Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BJ9944

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
08-10-2009
Datum publicatie
12-10-2009
Zaaknummer
AWB 08/1478, 08/1534 en 08/1543
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BN5722, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning en vrijstelling woon- en zorgcentrum

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummers: AWB 08/1478, 08/1534, 08/1543

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 oktober 2009 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

1. [A], [B], de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Wassenaar Supermarkten b.v. en Gebroeders Wassenaar Holding b.v., wonend, respectievelijk gevestigd, te Sint Annaparochie,

eisers sub 1,

gemachtigde: mr. S.A.B. Boer, advocaat te Amsterdam,

2. de stichting Zorggroep Noorderbreedte en Stichting Wonen Noordwest Friesland,

gevestigd te Leeuwarden respectievelijk Sint Annaparochie,

eisers sub 2,

gemachtigde: mr. I. van der Meer, advocaat te Leeuwarden,

3. [C] en 26 anderen,

wonende te Sint Annaparochie,

eisers sub 3,

gezamenlijk te noemen: eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Het Bildt,

verweerder,

gemachtigde: mr. R.C.M. Kamsma, advocaat te Leeuwarden.

Procesverloop

Bij besluit van 2 augustus 2005 heeft verweerder (hierna: het college) aan de stichting "Stichting Zorggroep Noorderbreedte"(hierna: vergunninghouder) vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een woonzorgcentrum op een perceel tussen de Wassenaarsestraat en de Cingel te Sint Annaparochie (hierna: het perceel).

De tegen dit besluit door eisers gemaakte bezwaren heeft het college bij besluit van 30 maart 2006 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 april 2007 (LJN BA3452) heeft deze rechtbank de door eisers daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 24 oktober 2007 (LJN BB6335) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) de hoger beroepen gegrond verklaard en zowel de uitspraak van de rechtbank als het besluit op bezwaar van 30 maart 2006 vernietigd.

Bij besluit van 10 juni 2008 (hierna: besluit A) heeft het college, opnieuw op de tegen het besluit van 2 augustus 2005 door eisers gemaakte bezwaren beslissend, die bezwaren gedeeltelijk gegrond verklaard en dat besluit, onder aanvulling van de motivering, gehandhaafd.

Tegen dit besluit hebben eisers beroep ingesteld.

Bij brief van 10 februari 2009 heeft het college een nieuw besluit, gedateerd 10 februari 2009 (hierna: besluit B), in het geding gebracht en in de plaats gesteld van besluit A. Met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb heeft de rechtbank de beroepen tegen besluit A mede gericht geacht tegen besluit B.

De zaken zijn gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank, meervoudige kamer, gehouden op 23 juni 2009. Namens eisers sub 1 is verschenen [B], bijgestaan door haar gemachtigde. Eisers sub 2 en vergunninghouder hebben zich ter zitting doen vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Namens eisers sub 3 is [C] verschenen. Het college is verschenen bij gemachtigde en W. Terpstra, werkzaam bij verweerders gemeente.

Motivering

Feiten

1.1 Wat betreft de voorgeschiedenis van deze zaak verwijst de rechtbank kortheidshalve naar de eerdergenoemde uitspraken van de rechtbank van 16 april 2007 en de AbRS van 24 oktober 2007. In aanvulling daarop wordt in deze uitspraak volstaan met de vermelding van de navolgende feiten en omstandigheden, die de rechtbank als vaststaand aanneemt.

1.2 Bij besluit van 2 augustus 2005 is door het college aan vergunninghoudster onder toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) een bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten op het perceel van een woon-zorgcentrum, bestaande uit 36 zorgunits voor dementerende ouderen in combinatie met 16 aanleunwoningen, en voor het maken van een fysieke verbinding tussen dat centrum en het naastgelegen bestaande verzorgingstehuis "De Beuckelaer" aan de andere zijde van de Wassenaarsestraat.

