Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BK3260

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
13-11-2009
Datum publicatie
13-11-2009
Zaaknummer
298144 \ VZ VERZ 09-359
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot ontbinding hangende herplaatsingstraject afgewezen. Werkgever voert reorganisatie door. Boventallige werknemer zit in herplaatsingstraject. Werkgever vraagt ontbinding, vooruitlopend op de einddatum van het herplaatsingstraject, e.e.a. conform afspraken in sociaal plan. Werkgever vraagt om intrekkingstermijn, zodat verzoek kan worden ingetrokken indien later blijkt dat werknemer toch nog herplaatst is. Subsidiair vraagt werkgever om voorwaardelijk te ontbinden. Pro forma verweer gevoerd. Kantonrechter wijst ontbindingsverzoek af, omdat de mogelijkheid bestaat dat voor werknemer in het kader van de herplaatsing alsnog een functie vrijkomt. Kantonrechter kan daarom thans niet met zekerheid vaststellen dat er sprake is van een verandering in de omstandigheden die de ontbinding kan rechtvaardigen. Of de ratio van art. 7:685 lid 9 BW zich verzet tegen een intrekkingstermijn in verband met de afloop van het herplaaatsingstraject, blijft onbesproken, evenals de mogelijkheid van een voorwaardelijke ontbinding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0854

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector kanton

Locatie Heerenveen

zaak-/rolnummer: 298144 \ VZ VERZ 09-359

beschikking van de kantonrechter d.d. 13 november 2009

inzake

de naamloze vennootschap

Friesland Bank N.V.,

hierna te noemen: Friesland Bank,

gevestigd te Leeuwarden,

verzoekster,

gemachtigde: mr. W.M. Veldjesgraaf,

tegen

[werknemer],

hierna te noemen: [werknemer],

wonende te [woonplaats],

verweerder,

gemachtigde: mr. O.A. van Oorschot.

Procesverloop

Friesland Bank heeft bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 29 oktober 2009, verzocht de tussen haar en [werknemer] bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van gewichtige redenen in de zin van artikel 7:685 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Het verweerschrift van [werknemer] is binnengekomen op 29 oktober 2009.

De behandeling ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2009. Partijen hebben bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteen gezet. Van het verhandelde ter zitting zijn aantekeningen gemaakt. Door Friesland Bank zijn producties in het geding gebracht en de gemachtigde van Friesland Bank heeft een pleitnota overgelegd. De beslissing is bepaald op heden.

Motivering

1. [werknemer] (44 jaar) is sedert 1 juni 2004 in dienst bij Friesland Bank, laatstelijk in de functie van senior bankier, tegen een bruto salaris van € 3.808,46 per maand (excl. 8% vakantiegeld en 8,33% eindejaarsuitkering).

2. Friesland Bank heeft gesteld dat zij momenteel een reorganisatie doorvoert om haar concurrentiepositie te verbeteren. In het kader van deze reorganisatie is de arbeidsplaats van [werknemer] komen te vervallen. Dientengevolge is [werknemer] boventallig verklaard en heeft Friesland Bank, conform de in het sociaal plan gemaakte afspraken, onderzocht of er mogelijkheden zijn om [werknemer] elders binnen de organisatie te herplaatsen. Friesland Bank heeft moeten vaststellen dat er op dit moment geen passende functie voor [werknemer] voorhanden is. Friesland Bank verzoekt de ontbinding uit te spreken per 15 januari 2010, onder toekenning van een vergoeding aan [werknemer] van € 33.228,81 (bruto). Aangezien [werknemer] nog in een herplaatsingstraject zit, bestaat de mogelijkheid dat hij nog binnen die herplaatsingstermijn een andere functie binnen Friesland Bank kan bekleden. Om die reden en om problemen met een onherroepelijke ontbindingsbeschikking te voorkomen, verzoekt Friesland Bank om haar in de ontbindingsbeschikking de mogelijkheid te geven het verzoek uiterlijk op 1 januari 2010 in te trekken, dan wel om de ontbinding voorwaardelijk uit te spreken. De reden waarom het ontbindingsverzoek reeds nu is ingediend, is dat in het sociaal plan is afgesproken dat de ontbindingsprocedure zodanig tijdig zal worden opgestart, dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst -met inachtneming van de fictieve opzegtermijn- kan plaatsvinden op de einddatum van het herplaatsingstraject, aldus Friesland Bank.

