Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BK0227

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
14-10-2009
Zaaknummer
89331 HA ZA 08-419
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Koopovereenkomst. Contractuele boete wegens niet-nakoming. Matiging van de boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 89331 / HA ZA 08-419

Vonnis van 7 oktober 2009

in de zaak van

1. [a],

2. [b],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. R. Teitler, kantoorhoudende te Amsterdam,

tegen

[c],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. J. Pieters, kantoorhoudende te Sneek.

Partijen zullen hierna [a] c.s. en [c] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord.

Bij faxbericht van 30 januari 2009 heeft mr. Pieters medegedeeld dat zijn cliënt niet zal verschijnen tijdens de comparitie van partijen die door de rechtbank op 2 februari 2009 was bepaald en dat hij van zijn cliënt ook geen opdracht heeft gekregen om alsdan namens zijn cliënt te verschijnen. Bij faxbericht van diezelfde datum heeft mr. Teitler medegedeeld dat hij graag in de gelegenheid zou worden gesteld om een akte te nemen. Vervolgens zijn de volgende processtukken gewisseld:

- een akte van de zijde van [a] c.s.

- een antwoordakte van de zijde van [c].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen hebben in de maand september 2007 een koopovereenkomst gesloten, inhoudende dat [a] c.s. het perceel gelegen aan de [adres] te [woonplaats] aan [c] verkoopt voor een koopsom van € 370.000,00 kosten koper. De schriftelijke koopovereenkomst is op 3 september 2007 door [a] c.s. ondertekend en op 11 september 2007 door [c]. In afwijking van deze schriftelijke overeenkomst zijn partijen mondeling overeengekomen dat de levering niet zou plaats vinden op 15 januari 2008 - zoals in de koopovereenkomst was bepaald - maar op 7 december 2007.

2.2. In de schriftelijke koopovereenkomst is onder meer het volgende vermeld:

[…]

Artikel 13 - Ingebrekestelling, ontbinding

Indien één der partijen, na in gebreke te zijn gesteld, gedurende acht dagen na die ingebrekestelling nalatig blijft in de nakoming van zijn uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen zal deze overeenkomst van rechtswege zonder rechterlijke tussenkomst ontbonden zijn, tenzij de wederpartij alsnog van de nalatige partij uitvoering van de overeenkomst verlangt. In beide gevallen zal de nalatige partij ten behoeve van de wederpartij een zonder rechterlijke tussenkomst terstond opeisbare boete verbeuren van 10% van de koopsom, met een minimum van € 5.000,00, onverminderd het recht op verdere schadevergoedingen en vergoeding van kosten van verhaal, waaronder begrepen de kosten van rechtskundige bijstand.

[…]

Artikel 15 - Bedenktijd

1. De koop van een tot bewoning bestemde onroerende zaak of bestanddeel daarvan wordt, indien de koper een natuurlijk persoon is die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, schriftelijk aangegaan.

2. De tussen partijen opgemaakte en ondertekende akte of een afschrift daarvan moet aan de koper ter hand worden gesteld, tegen afgifte aan de verkoper van een gedateerd ontvangstbewijs. Gedurende drie dagen na deze terhandstelling heeft de koper het recht de koop te ontbinden. […]

In de schriftelijke koopovereenkomst is voorts een financieringsvoorbehoud opgenomen. [c] heeft geen, althans niet tijdig een beroep gedaan op dit financieringsvoorbehoud.

2.3. [a] c.s. heeft op 7 september 2007 een woning aan de [adres] te [woonplaats] gekocht. De levering van deze woning zou eveneens op 7 december 2007 plaatsvinden.

2.4. [c] heeft niet meegewerkt aan de juridische levering van het perceel aan de [adres] te [woonplaats]. Ook de op diezelfde dag geplande levering van de door [a] c.s. gekochte woning aan de [adres] te [woonplaats] heeft niet plaatsgevonden. [a] c.s. is diezelfde dag door de verkopers van de woning aan de [adres] te [woonplaats] in gebreke gesteld om alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen. Hieraan heeft hij geen gevolg gegeven.

