Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BK3462

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
12-11-2009
Datum publicatie
17-11-2009
Zaaknummer
08/2408
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bouwvergunning van rechtswege - strijd met bestemmingsplan? - bedrijfswoning of burgerwoning?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 08/2408

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 november 2009 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[eisers],

wonende te [woonplaats],

eisers (hierna: [de familie]),

gemachtigde: mr. M.A. Jansen, advocaat te Leeuwarden,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongeradeel,

verweerder (hierna: het college),

gemachtigde: mr. D. Wielstra-Veenstra, werkzaam bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2008 heeft het college geweigerd [de familie] een bouwvergunning en vrijstelling voor het vernieuwen van de bestaande bedrijfswoning op het perceel [adres] te [woonplaats] (hierna: het perceel) te verlenen.

Bij besluit van 23 september 2008 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van [de familie] hiertegen ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [de familie] beroep aangetekend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2009. [de familie] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Motivering

Feiten

1.1 Op het perceel heeft [de familie] een veehouderij. Op het perceel stond aanvankelijk één woning. Blijkens het vigerende bestemmingsplan heeft dit perceel de bestemming 'Agrarische bedrijven'. Er zijn uitsluitend gebouwen ten behoeve van één agrarisch bedrijf toegestaan en ter plaatse is één bedrijfswoning toegestaan.

1.2 Op 26 november 2003 heeft [de familie] een bouwvergunning eerste fase aangevraagd voor het geheel plaatsen van een woning op het perceel. Bij besluit van 19 december 2003 heeft het college de bouwvergunning verleend. In dit besluit is onder meer het volgende vermeld:

"Op 26 november 2003 heeft u een aanvraag voor een bouwvergunning regulier eerste fase ingediend voor het vervangen van een woning op het perceel [adres] te [woonplaats] kadastraal bekend [het perceel]."

1.3 Bij besluit van 24 maart 2004 heeft het college vervolgens de bouwvergunning tweede fase aan [de familie] verleend. In dit besluit is onder meer het volgende vermeld:

"Op 17 februari 2004 heeft u een aanvraag voor een bouwvergunning ingediend voor het bouwen van een woning (2e fase) op het perceel [adres] te [woonplaats] kadastraal bekend [het perceel]."

1.4 Bij brief van 7 augustus 2007 heeft makelaar [de makelaar] namens [de familie] aan het college gevraagd of de oude woning mag worden afgebroken, in soortgelijke vorm worden herbouwd en daarna worden bewoond als bedrijfswoning bij het veehouderijbedrijf.

1.5 Bij brief van 18 september 2007 heeft het college geantwoord dat zijn voorlopig oordeel inhoudt dat een eventuele aanvraag om een bouwvergunning niet gehonoreerd zal worden, op de grond dat het bestemmingsplan slechts één bedrijfswoning toestaat. Verder heeft het college aangegeven niet voornemens te zijn vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen, omdat het beleid erop is gericht om geen nieuwe niet-agrarische functies toe te staan in het buitengebied.

1.6 Op 18 december 2007 heeft [de familie] een bouwvergunning eerste fase aangevraagd voor het geheel vernieuwen van de bestaande bedrijfswoning.

1.7 Bij het primaire besluit van 22 april 2008 heeft het college geweigerd om een bouwvergunning en vrijstelling aan [de familie] te verlenen, op de grond dat het bestemmingsplan ten behoeve van het agrarische bedrijf slechts één bedrijfswoning toestaat. Verder is het gemeentelijk beleid erop gericht om niet mee te werken aan een tweede agrarische bedrijfswoning, tenzij een dergelijke woning noodzakelijk is.

1.8 Nadat [de familie] hiertegen bezwaar had gemaakt, heeft de commissie voor de bezwaarschriften (hierna: de commissie) een hoorzitting gehouden. De commissie heeft het college vervolgens geadviseerd om het bezwaar gegrond te verklaren in zoverre dat de noodzaak van een tweede bedrijfswoning zou moeten worden gerelateerd aan de toetsingscriteria in de beleidsregel 'Tweede agrarische bedrijfswoning in het buitengebied' (hierna: de beleidsregel). Het college heeft vervolgens bij het bestreden besluit het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 22 april 2008 gehandhaafd.

Geschil

2.1 [de familie] stelt onder meer dat zij de bouwvergunning in 2003 niet heeft aangevraagd ter vervanging van de oude bedrijfswoning. Uit de aanvraag blijkt dat die bouwvergunning is aangevraagd voor het geheel plaatsen van een woning. Over de bestaande bedrijfswoning is destijds niet gecommuniceerd en het college heeft evenmin de nieuwe woning aangemerkt als vervangende bedrijfswoning. Dit is immers niet vermeld in de bouwvergunning en bovendien ontbreekt een sloopvoorwaarde ten aanzien van de oude bedrijfswoning. De bouwvergunning uit 2003 heeft betrekking op de bouw van een burgerwoning. Dat deze wellicht in strijd was met het bestemmingsplan doet hier niet aan af. De aanvraag was helder en de bouwvergunning heeft reeds formele rechtskracht. [de familie] was bovendien niet op de hoogte van de intentie van het college om alleen bedrijfswoningen toe te staan, zodat ook op deze grond niet geconcludeerd kan worden dat de bouwvergunning uit 2003 betrekking had op de vervanging van de bedrijfswoning. Deze intentie is pas duidelijk geworden na het verzoek om informatie door [de makelaar]. [de familie] verwijst hierbij naar de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 3 juni 2006 (LJN: BE8731).