3. [werknemer] heeft verweer gevoerd. [werknemer] stelt dat hem van de verandering in de omstandigheden geen enkel verwijt valt te maken en volgens [werknemer] heeft Friesland Bank bij het doorvoeren van de reorganisatie onvoldoende rekening gehouden met zijn belangen. Primair concludeert [werknemer] tot afwijzing van het verzoek, subsidiair tot toewijzing conform het gestelde in het verzoekschrift.

4. Ingevolge art. 7:685 BW is ieder der partijen te allen tijde bevoegd zich tot de kantonrechter te wenden met het verzoek de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen te ontbinden. De kantonrechter kan het verzoek slechts inwilligen, indien hij zich ervan heeft vergewist of het verzoek verband houdt met het bestaan van een opzegverbod. Als gewichtige redenen worden onder meer beschouwd veranderingen in de omstandigheden, welke van dien aard zijn, dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.

5. De kantonrechter heeft zich ervan vergewist dat het verzoek geen verband houdt met het bestaan van een opzegverbod.

6. De kantonrechter overweegt dat het vast staat dat [werknemer] nog in een herplaatsingstraject zit dat eerst op 15 januari 2010 eindigt. De kans bestaat dat het niet lukt om [werknemer] binnen Friesland Bank te herplaatsen, en alsdan is er sprake van een verandering in de omstandigheden die de ontbinding kan rechtvaardigen. Maar het is evenzeer mogelijk dat er voor het einde van het herplaatsingstraject bij Friesland Bank wél een geschikte functie voor [werknemer] beschikbaar komt. Het is dus onzeker of [werknemer] wel of niet herplaatst kan worden, hetgeen wordt geïllustreerd door de door Friesland Bank gevraagde intrekkingstermijn respectievelijk de aan de ontbinding te verbinden voorwaarde.

7. De gemachtigde van Friesland Bank heeft ter zitting verklaard dat de kans op herplaatsing gering is, maar dat zich wel een aantal situaties hebben voorgedaan waarin werknemers herplaatst zijn nadat de (pro forma) beschikking waarin de ontbinding onvoorwaardelijk was uitgesproken, in rechte was komen vast te staan. Om de onzekere situatie die alsdan ontstaat -doordat de werknemer aanspraak zou kunnen maken op uitbetaling van de ontbindingsvergoeding en de werkgever zou kunnen vasthouden aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst- te voorkomen, verzoekt Friesland Bank om een intrekkingstermijn te verbinden aan de uit te spreken ontbinding. Volgens Friesland Bank verzet de tekst van art. 7:685 lid 9 BW, noch de ratio van die bepaling, zich tegen het opnemen van een intrekkingstermijn in verband met het nog lopende herplaatsingstraject. Subsidiair verzoekt Friesland Bank om de ontbinding voorwaardelijk uit te spreken per datum einde herplaatsingstraject, en wel onder de voorwaarde dat werknemer niet kan worden herplaatst.

8. Naar het oordeel van de kantonrechter kan op grond van het vaststaande gegeven dat het onzeker is of [werknemer] wel of niet herplaatst kan worden, thans niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld of zich een zodanige verandering in de omstandigheden voordoet dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. Dat de kans op herplaatsing gering zou zijn, zoals Friesland Bank onweersproken heeft gesteld, maakt dit niet anders. Het is en blijft de eigen verantwoordelijkheid van de kantonrechter om op grond van de door partijen aangedragen feiten, vast te stellen of voldaan wordt aan de vereisten voor toepassing van art. 7:685 BW. Toepassing van deze bepaling is, los van de wil van partijen, niet aan de orde indien het bestaan van een gewichtige reden afhankelijk is van een onzekere, toekomstige omstandigheid. Daarom kan de ontbinding niet worden uitgesproken (ten overvloede: ook niet met een intrekkingstermijn of voorwaardelijk), zodat het verzoek zal worden afgewezen.

9. De kantonrechter acht termen aanwezig om de proceskosten tussen partijen te compenseren.

Beslissing

De kantonrechter:

wijst het verzoek af;

compenseert de proceskosten in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gegeven te Heerenveen, en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2009 door mr. P. Schulting, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.

c 209