Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BK1460

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
29-10-2009
Datum publicatie
03-11-2009
Zaaknummer
AWB 08/2862
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering vrijstelling en bouwvergunning voor zogenoemde hoogzitten. Uitleg bestemmingsplan. Bescherming en instandhouding landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden. Gebrekkige motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 08/2862

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 oktober 2009 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[naam],

wonende te [woonplaats],

eiser, hierna te noemen: [X],

gemachtigde: mr. H.A.M. Lamers, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand Amsterdam,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerenveen,

verweerder, hierna te noemen: het college,

gemachtigde: S. Schotanus, werkzaam bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij brief van 14 november 2008 heeft het college [X] mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Woningwet (Ww) en de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).

Tegen dit besluit heeft [X] beroep aangetekend.

Op grond van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb is [Y] (verder te noemen [Y]) door de rechtbank in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Hij heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 15 september 2009. [X] is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is bij gemachtigde verschenen.

Motivering

De feiten

1.1 Op de percelen van [Y] nabij [plaatselijke aanduiding], kadastraal bekend [kadastrale aanduiding], staan twee houten hoogzitten met een hoogte van 4,5 meter, die zonder bouwvergunning zijn opgericht. [X] is jachthuurder van deze percelen en heeft de hoogzitten daarop geplaatst.

1.2 In een voorwaarschuwingsbrief van 1 juni 2007 heeft het college aan [Y] vier weken de tijd gegeven om de hoogzitten te verwijderen en hem de mogelijkheid geboden om zienswijzen in te dienen. Namens [Y] heeft [X] op 14 juni 2007 zienswijzen ingebracht.

1.3 Bij aanschrijving op grond van artikel 5:32 van de Awb d.d. 9 oktober 2007 heeft het college [Y] gelast de hoogzitten voor 1 december 2007 te verwijderen. Aan deze last heeft het college een dwangsom verbonden van € 1.000,- voor iedere week dat de hoogzitten niet zijn verwijderd, met een maximum van € 25.000,-.

1.4 [X] heeft op 30 januari 2008 ter legalisatie van de hoogzitten een aanvraag bouwvergunning ingediend, waarin de hoogte van de hoogzitten op 2,5 meter is bepaald.

1.5 Bij besluit van 13 mei 2008 heeft het college de verzochte bouwvergunning en daarmee het verzoek om vrijstelling van het bestemmingsplan ex artikel 19, tweede lid, van de WRO, geweigerd overeenkomstig het bepaalde in artikel 19a, derde lid, van de WRO en artikel 44, eerste lid, onder c, van de Ww. [X] heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.6 Op 5 juni 2008 is het nieuwe bestemmingsplan "Buitengebied' in werking getreden. Het bestreden besluit is getoetst aan dit bestemmingsplan. In het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van [X], onder overname van het advies van de commissie bezwaarschriften d.d. 21 oktober 2008, deels gegrond en deels ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college het besluit van 13 mei 2008 in stand gelaten, met aanpassing van de motivering met betrekking tot de hoogte van de hoogzitten. Het college heeft in het bestreden besluit het verzoek van [X] tot vergoeding van de kosten van professioneel verleende rechtsbijstand afgewezen.

Het wettelijk kader

3.1 Artikel 40, eerste lid, van de Ww bepaalt - voor zover hier van toepassing - dat het verboden is te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van het college. Ingevolge artikel 44, aanhef en onder c, van de Ww mag de bouwvergunning alleen en moet deze worden geweigerd, indien het bouwwerk in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen. Ingevolge artikel 46, derde lid, tweede volzin, van de Ww, wordt een aanvraag om een bouwvergunning die slechts kan worden ingewilligd na vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de WRO, geacht mede een verzoek om zodanige vrijstelling in te houden.

3.2 Met ingang van 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening in werking getreden en is de WRO ingetrokken. Volgens het overgangsrecht blijven de bepalingen uit de WRO respectievelijk de Ww van toepassing op aanvragen die zijn ingediend vóór 1 juli 2008.

3.3 Artikel 15 van de WRO luidt als volgt:

1. Bij een bestemmingsplan kan worden bepaald, dat burgemeester en wethouders met inachtneming van de in het plan vervatte regelen bevoegd zijn:

a. van bij het plan aan te geven voorschriften vrijstelling te verlenen;

b. ten opzichte van in het plan omschreven punten nadere eisen te stellen.

2. Bij het plan kan worden bepaald, dat vrijstelling van bepaalde voorschriften slechts kan worden verleend mits vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van de vrijstelling geen bezwaar hebben. Gedeputeerde staten kunnen de verklaring weigeren wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening (…).