Zij stelt voorts dat de huidige bouwaanvraag ziet op de verbouw van de enige aanwezige bedrijfswoning. Aangezien niet is gebleken van strijd met het bestemmingsplan en er niet binnen de beslistermijn van zes weken op de aanvraag is beslist, is de bouwvergunning van rechtswege verleend. Het primaire besluit van 22 april 2008 tot weigering van de bouwvergunning is dan ook onbevoegd genomen.

2.2 Het college stelt zich op het standpunt dat de in 2003 vergunde woning een bedrijfswoning is. Het honoreren van het huidige bouwplan betekent een instemming met het bouwen van een tweede bedrijfwoning ten behoeve van één agrarisch bedrijf. Dat is in strijd met het bestemmingsplan. Vrijstelling kan niet worden verleend, wegens strijd met de beleidsregel. Deze beleidsregel is erop gericht om in beginsel niet mee te werken aan een tweede agrarische bedrijfswoning bij agrarische bedrijven, tenzij een tweede bedrijfswoning noodzakelijk is. De oude woning op het perceel wordt sinds de nieuwbouw van de nieuwe woning niet meer bewoond. Dit impliceert dat een tweede agrarische bedrijfswoning op deze locatie niet noodzakelijk is en dat niet wordt voldaan aan de in de beleidsregel gestelde uitgangspunten. Daarom heeft het college besloten geen vrijstelling te verlenen.

Het college heeft de in 2003 vergunde woning altijd beschouwd als een bedrijfswoning. Uit de aanhef van de bouwvergunning uit 2003 blijkt immers dat het om de vervanging van een woning gaat. De oude bedrijfswoning was de enige woning op het perceel, dus de bouwvergunning kon slechts betrekking hebben op de vervanging van die woning. Dit blijkt tevens uit de vermelding op de bouwvergunning dat het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan 'Buitengebied Dongeradeel West'. Uit die bouwvergunning kan bovendien niet worden afgeleid dat de woning als burgerwoning mag worden gebruikt. Het had weliswaar in de rede gelegen om aan die bouwvergunning een sloopvoorwaarde ten aanzien van de oude bedrijfswoning te verbinden, maar dit laat onverlet dat er geen vrijstelling van het bestemmingsplan is verleend voor het gebruik van de in 2003 vergunde woning als een burgerwoning.

Het college was zich derhalve niet bewust van het feit dat [de familie] de woning als zodanig wilde gebruiken. De uitspraak van de rechtbank Haarlem waarnaar [de familie] verwijst maakt dit niet anders. De rechtbank Haarlem verwijst in die uitspraak niet naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) en bovendien was in die zaak de eisende partij niet op de hoogte van de intentie van de gemeente om ter plaatse uitsluitend bedrijfswoningen toe te staan. Gelet op het principeverzoek dat [de makelaar] namens [de familie] heeft gedaan, zijn er in deze zaak aanwijzingen dat deze intentie wel bekend was bij [de familie]. De makelaar had dit principeverzoek immers niet ingediend als duidelijk was geweest dat de in 2003 vergunde woning beschouwd werd als een burgerwoning, aldus het college.

Beoordeling van het geschil

3.1 Aangezien de bouwvergunning voor 1 juli 2008 is aangevraagd zijn de Woningwet (Ww) en de Wet op de ruimtelijke ordening (WRO) van toepassing, zoals deze luidden vóór 1 juli 2008.

3.2 Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ww mag slechts en moet een bouwvergunning worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan.

3.3 Ingevolge artikel 46, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ww beslissen burgemeester en wethouders omtrent een aanvraag om een reguliere bouwvergunning die overeenkomstig artikel 56a, in twee fasen wordt verleend binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag. Het tweede lid van dit artikel bepaalt, voor zover hier van belang, dat het eerste lid niet van toepassing is, indien de aanvraag betrekking heeft op een bouwwerk, voor het bouwen waarvan slechts bouwvergunning kan worden verleend, nadat vrijstelling is verleend als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de WRO. Ingevolge het vierde lid van dit artikel is de bouwvergunning van rechtswege verleend, indien burgemeesters en wethouders niet voldoen aan het eerste lid.