1.3 Bij besluit A heeft het college de door eisers daartegen ingediende bezwaren deels gegrond en deels ongegrond verklaard en de vrijstelling en bouwvergunning, onder verbetering van de motivering, gehandhaafd, met dien verstande dat het college alsnog ontheffing heeft verleend als bedoeld in artikel 2.5.30, vierde lid, aanhef en onder b, van de bouwverordening van de gemeente Het Bildt (hierna: de bouwverordening). Voorts heeft het college bij afzonderlijk besluit van 10 juni 2008, met toepassing van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, twee zogenaamde maatwerkvoorschriften vastgesteld ten aanzien van de aan de overzijde van het bouwplan gelegen en door eisers sub 1 geëxploiteerde supermarkt.

1.4 Bij besluit van 16 september 2008 hebben Gedeputeerde Staten van Fryslân (GS) opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Het Bildt bij besluit van 22 december 2005 vastgestelde bestemmingsplan "St. Annaparochie". Hierbij hebben GS opnieuw goedkeuring gehecht aan het plan, wat betreft de bestemming "wooncentrum" voor zover dat voorziet in de uitbreiding van het woonzorgcomplex, na de vernietiging door de AbRS bij uitspraak van 19 september 2007 van het eerdere goedkeuringsbesluit ter zake. Tegen het goedkeuringsbesluit is beroep bij de AbRS ingesteld op grond van artikel 28, zevende lid, van de WRO. Een door eisers sub 1 ingediend verzoek om een voorlopige voorziening ten aanzien van het goedkeuringsbesluit is door de Voorzitter van de AbRS bij uitspraak van 29 januari 2009 afgewezen. Gelet hierop is het nieuwe bestemmingsplan - hoewel nog niet in rechte onaantastbaar - inmiddels in werking getreden.

1.5 Bij besluit B heeft het college besluit A gewijzigd, in die zin dat de vrijstelling niet wordt gehandhaafd, omdat het bestemmingsplan "St. Annaparochie" in werking is getreden en het bouwplan in overeenstemming is met dit bestemmingsplan.

Formele overwegingen

2.1 Eisers betwisten de bevoegdheid van verweerder om, hangende het beroep tegen besluit A, dat besluit te wijzigen en te vervangen door besluit B. Naar het oordeel van de rechtbank is in artikel 6:18, eerste lid, in samenhang bezien met artikel 6:19 van de Awb geen grond te vinden voor het oordeel dat, na de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan "St. Annaparochie", een wijziging van besluit A niet plaats zou mogen vinden, in die zin dat het college, na te hebben geconstateerd dat het bouwplan in overeenstemming was met dit bestemmingsplan, niet mocht besluiten de verleende vrijstelling van het oude bestemmingsplan in te trekken en het nieuwe bestemmingsplan als toetsingskader voor de vergunningverlening te nemen.

2.2 Nu verweerder besluit A niet langer handhaaft, hebben eisers naar het oordeel van de rechtbank geen belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van dat besluit. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat eisers nog een rechtens te honoreren belang hebben bij de beoordeling van hun beroepen tegen besluit A. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de beroepen van eisers, voor zover gericht tegen besluit A, niet-ontvankelijk verklaard moeten worden wegens het ontvallen van procesbelang.

2.3 Voorts ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of eisers sub 2 nog belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroep tegen besluit B. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. De rechtbank stelt vast dat de gronden die deze eisers in beroep hebben aangevoerd, gelet op hun beroepschrift, en hetgeen ook door hen ter zitting desgevraagd is bevestigd, uitsluitend betrekking hebben op de vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO die het college heeft verleend ten behoeve van het onderhavige bouwplan. Aangezien deze vrijstelling bij het bestreden besluit is ingetrokken en de rechtbank evenmin is gebleken dat eisers sub 2 overigens nog processueel belang hebben bij de beoordeling van het beroep, dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard wegens het vervallen van procesbelang.

2.4 Vergunninghoudster heeft betoogd dat nader moet worden onderzocht of alle eisers sub 3 hun beroep willen handhaven en of zij allen (nog) ontvangen kunnen worden in hun beroep. Opgemerkt wordt dat de door hun gemachtigde [C] overgelegde handtekeningenlijst afkomstig is uit 2006. Dit betoog faalt. Daartoe overweegt de rechtbank dat eisers sub 3 allen zijn ontvangen in hun bezwaar, beroep en hoger beroep ter zake de onderhavige bouwvergunning en er geen enkele reden is thans anders te oordelen over hun belanghebbendheid en procesbelang bij het thans bestreden besluit B. Daarbij merkt de rechtbank op dat geen van eisers sub 3 heeft aangegeven het beroep te willen intrekken.