2.5. In een door [a] c.s. in het geding gebrachte brief van zijn makelaar [d] van 7 december 2007, welke brief is gericht aan [c], is onder meer het volgende vermeld:

[…]

Mijn cliënt wendde zich tot mij met de mededeling dat u in gebreke bent gebleven om uw verplichtingen na te komen. Deze tekortkoming bestaat uit het feit dat u nagelaten hebt mee te werken aan de juridische levering.

Namens mijn cliënt stel ik u hierbij in gebreke. Tevens verzoek en zonodig sommeer ik u om uiterlijk op 14 december 2007 uw tekortkoming op te heffen en uw verplichtingen die voortvloeien uit de koopovereenkomst alsnog na te komen.

[…]

2.6. Bij brief van 18 januari 2008 heeft [a] c.s. de koopovereenkomst met [c] ontbonden, waarbij hij [c] aansprakelijk heeft gesteld voor zijn schade, alsmede de contractuele boete van 10% van de koopsom, te weten een bedrag van € 37.000,00.

2.7. Bij brief van 11 maart 2008 heeft [c] aan [a] c.s. medegedeeld dat hij de financiën niet rond heeft gekregen.

3. De vordering

3.1. De vordering van [a] c.s. strekt er toe, dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [c] zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [a] c.s. te betalen:

1. de verschuldigde hoofdsom van € 62.115,80;

2. de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dit bedrag, vanaf 1 februari 2008 tot aan de dag der algehele voldoening;

3. een bedrag van € 1.788,00 aan buitengerechtelijke kosten;

4. de kosten van dit geding, een salaris van de procureur van [a] c.s. daarin begrepen;

5. waarbij de proceskosten binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis door [c] dienen te zijn voldaan, en - voor het geval voldoening niet binnen bedoelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf het verval van bedoelde termijn voor voldoening;

6. voorts met veroordeling van [c] tot betaling aan [a] c.s. van de na het gewezen vonnis verschuldigde kosten binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, begroot op € 131,00 zonder betekening in conventie of reconventie, begroot op € 205,00 zonder betekening in conventie en reconventie tezamen, telkens te vermeerderen met € 68,00 in geval van betekening van het vonnis en - voor het geval [c] die kosten niet binnen veertien dagen voldoet - te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het verval van die termijn.

3.2. [c] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschil en de beoordeling

4.1. [a] c.s. heeft aangevoerd dat [c] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de in september 2007 gesloten koopovereenkomst door niet mee te werken aan de levering van het perceel aan de [adres] te [woonplaats]. De vordering van [a] c.s. strekt tot betaling van de in artikel 13 van de koopovereenkomst overeengekomen boete van 10% van de koopsom, te weten een bedrag van € 37.000,00. Daarnaast vordert [a] c.s. schadevergoeding ad € 25.115,80, waaronder een bedrag van € 18.000,00 ter zake van de door [a] c.s. aan de verkoper van de woning aan de [adres] te [woonplaats] betaalde boete ter hoogte van € 18.000,00, alsmede rente en (buitengerechtelijke) kosten.

4.2. [c] heeft aangevoerd dat niet is voldaan aan het in artikel 7:2 lid 2 Burgerlijk Wetboek opgenomen vereiste van terhandstelling van de door partijen in september 2007 ondertekende koopovereenkomst. Volgens [c] is ten tijde van de ondertekening van de koopovereenkomst afgesproken dat een kopie van deze koopovereenkomst aan hem zou worden toegestuurd. Omdat dit niet is geschied, is de wettelijke bedenktijd van drie dagen nimmer gaan lopen. [c] roept thans op grond van artikel 7:2 lid 2 Burgerlijk Wetboek de ontbinding van de koopovereenkomst in.