Artikel 19, tweede lid, van de WRO houdt in dat Burgemeester en wethouders vrijstelling kunnen verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing. Uit het derde lid volgt dat Burgemeester en wethouders eveneens vrijstelling kunnen verlenen in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.

3.4 Ten tijde van het primaire besluit gold voor de desbetreffende gronden het bestemmingsplan "Buitengebied", waarin deze de bestemming "Landelijk Gebied AA" hadden. In het nieuwe bestemmingsplan "Buitengebied" (hierna: het bestemmingsplan) hebben de desbetreffende gronden de bestemming "Agrarisch gebied 2".

3.5 Artikel 5.1., eerste lid, onder f, van het bestemmingsplan houdt in dat de op de kaart voor Agrarisch Gebied 2 aangewezen gronden bestemd zijn voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke, de natuurlijke en cultuurhistorische waarden van het woud- en hoogveenontginningenlandschap. Artikel 5.2.2, onder d, van het bestemmingsplan bepaalt dat de hoogte van overige gebouwen, geen gebouwen zijnde, buiten het bouwperceel ten hoogste 5,00 meter bedragen.

Het geschil

4.1 Tussen partijen is primair in geschil of de hoogzitten passen binnen het bestemmingsplan. [X] stelt daartoe onder meer dat de hoogzitten binnen het bestemmingsplan passen omdat zij worden gebruikt ten behoeve van extensief dagrecreatief medegebruik (artikel 5.1., eerste lid, onder k, van het bestemmingsplan).

Voorts stelt [X] dat de hoogzitten vallen binnen de bestemming zoals deze in artikel 5.1., eerste lid, onder f, van het bestemmingsplan is aangeduid. Volgens [X] zijn de hoogzitten noodzakelijk bij wildbeheer en schadebeperking. Bezigheden die volgens [X] tot doel hebben de landschappelijke en natuurlijke waarden van het gebied te behouden dan wel te herstellen. Hij stelt dat hij met name jaagt op vossen ter voorkoming van overbevolking en schade aan gewassen en diersoorten in het gebied. [X] is van mening dat het college het besluit onzorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft onderbouwd door te oordelen dat de hoogzitten niet passen binnen het bestemmingsplan.

Ook stelt [X] dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen nu het advies van de commissie bezwaarschriften reeds tot stand was gekomen voordat [X] de stukken over zijn ontheffing voor het beheer van reeën had nagezonden.

4.2 In het bestreden besluit licht het college haar besluit, onder overname van het advies van de commissie bezwaarschriften, als volgt toe:

' De commissie is van oordeel dat er weliswaar enig verband is met de agrarische bedrijfsvoering, maar dit is dan een indirect verband. Naar het oordeel van de commissie kan niet gesproken worden van een bouwwerk voor 'de uitoefening van het agrarisch bedrijf' zoals artikel 5 van de gebruiksvoorschriften zegt.' Voorts hanteert het college in het verweerschrift de volgende onderbouwing van zijn standpunt:

'De gronden zijn in het nu geldende bestemmingsplan bestemd voor de agrarische doeleinden en het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke, de natuurlijke en de cultuurhistorische waarden van het woud- en hoogveenontginningsgebied (…). Bouwwerken mogen alleen worden opgericht ten behoeve van deze bestemming. Zoals eerder in het primaire besluit, maar ook in de aanschrijving betoogd, staat het bouwwerk niet ten dienste van een agrarisch bedrijf. De geplaatste hoogzitten horen niet bij een normale agrarische bedrijfsvoering.'

Omtrent de nagezonden stukken stelt verweerder dat het advies van de commissie bezwaarschriften weliswaar zonder deze stukken tot stand is gekomen, maar dat dit niet betekent dat sprake is van een onzorgvuldig genomen besluit omdat de stukken niet relevant waren voor de beoordeling.

De beoordeling

5.1 Alvorens het geschil inhoudelijk te beoordelen overweegt de rechtbank omtrent de stellingen van [X] over de totstandkoming van het besluit het volgende. De rechtbank is van oordeel dat het gegeven dat de commissie bezwaarschriften heeft geadviseerd voordat de nadere stukken van [X] waren ingekomen, er niet toe leidt dat het besluit vernietigd dient te worden wegens een onzorgvuldige voorbereiding daarvan. Reden hiervoor is dat de ontheffing van [X] voor het beheer van reeën geen deel uitmaakt van de besluitvorming.