Hoorplicht ten aanzien van besluit B

3.1 Eisers betogen met succes dat het college hen, alvorens opnieuw op het bezwaar te beslissen, niet heeft gehoord en daarmee in strijd heeft gehandeld met artikel 7:2, eerste lid, van de Awb.

3.2 Naar vaste rechtspraak van de AbRS, zie onder meer haar uitspraak van 17 maart 2003 (LJN AR2513), is in artikel 7:2, eerste lid, van de Awb geen algemene verplichting opgenomen tot het opnieuw horen bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar. Dit neemt echter niet weg dat het onder omstandigheden uit een oogpunt van zorgvuldigheid noodzakelijk kan zijn om belanghebbenden voor het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar opnieuw te horen. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke situatie zich hier voordoet. De nieuwe beslissing op bezwaar steunt op een andere grondslag, namelijk het nieuwe bestemmingsplan "St. Annaparochie". Eisers zijn met betrekking tot deze nieuwe grondslag van het besluit, die aanleiding kan geven tot geheel andere grieven dan de oorspronkelijke grondslag, niet eerder in de gelegenheid gesteld hun bezwaren (mondeling) naar voren te brengen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het college uit het oogpunt van zorgvuldigheid opnieuw had moeten horen. Anders dan het college heeft betoogd, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat eisers door niet opnieuw te worden gehoord niet in hun belangen zijn geschaad.

3.3 Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat eisers ten onrechte niet door verweerder in de gelegenheid zijn gesteld te worden gehoord als bedoeld in artikel 7:2, eerste lid, van de Awb. De rechtbank zal derhalve het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:2 Awb vernietigen. Aangezien eisers naar het oordeel van de rechtbank in de loop van de procedure afdoende in de gelegenheid zijn gesteld hun grieven tegen het bestreden besluit naar voren te brengen, zal de rechtbank, met het oog op de proceseconomie, onderzoeken of er grond is de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit, onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, in stand te laten. Daartoe wordt het navolgende overwogen.

Het geschil

4.1 Eisers stellen zich op het standpunt dat de bouwvergunning in strijd is met bestemmingsplan. Voorts stellen eisers sub 1, exploitanten van een aan de overzijde van de Cingel gelegen supermarkt, dat uit herhaalde metingen blijkt dat ter plaatse van het woonzorgcentrum een goed woon- en leefklimaat wat de geluidssituatie betreft niet is verzekerd en dat hun bedrijfsvoering door de realisering van het woonzorgcentrum ernstig zal worden beperkt of geschaad. Voorts stellen eisers dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Ter onderbouwing van dit standpunt hebben eisers sub 1 verwezen naar het door hen overgelegde tegenadvies van de Drentse welstandscommissie Drents Plateau van 24 april 2009. Ten slotte hebben zij aangevoerd dat het bouwplan in strijd is met de gemeentelijke bouwverordening, omdat het bouwplan in onvoldoende parkeergelegenheid op eigen terrein voorziet. Er wordt beslag gelegd op 16 openbare parkeerplaatsen, hetgeen gelet op de bestaande parkeerdruk onaanvaardbaar is. De vereiste ontheffing had daarom moeten worden geweigerd, aldus eisers.

4.2 Het college is van mening dat het bouwplan past in het bestemmingsplan en voldoet aan redelijke eisen van welstand. Daarbij heeft het college zich gebaseerd op de adviezen van Hûs en Hiem van 15 juni 2005 en 13 mei 2009. Verder stelt het college zich op het standpunt dat het in redelijkheid ontheffing heeft kunnen verlenen van de bouwverordening. Volgens het college blijkt uit onderzoek van het onderzoeksbureau DHV dat in de omgeving van het woonzorgcentrum voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn.

Wettelijk kader

5.1 Met ingang van 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden en met ingang van die datum is de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) ingetrokken. Volgens het overgangsrecht blijven de bepalingen uit de WRO respectievelijk de Woningwet van toepassing op aanvragen om bouwvergunning die zijn ingediend vóór 1 juli 2008.