3.4 Ter beoordeling staat of het primaire besluit van 22 april 2008 bevoegd is genomen door het college. In dit licht staat de vraag centraal of de in 2003 vergunde woning aangemerkt dient te worden als een burgerwoning of als een bedrijfswoning. De rechtbank is van oordeel dat deze woning als een burgerwoning beschouwd dient te worden. Immers, vaststaat dat [de familie] destijds een bouwvergunning heeft aangevraagd voor het geheel plaatsen van een woning. In de aanvraag is niet vermeld dat het om een bedrijfswoning gaat of dat het de bedoeling is dat de bedrijfswoning vernieuwd dient te worden. De stelling van het college dat deze bouwvergunning is verleend ter vervanging van de bedrijfswoning, volgt de rechtbank niet. De enkele vermelding in de aanhef van de bouwvergunning eerste fase dat het om de vervanging van een woning gaat in combinatie met het feit dat er destijds maar één woning op het perceel stond (de oude bedrijfswoning) is daarvoor onvoldoende. De aanhef verwijst immers slechts naar de aanvraag en onder het kopje 'BESLUIT TOT VERLENEN VAN DE VERGUNNING' wordt verwezen naar het bouwplan, zoals ingediend door [de familie]. Verder heeft het college geen sloopvoorwaarde ten aanzien van de oude bedrijfswoning aan de bouwvergunning verbonden en daarnaast is de bouwvergunning tweede fase vervolgens verleend voor het bouwen van een woning in plaats van voor de vervanging van een woning. Dat het bouwen van een burgerwoning in strijd is met het bestemmingsplan en dat het college in de bouwvergunning eerste fase heeft vermeld dat er geen sprake is van strijd met het bestemmingsplan doet hier niet aan af, aangezien de bouwvergunning uit 2003 inmiddels onherroepelijk is geworden. Of die bouwvergunning op goede gronden is verleend en of er al dan niet een vrijstelling verleend had moeten worden, valt daarom buiten de omvang van dit geding. Hieruit volgt dat de in 2003 vergunde woning met de vereiste bouwvergunning is gebouwd. Dit betreft een burgerwoning en geen bedrijfswoning. Dat de oude bedrijfswoning niet meer als zodanig werd gebruikt, maakt dit niet anders. Het betoog van het college dat de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 3 juni 2008 niet van toepassing is, omdat in die zaak de intentie van verweerder bij de eisende partij niet duidelijk was en in de onderhavige zaak wel, volgt de rechtbank evenmin. In deze zaak is de intentie van het college om alleen bedrijfswoningen toe te staan weliswaar af te leiden uit zijn brief van 18 september 2007, maar dit betekent uiteraard niet dat die intentie bij [de familie] bekend was ten tijde van het verlenen van de bouwvergunning in 2003. Gelet op het voorgaande, is komen vast te staan dat de vergunning uit 2003 betrekking heeft op het bouwen van een burgerwoning.

3.5 Het voorgaande betekent dat momenteel een burgerwoning en een bedrijfswoning op het perceel staan. Vaststaat dat het bestemmingsplan de aanwezigheid van één bedrijfswoning op een perceel in het buitengebied toestaat. Het college heeft alleen strijd van het onderhavige bouwplan met het bestemmingsplan aangenomen op de grond dat er al een bedrijfswoning op het perceel aanwezig is. Zoals hierboven is overwogen, is echter alleen de oude bedrijfswoning als zodanig aan te merken en niet de in 2003 vergunde woning. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de bouwaanvraag van [de familie] (het geheel vernieuwen van de bestaande bedrijfswoning) niet in strijd is met het bestemmingsplan. Vaststaat verder dat het college niet binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag heeft beslist. Daarom is de bouwvergunning zes weken nadien van rechtswege verleend op grond van artikel 46, vierde lid, van de Ww. Met [de familie] is de rechtbank dan ook van oordeel dat de bouwvergunning eerste fase op 29 januari 2008 van rechtswege is verleend. Het college was daarom niet langer bevoegd om de gevraagde bouwvergunning af te wijzen en dit leidt aldus tot het oordeel dat het primaire besluit van 22 april 2008 onbevoegd is genomen. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de AbRS van 17 juli 2009 (LJN: BJ2629).

3.6 Het beroep zal gegrond worden verklaard. Het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 44, eerste lid, en 46, vierde lid, van de Ww. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien in die zin dat het bezwaar van [de familie] gegrond zal worden verklaard en het primaire besluit van 22 april 2008 zal worden herroepen, omdat dit onbevoegd is genomen.

3.7 Met toepassing van artikel 8:75 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 7:15, tweede tot en met vierde lid, van de Awb, zal de rechtbank het college veroordelen in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van [de familie] € 1.288,- ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in bezwaar en beroep (beroepschrift één punt; verschijnen ter zitting één punt; bezwaarschrift één punt; verschijnen ter hoorzitting van de commissie één punt; zwaarte van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 322,-).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat het bezwaar van [de familie] gegrond is, herroept het besluit van 22 april 2008 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- bepaalt dat het college aan [de familie] het griffierecht ten bedrage van € 145,- vergoedt;

- veroordeelt het college in de proceskosten van [de familie] ten bedrage van € 1.288,-.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Dijkstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2009.

w.g. P.G. Wijtsma

w.g. J. Dijkstra

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.