogelijkheid heeft zich tegen de vordering te verweren.

Het door Pranger-Rosier gedane beroep op verjaring acht de kantonrechter dan ook aanvaardbaar. Gelet hierop zal een verdere bespreking van de door de Hoge Raad geformuleerde gezichtspunten achterwege worden gelaten.

15. Op grond van het bovenstaande zal de vordering worden afgewezen.

16. Als de in het ongelijk te stellen partij zal [eiseres] worden veroordeeld in de kosten van het geding, aan de zijde van Pranger-Rosier begroot op een bedrag van € 1.800,-- wegens salaris.

Beslissing

De kantonrechter:

wijst het gevorderde af;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Pranger-Rosier begroot op € 1.800,-- wegens salaris gemachtigde.

Aldus gewezen door mr. T.K. Hoogslag, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 november 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 206