5.2 In artikel 44, eerste lid, van de Woningwet, zoals die gold tot 1 juli 2008, is bepaald - voor zover hier relevant - dat de reguliere bouwvergunning slechts mag en moet worden geweigerd indien:

a. het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft niet voldoet aan het Bouwbesluit 2003;

b. het bouwen niet voldoet aan de bouwverordening;

c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria van de gemeentelijke welstandsnota, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend;

e. voor het bouwen een vergunning op grond van de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend.

5.3 Ingevolge artikel 12a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet, zoals dat gold ten tijde hier van belang en voor zover thans van belang, stelt de gemeenteraad een welstandsnota vast, inhoudende beleidsregels waarin in ieder geval de criteria zijn opgenomen die burgemeester en wethouders toepassen bij hun beoordeling of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of standplaats, waarop de aanvraag om bouwvergunning betrekking heeft, in strijd zijn met redelijke eisen van welstand.

5.4 Op het perceel waarop het onderhavige bouwplan betrekking heeft, rust volgens het geldende bestemmingsplan "St. Annaparochie" de bestemming "wooncentrum". Gronden met deze bestemming zijn ingevolge artikel 14.1.1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften onder meer bestemd voor gebouwen ten behoeve van een bejaarden- verpleeg- en/of verzorgings(te)huis en aanleun- c.q. seniorenwoningen. Ingevolge artikel 14.2.1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zullen de gebouwen binnen een bouwvlak worden gebouwd. Voorts is onder b bepaald dat de hoogte van de gebouwen ten hoogste de op de kaart in het bouwvlak aangegeven hoogte zal bedragen. Op de plankaart is binnen het bouwvlak deels een hoogte van 12 meter en deels een hoogte van 16 meter aangegeven.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de planvoorschriften wordt bij de toepassing van de voorschriften de (bouw-)hoogte/de nokhoogte van een bouwwerk gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een bouwwerk, met uitzondering van kleine bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

Ingevolge artikel 1, onder 58, sub a, van de planvoorschriften (begripsbepalingen) wordt, voor zover hier relevant, voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst in deze voorschriften onder peil verstaan: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang.

Ingevolge artikel 2.2 van de planvoorschriften worden bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen binnen bouwvlakken of bestemmingsvlakken ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken, alsmede erkers over maximaal de halve gevelbreedte, ingangspartijen, luifels, balkons en galerijen buiten beschouwing gelaten, mits de bouw- c.q. bestemmingsgrens met niet meer dan 1,50 meter wordt overschreden.

Het bestemmingsplan

6.1 Met betrekking tot de beroepsgrond van eisers dat het bouwplan strijdig is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, overweegt de rechtbank het volgende.

6.2 Het college betoogt allereerst dat deze beroepsgrond wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moet worden gelaten, nu deze grond eerst ter zitting nader is onderbouwd. Dit betoog faalt. De rechtbank overweegt in dit verband dat uit de gedingstukken en het ter zitting verhandelde blijkt dat aan de vergunninghouder inmiddels een tweede bouwvergunning is verleend voor een identiek bouwplan en dat eisers in het kader van de bezwaarschrifprocedure met betrekking tot dit bouwplan concrete argumenten wat betreft de strijdigheid van het bouwplan met het bestemmingsplan naar voren hebben gebracht. Het college was derhalve bekend met de nadere onderbouwing van deze beroepsgrond. Voorts heeft het college op de argumenten ook inhoudelijk gereageerd. In dit verband wijst de rechtbank erop dat de naar voren gebrachte argumenten in de procedure terzake het identieke bouwplan in opdracht van het college aan een nadere toetsing zijn onderworpen door juridisch adviseur H. Helbig, werkzaam bij de gemeente Leeuwarden. De hiervan opgemaakte rapportage van 15 mei 2009 heeft het college vervolgens zelf op 11 juni 2009 in het onderhavige geding ingebracht. Onder deze omstandigheden valt niet in te zien waarom in dit geval niet zou zijn voldaan aan de vereisten van een goede procesorde. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om deze beroepsgrond bij de beoordeling van dit geding buiten beschouwing te laten. Dit is enkel anders voor het eerst ter zitting aangevoerde argument dat het bouwplan strijdt met het bestemmingsplan, aangezien de luifels en balkons het bouwvlak overschrijden. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat eisers dit argument niet in een eerder stadium van de procedure naar voren hebben kunnen brengen, in welk geval het college hierop (ter zitting) naar behoren inhoudelijk had kunnen reageren. Gelet hierop laat de rechtbank dit punt buiten beschouwing wegens strijd met de goede procesorde.