4.2.1. Bij akte heeft [a] c.s. een ontvangstbewijs in het geding gebracht, waarin is vermeld dat koper verklaart dat de door partijen getekende koopakte of een kopie daarvan op 11 september 2007 aan hem ter hand is gesteld. Onderaan dit ontvangstbewijs is vermeld: "De heer G.R. [c]", waaronder een handtekening is geplaatst. Omdat [c] hierop bij antwoordakte niet heeft gereageerd, gaat de rechtbank er op basis van dit stuk vanuit dat [c] de schriftelijke koopovereenkomst op 11 september 2007 heeft ontvangen, zodat de wettelijke bedenktijd van drie dagen op die dag is ingegaan. Omdat de wettelijke - ook in artikel 15 van de koopovereenkomst opgenomen - bedenktijd inmiddels (ruimschoots) is verstreken, komt aan [c] geen beroep op ontbinding van de koopovereenkomst (meer) toe. Het verweer zal dus worden verworpen.

4.3. [c] heeft voorts aangevoerd dat hij nimmer in gebreke is gesteld door [a] c.s. De onder 2.5. geciteerde brief van 7 december 2007 stelt [c] niet te hebben ontvangen. Omdat [c] nimmer in gebreke is gesteld, zoals in artikel 13 van de koopovereenkomst bedoeld, is van verzuim aan de zijde van [c] geen sprake, aldus nog steeds [c].

4.3.1. Bij akte heeft [a] c.s. gesteld dat de betwisting door [c] ongeloofwaardig is. De brief van 7 december 2007 is volgens [a] c.s. daadwerkelijk verzonden aan [c].

4.3.2. De rechtbank constateert dat [c] heeft geweigerd om ter comparitie van partijen aanwezig te zijn, welke comparitie nu juist bij uitstek geschikt zou zijn geweest om partijen te ondervragen omtrent de feitelijke gang van zaken op de geplande leveringsdatum (7 december 2007) en omtrent de op die dag beweerdelijk verstuurde ingebrekestelling. Op grond van artikel 88 lid 4 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan de rechter aan het niet-verschijnen door [c] de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. Gelet op het voorgaande, alsmede gelet op de omstandigheid dat [c] ook heeft betwist dat hij (een kopie van) de schriftelijke koopovereenkomst ter hand gesteld had gekregen, terwijl [a] c.s. vervolgens bij akte een door [c] ondertekende ontvangstbevestiging in het geding heeft gebracht, waarop [c] vervolgens niet heeft gereageerd (ook niet door een verklaring te geven voor een eventuele vergissing aan zijn zijde), acht de rechtbank de stelling van [c] dat hij de brief niet heeft ontvangen niet aannemelijk en zal de rechtbank er van uitgaan dat [c] bij brief van 7 december 2007 in gebreke is gesteld. Het verweer zal dus ook in zoverre worden verworpen.

4.4. Met een beroep op artikel 6:94 Burgerlijk Wetboek heeft [c] de rechtbank voorts verzocht de boete te matigen op de gronden dat er sprake is van een onevenredige verhouding tussen de boete en de schade en dat toewijzing van de vordering zal leiden tot zijn faillissement, dan wel tot een schuldsanering.

