Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BK1910

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
02-11-2009
Datum publicatie
04-11-2009
Zaaknummer
09/2380
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

verzoek om opheffing van de schorsing als bedoeld in artikel 16, zesde lid, van de Monumentenwet 1988

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 09/2380

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 november 2009 op het verzoek om opheffing van de schorsing als bedoeld in artikel 16, zesde lid, van de Monumentenwet 1988 van:

de Stichting ir. D.F. Woudagemaal,

gevestigd te Leeuwarden,

verzoekster,

in het geding tussen

het bestuur van de Vereniging Wouda- Stoom Gemaal bij Teakesyl,

gevestigd te Grou,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lemsterland.

Procesverloop

Bij brief van 30 juni 2009 heeft het college verzoekster een vergunning verleend als bedoeld in artikel 11 van Monumentenwet 1988 voor het bouwen van een bezoekerscentrum op het perceel Gemaalweg 1 te Lemmer, kadastraal gemeente Lemmer, sectie B, nummer 1933.

De Vereniging Wouda-Stoom Gemaal bij Teakesyl (hierna: de Vereniging) heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank (reg.nr. 09/1883).

Verzoekster heeft zich bij brief van 24 september 2009 tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat de schorsende werking van voornoemd beroep wordt opgeheven.

Het verzoek om opschorting is ter zitting behandeld op 19 oktober 2009. Namens verzoekster zijn ing. A.K.de Boer en mr. H. de Roode verschenen. Namens de Vereniging is ir. F. de Wolf verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Poepjes en G. Kampen.

Motivering

Feiten

1.1 Op 13 augustus 2008 heeft verzoekster een aanvraag om een monumentenvergunning ingediend bij het college. De aanvraag heeft betrekking op het realiseren van een nieuw bezoekerscentrum bij het ir. D.A. Woudagemaal te Lemmer.

1.2 Bij brief van 4 mei 2009 heeft de Vereniging zienswijzen ingediend met betrekking tot de gevraagde monumentenvergunning.

1.3 Bij besluit van 30 juni 2009 heeft het college de vergunning op grond van de Monumentenwet verleend. Het college heeft meegedeeld dat, nu niet conform artikel 16, derde en vierde lid, van de Monumentenwet binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een besluit is genomen, de vergunning van rechtswege is verleend.

1.4 De Vereniging heeft beroep ingesteld tegen voornoemd besluit.

Beoordeling

2.1 Ingevolge artikel 16, zevende lid, van de Monumentenwet 1988, voor zover thans van belang, wordt de werking van de vergunning opgeschort totdat, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist. De vergunninghouder kan de voorzieningenrechter verzoeken de opschorting op te heffen.

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 De voorzieningenrechter stelt voorop dat twijfel bestaat over de vraag of de Vereniging ontvankelijk is in het beroep, dit mede gelet op het behandelde ter zitting met betrekking tot het doel waarvoor de Vereniging is opgericht. De indruk bestaat dat met de oprichting enkel het voeren van procedures tegen de nieuwbouw van het geplande bezoekerscentrum wordt beoogd. De vraag of het door de Vereniging ingestelde beroep ontvankelijk is, leent zich evenwel niet voor beantwoording in deze procedure en zal daarom in het bodemgeschil worden beslist.

2.3 Voor het doorbreken van de schorsende werking als bedoeld in artikel 16, zevende lid, van de Monumentenwet bestaat slechts aanleiding, indien er voldoende aanknopingspunten zijn om te veronderstellen dat de beslissing in beroep in stand zal blijven en ook overigens is gebleken dat degene die om opheffing heeft verzocht door handhaving van de schorsing onevenredig nadeel lijdt. De voorzieningenrechter constateert dat bij het ontwerpen van het nieuwe bezoekerscentrum een aantal deskundigen betrokken is geweest. Voorafgaand aan het van rechtswege ontstaan van de vergunning waren reeds positieve adviezen afgegeven door de Provincie, de monumentencommissie van Hûs en Hiem en de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM). Blijkens deze adviezen voldoet het plan aan de normen, welke ten aanzien van de monumentenzorg en welstand worden gesteld, respecteert het plan de cultuurhistorische waarden en is geen sprake van een werkelijke aantasting van het Rijksmonument maar eerder van een verbetering door de sloop van niet van rijkswege beschermde, jongere aanbouwen. Verder is volgens de adviezen sprake van een positieve ontwikkeling door de keuze voor hoogwaardige nieuwbouw, zowel in vormgeving en detaillering, als in materialisatie, met bovendien een zelfstandig en herkenbaar eigentijds karakter. In de adviezen wordt aandacht gevraagd voor detail en materialisatie, waarbij het uitgangspunt dient te zijn dat de loopbrug, de aanlegvoorzieningen en de hekwerken zo transparant en zo minimalistisch mogelijk moeten worden ontworpen en het behoud van het bestaande vrije uitzicht naar het gemaal en de waterzijde voorop dient te staan.

Hoewel sprake is van een van rechtswege verleende vergunning is ter zitting gebleken dat verzoekster heeft toegezegd zich te zullen houden aan de voornoemde adviezen en de daarin gestelde voorwaarden.

De voorzieningenrechter overweegt dat niet is gebleken dat de genoemde adviezen op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, dan wel anderszins gebreken vertonen waardoor deze niet aan de vergunningverlening ten grondslag gelegd hadden kunnen worden. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat in de procedure geen tegenonderzoek is ingebracht dat een andersluidende veronderstelling ondersteunt.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de monumentenvergunning, ook indien het college binnen de termijn tot vergunningverlening over was gegaan, in redelijkheid verleend had kunnen worden.

2.4 Verzoekster stelt voorts onevenredig nadeel te lijden indien de opschortende werking gehandhaafd blijft. Verzoekster heeft in dat kader toegelicht dat de financiering van het project in gevaar komt indien gewacht moet worden op de uitspraak op het beroep van de Vereniging. De voorzieningenrechter is van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat vertraging van de ontwikkeling en uitvoering van het bouwplan door de beroepsprocedure nadelige consequenties voor de financiering van het gehele plan kan hebben.

2.5 Deze omstandigheden in samenhang bezien met het feit dat voldoende aannemelijk is dat het bestreden besluit in stand kan blijven, brengen naar het oordeel van de voorzieningenrechter met zich mee dat aan de belangen van verzoekster zwaarder gewicht moet worden toegekend dan aan de belangen bij voortdurende werking van de van rechtswege ingetreden schorsing. Het verzoek komt dan ook voor toewijzing in aanmerking.

Proceskosten

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek toe en heft de schorsing van de monumentenvergunning ex artikel 16, zevende lid, van de Monumentenwet op.

Aldus gegeven door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van

mr. E. Nolles als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 november 2009.

w.g. C.H. de Groot

w.g. E. Nolles

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.