6.3 Voor zover eisers betogen dat sprake is van overschrijding van de maximale bouwhoogte als gevolg van de liftopbouw met 0,95 meter, faalt dit betoog. In artikel 2.1, eerste lid, van de planvoorschriften is bepaald dat kleine bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen niet worden meegerekend bij de bepaling van de hoogte van een bouwwerk. Aangezien in de planvoorschriften geen limitatieve opsomming is gegeven van kleine bouwonderdelen waarvoor geldt dat de bouwhoogte mag worden overschreden, kan de onderhavige liftopbouw, gelet op de wel genoemde voorbeelden en de omvang van de liftbouw in relatie tot het gebouw als geheel, naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als een klein bouwonderdeel als bedoeld in dit artikel. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de liftopbouw terecht niet is betrokken in de berekening van de hoogte.

6.4 Evenzeer faalt de stelling van eisers dat de op de plankaart aangegeven maximale bouwhoogte van 12 meter op bepaalde punten wordt overschreden. In dit verband merkt de rechtbank allereerst op dat eisers tevergeefs betogen dat het college bij de bepaling van de hoogte van het gebouw een onjuist peil als uitgangspunt heeft genomen. Gelet op de plaatselijke situatie dient het peil in het onderhavige geval, nu de hoofdtoegang van het bouwplan grenst aan de openbare weg, overeenkomstig het bepaalde in artikel 1, onder 58, van de planvoorschriften, te worden bepaald op de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang. Gelet hierop heeft het college naar het oordeel van de rechtbank het peil op juiste wijze vastgesteld. Hiervan uitgaande en gelet op de gedingstukken, waaronder de bouwtekeningen en de daarop ter zitting gegeven toelichting, alsmede de door Helbig gegeven reactie op dit argument, heeft het college naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat de hoogte van het bouwplan binnen de maximaal toelaatbare bouwhoogte van het bestemmingsplan blijft.

6.5 Eisers betogen evenmin met succes dat de uitbouw in de gevel in de vorm van een erker over twee bouwlagen in strijd is met het bestemmingsplan wegens overschrijding van het bouwvlak. In dit verband overweegt de rechtbank dat het college ter zitting aan de hand van de bouwtekeningen genoegzaam uiteen heeft gezet dat de bedoelde erker niet over meer dan de halve gevelbreedte wordt gerealiseerd. Gelet hierop kan deze erker worden aangemerkt als een ondergeschikt bouwdeel als bedoeld in artikel 2.2 van de planvoorschriften, zodat de overschrijding van het bouwvlak voor wat betreft de erker buiten beschouwing moet worden gelaten. Het bouwplan is op dit punt dan ook in overeenstemming met het bestemmingsplan.

6.6 Gezien het vorenstaande ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan.

Welstand

7.1 Eisers stellen dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand. Zij baseren zich daarbij op het advies van de welstandscommissie Drents Plateau van 24 april 2009.

7.2 Het standpunt van het college dat deze beroepsgrond buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat deze grond in de voorgaande procedures over het onderhavige bouwplan niet is aangevoerd, vindt geen steun in het recht, in het bijzonder niet in artikel 6:13 van de Awb. Evenmin staat de goede procesorde eraan in de weg deze beroepsgrond in de beoordeling te betrekken. In dit verband acht de rechtbank van belang dat het college naar aanleiding van deze beroepsgrond nader advies heeft gevraagd aan de welstandscommissie Hûs en Hiem en derhalve inhoudelijk daarop heeft kunnen reageren. De rechtbank ziet daarom geen reden waarom zij niet mede op grondslag van deze beroepsgrond uitspraak zou kunnen doen. De rechtbank zal daarom hierna op de bedoelde beroepsgrond ingaan.