4.4.1. De rechtbank stelt voorop dat voor matiging alleen plaats is als de omstandigheden van het geval meebrengen dat de billijkheid dat klaarblijkelijk eist. Dit brengt mee dat de rechter pas van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken indien de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. De rechtbank is van oordeel dat de door [c] aangevoerde gronden onvoldoende zijn om tot matiging van de contractuele boete over te gaan. Het opnemen van een boetebeding in een koopcontract is bij onroerende zaken gebruikelijk en maatschappelijk aanvaard. Hoewel [c] de door [a] c.s. gestelde schade - in totaal een bedrag van € 25.115,80 - bij conclusie van antwoord heeft betwist, heeft [a] c.s. zijn schade ten aanzien van de door hem aan de verkoper van de woning aan de [adres] te [woonplaats] betaalde boete ad € 18.000,00 bij akte nader (met betalingsbewijzen) onderbouwd. Omdat [c] heeft nagelaten om hierop bij antwoordakte in te gaan, zal de rechtbank uitgaan van de juistheid van deze door [a] c.s. gestelde schade. Van een buitensporige wanverhouding tussen de schade en de bedongen boete is dan ook geen sprake. De rechtbank acht voorts van belang dat de tekortkoming op grond waarvan [a] c.s. de koopovereenkomst heeft ontbonden aan [c] kan worden toegerekend. Het ligt immers in de risicosfeer van [c] dat hij, doordat hij niet tijdig de beschikking had over een toereikende financiering en geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om in dat geval een beroep te doen op het in de koopovereenkomst opgenomen financieringsvoorbehoud, de gekochte woning niet op de overeengekomen datum kon afnemen.

4.5. Nu de hiervoor weergegeven verweren niet slagen, zal de vordering van [a] c.s. strekkende tot betaling van de (in artikel 13 van de koopovereenkomst) overeengekomen boete van 10% van de koopsom, te weten een bedrag van € 37.000,00, worden toegewezen. [c] is immers tekort geschoten in zijn verplichtingen uit de koopovereenkomst van september 2007 door het onderhavige perceel aan de [adres] te [woonplaats] niet af te nemen, terwijl voorts aan het in artikel 13 van die koopovereenkomst gestelde vereiste van ingebrekestelling is voldaan. De over de verschuldigde boete gevorderde wettelijke rente vanaf 1 februari 2008 zal als onweersproken worden toegewezen.

4.6. [a] c.s. vordert naast betaling van de boete van € 37.000,00, betaling van de door hem geleden schade ter hoogte van € 25.115,80. Zoals [c] terecht heeft aangevoerd, kunnen de door [a] c.s. gestelde schadeposten blijkens de tekst van artikel 13 van de koopovereenkomst enkel in aanmerking worden genomen voor zover deze meer bedragen dan het bedrag van de bedongen boete. Gelet op de hoogte van de door [a] c.s. gestelde schade - een bedrag van in totaal € 25.115,80 - is de schade dus niet naast de boete van € 37.000,00 toewijsbaar. In zoverre zal de vordering dus worden afgewezen.

4.7. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten ad € 1.788,00 zal worden afgewezen. [a] c.s. heeft - na de betwisting door [c] dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht - niet (voldoende onderbouwd) gesteld dat zij deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt en dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijk wijze samenstellen van het dossier.

4.8. [c] zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. De kosten aan de zijde van [a] c.s. worden vastgesteld op:

- dagvaarding EUR 85,44

- griffierecht 1.410,00

- salaris advocaat 868,50 (1,5 punt x tarief EUR 579,00)

Totaal 2.363,94

Ook de gevorderde nakosten acht de rechtbank toewijsbaar.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [c] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [a] c.s. te betalen een bedrag van € 37.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over dit bedrag, vanaf 1 februari 2008 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.2. veroordeelt [c] in de kosten van het geding, aan de zijde van [a] c.s. vastgesteld op € 1.495,44 aan verschotten en op € 868,50 aan salaris voor de advocaat, te betalen binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis en - voor zover voldoening niet binnen deze termijn zal hebben plaatsgevonden, derhalve voorwaardelijk - te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf het verstrijken van deze termijn van 14 dagen na dagtekening van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening van deze proceskosten,

5.3. veroordeelt [c] om binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis aan [a] c.s. te voldoen de nakosten, zijnde € 131,00 en - indien betekening van dit vonnis plaats vindt en [c] niet binnen 14 dagen na aanschrijving de kosten van betekening, te weten een bedrag van € 68,00 heeft voldaan - verhoogd met een bedrag van € 68,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het verval van genoemde termijnen,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.G. Lautenbach en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2009.?