5.2 Anders dan [X] aanvoert ten aanzien van het extensief dagrecreatief medegebruik, is de rechtbank van oordeel dat de hoogzitten niet passen onder artikel 5.1., eerste lid, onder k van het bestemmingsplan. Weliswaar kan worden aangenomen dat wildbeheer en schadebeperking door de uitvoerders daarvan als een vorm van ontspanning, dan wel recreatie worden ervaren, zij vallen echter niet binnen de door het college gehanteerde definitie van extensief dagrecreatief medegebruik nu daarin het recreatieve aspect voorop moet staan. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat wildbeheer en schadebeperking naar hun aard geen recreatieve bezigheden zijn.

5.3 Omtrent de stelling van het college dat de hoogzitten niet ten dienste staan van het agrarisch bedrijf of nodig zijn voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf en dus niet binnen het bestemmingsplan passen, overweegt de rechtbank het volgende. Uit artikel 5.1., eerste lid, onder f, van het bestemmingsplan volgt dat de voor Agrarisch gebied 2 aangewezen gronden onder meer bestemd zijn voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke, de natuurlijke en de cultuurhistorische waarden van het woud- en hoogveenontginningenlandschap. Artikel 5.1., eerste lid, onder f, van het bestemmingsplan biedt dus ruimte voor een bredere bestemming van de gronden dan slechts ten dienste van, of benodigd voor, de uitoefening van een agrarisch bedrijf.

Het college heeft ten aanzien daarvan in het bestreden besluit niet nader onderbouwd dat de bouwwerken niet noodzakelijk zijn voor de bescherming en instandhouding van de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden. Uit het bestreden besluit, dan wel het advies van de commissie bezwaarschriften, blijkt bovendien niet dat het wildbeheer en de schadebeperking in relatie tot deze waarden zijn beoordeeld. Ook ter terechtzitting kon de gemachtigde van het college niet aangeven wat moet worden verstaan onder landschappelijke, natuurlijke, dan wel cultuurhistorische waarden in het desbetreffende gebied. Tevens bleef onduidelijk welke activiteiten volgens het college wel zouden vallen onder het behoud, herstel en de ontwikkeling van deze waarden in het woud- en hoogveenontginningenlandschap.

5.4 De rechtbank is dan ook van oordeel dat het college het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank acht het op voorhand niet ondenkbaar dat wildbeheer en schadebeperking noodzakelijk zijn om de landschappelijke en natuurlijke waarden van de gronden te behouden, dan wel te herstellen. Het college had dit aspect in de besluitvorming moeten betrekken. Het beroep zal derhalve gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

5.5 Wanneer het college in zijn hernieuwde heroverweging op bezwaar van oordeel is dat de hoogzitten niet passen binnen het bestemmingsplan, komt het toe aan de beoordeling of een vrijstelling van het bestemmingsplan op grond van de WRO geweigerd mag worden. De rechtbank stelt voorop dat het college een ruime beleidsvrijheid heeft in deze beoordeling. De rechtbank acht het echter wenselijk dat het college in dat geval in de heroverweging op bezwaar ten aanzien van de vrijstelling nader ingaat op de volgende onderwerpen:

- De verrommeling van het landschap; het college dient naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van dit argument tegen verlening van een vrijstelling nader in te gaan op het (natuurlijke) uiterlijk van de houten hoogzitten en hun plaats in de omgeving, namelijk in de nabijheid van bomen en struikgewassen.

- Het alternatief gebruik van mobiele hoogzitten; naar het oordeel van de rechtbank dient het college in de heroverweging in te gaan op de duur waarvoor de mobiele hoogzitten mogen blijven staan. In dat kader is relevant dat het plaatsen en afbreken van deze hoogzitten voor een mogelijke verstoring van de omgeving zorgen, zodat het onwenselijk kan zijn om ze bij ieder bezoek aan het terrein mee te moeten nemen. Ook is relevant dat het jachtseizoen volgens [X] in ieder geval acht maanden per jaar bestrijkt, zodat de vraag opkomt of de hoogzitten het gehele seizoen mogen blijven staan en wat dan het verschil is met permanente plaatsing.

- Het veiligheidsaspect van de hoogzitten; de rechtbank is van oordeel dat in de heroverweging nader in dient te worden gegaan op de stelling van [X] dat de hoogzitten essentieel zijn voor de veiligheid van de jacht met kogels.

5.6 De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van [X] € 644,00 ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (beroepschrift: 1 punt, verschijnen ter zitting: 1 punt, gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 322,00).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat het college aan [X] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 vergoedt;

- veroordeelt het college in de proceskosten van [X] ten bedrage van in totaal € 644,00.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Leegsma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2009.

w.g. J.R. Leegsma

w.g. P.G. Wijtsma

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.