7.3 De rechtbank stelt voorop dat naar vaste jurisprudentie, bijvoorbeeld de uitspraak van de AbRS van 22 maart 2006 (LJN AV6236), als regel bij de welstandstoetsing aan het advies van de welstandscommissie groot gewicht moet worden toegekend. Hoewel verweerder niet aan het welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor de welstandstoetsing bij hem berust, mag hij aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij een tegenadvies wordt overgelegd van een ander deskundig te achten persoon of instantie. Dit is slechts anders, indien het welstandsadvies naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder het niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen.

7.4 Gelet hierop en uitgaande van het gegeven dat aan het college bij de toepassing van het welstandsvereiste een ruime mate van beleidsvrijheid toekomt, is de rechtbank van oordeel dat het college zich bij zijn oordeel omtrent de welstand in redelijkheid op het door Hûs en Hiem uitgebrachte positieve welstandsadvies van 15 juni 2005 heeft mogen baseren. Niet gebleken is dat het advies van Hûs en Hiem niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen dan wel anderszins naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, waardoor geoordeeld zou moeten worden dat het college dit advies niet aan zijn besluit ten grondslag mocht leggen. Anders dan eisers sub 1 hebben gesteld, dwingt het enkele feit dat de Drentse welstandscommissie Drents Plateau een andere visie heeft op het bouwplan, er niet toe dat aan het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde welstandsadvies de dragende grond is komen te ontvallen. In dit verband acht de rechtbank van belang dat Hûs en Hiem naar aanleiding van het tegenadvies van Drents Plateau haar eerder ingenomen standpunt op 13 mei 2009 gemotiveerd heeft gehandhaafd en dat uit die nadere motivering blijkt dat het bouwplan is getoetst aan de toepasselijke criteria van de gemeentelijke welstandsnota. Voorts overweegt de rechtbank dat de invulling van deze toetsingscriteria door Hûs en Hiem de rechtbank niet onjuist voorkomt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het gaat om criteria met een grote interpretatieruimte. Gelet hierop heeft Hûs en Hiem naar het oordeel van de rechtbank voldoende draagkrachtig gemotiveerd waarom het bouwplan voldoet aan de in de welstandsnota genoemde toetsingscriteria. Het college heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand.

Parkeerontheffing

8.1 Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Op grond van het vierde lid, aanhef en onder b, kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte wordt voorzien.

8.2 Tussen partijen is niet in geschil dat de parkeerbehoefte van het bouwplan 31 parkeerplaatsen bedraagt. Voorts staat vast dat 15 parkeerplaatsen op het bij het woonzorgcomplex behorende terrein zijn voorzien.

8.3 Aan het standpunt dat ten behoeve van de overige 16 parkeerplaatsen ontheffing krachtens artikel 2.5.30, vierde lid, aanhef en onder b, van de bouwverordening kan worden verleend, heeft het college het rapport van 19 maart 2008, nader aangevuld op 6 juni 2008, 14 augustus 2008 en 25 mei 2009, van het onderzoeksbureau DHV ten grondslag gelegd. In dit rapport zijn de resultaten weergegeven van het onderzoek naar de bezetting van de thans aanwezige openbare parkeerplaatsen in de nabije omgeving van de nieuwbouw, het centrumgebied west, en de gevolgen van de nieuwbouw voor de toekomstige parkeersituatie. Blijkens voornoemd rapport zijn daartoe in februari 2008 door Bonotraffics op verschillende tijdstippen tellingen verricht en is aan de hand daarvan, met behulp van de kengetallen van de Stichting Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (CROW), berekend dat in de omgeving van het bouwplan na realisatie van het bouwplan voldoende parkeergelegenheid voorhanden is.

8.4 Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het rapport van DHV onvolledig is dan wel onzorgvuldig tot stand is gekomen of dat daaraan anderszins gebreken kleven. Er bestaat, anders dan eisers stellen, geen grond voor het oordeel dat de verrichte tellingen vanwege de gekozen dagen een onvoldoende representatief beeld geven van de parkeerdruk in het onderzoeksgebied. Blijkens het rapport hebben de tellingen plaatsgevonden op verschillende tijdstippen, die maatgevend zijn voor de parkeerdruk ter plaatse. Weliswaar is de zaterdagmorgen niet in het onderzoek betrokken, maar in de door eisers overgelegde foto's en klantgegevens zijn onvoldoende aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat de parkeerdruk op dit tijdstip in relevante mate afwijkt van de wel in het onderzoek betrokken tijdstippen. Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat de tellingen op zichzelf onjuist zijn. Verder hebben eisers gesteld dat de parkeerdruk onjuist is berekend, maar niet nader onderbouwd waarom de daarbij door DHV gehanteerde kencijfers van CROW, die algemeen aanvaard zijn, in dit geval niet kunnen worden gehanteerd om de parkeerdruk van de omgeving van het bouwplan te berekenen. Ook overigens is in het betoog van eisers geen grond te vinden voor het oordeel dat er reden is om aan de parkeertellingen en de uitkomst van het onderzoek door de DHV te twijfelen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat DHV in zijn nadere rapporten van 6 juni 2008, 14 augustus 2008 en 25 mei 2009 uitgebreid is ingegaan op de door eisers geplaatste kanttekeningen bij de conclusies en bevindingen van het verrichte onderzoek. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat eisers hun betoog niet hebben onderbouwd met een door een ter zake deskundige opgesteld rapport, is de rechtbank van oordeel dat het college het onderzoek van DHV aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen.

8.5 Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat op andere wijze dan bepaald in artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening in de nodige parkeerbehoefte wordt voorzien en dat het college derhalve in redelijkheid voor het bouwplan ontheffing als bedoeld in het vierde lid kon verlenen.

Conclusies

9.1 Dat de bouwvergunning zou moeten worden geweigerd op één van de overige gronden genoemd in artikel 44 van de Woningwet is gesteld noch gebleken.

9.2 Naar het oordeel van de rechtbank doet zich dan ook geen van de weigeringsgronden van artikel 44 Woningwet voor. Uit het dwingendrechtelijk systeem van de Woningwet vloeit voort dat het college gehouden is de gevraagde bouwvergunning te verlenen. In een dergelijke situatie is er dan ook geen ruimte voor het college om een nadere belangenafweging te plegen. Dit betekent dat de bezwaren van eisers inzake de geluidssituatie ter plaatse geen rol kunnen spelen in de beoordeling omtrent de afgifte van de bouwvergunning.

9.3 De conclusie van de rechtbank is dat het college terecht en op goede gronden aan vergunninghoudster bouwvergunning heeft verleend voor de oprichting van een woonzorgcentrum.

9.4 Voorts heeft het college terecht en op goede gronden geweigerd om de door eisers sub 1 in bezwaar gemaakte kosten op grond van artikel 7:15 van de Awb te vergoeden, nu het primaire besluit van 2 augustus 2005 niet is herroepen, zoals artikel 7:15, tweede lid, van de Awb vereist.

9.5 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand laten.

9.6 Met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb veroordeelt de rechtbank het college in de proceskosten van eisers sub 1. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de proceskosten van eisers sub 1 vastgesteld op € 644,00 ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (beroepschrift 1 punt, verschijnen ter zitting 1 punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 322,00). De rechtbank ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling ten aanzien van eisers sub 3.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen van eisers, voor zover gericht tegen besluit A, niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep van eisers sub 2 (registratienummer 08/1534), voor zover gericht tegen besluit B, niet-ontvankelijk;

- verklaart de beroepen van eisers sub 1 en 3 (registratienummers 08/1478 en 08/1543), voor zover gericht tegen besluit B, gegrond en vernietigt dit besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

- bepaalt dat het college het door eisers sub 1 en 3 betaalde griffierecht ten bedrage van respectievelijk € 288,00 en € 145,00 vergoedt.

- veroordeelt het college in de proceskosten van eisers sub 1 tot een bedrag van € 644,00.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, voorzitter, en door mrs. C.H. de Groot en E.M. Visser, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T. Hoekstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2009.

w.g. T. Hoekstra

w.g. P.G. Wijtsma

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.