Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BJ8817

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
29-07-2009
Datum publicatie
29-09-2009
Zaaknummer
272246 \ CV EXPL 09-604
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op verzoek werknemer lager uurloon overeengekomen dan CAO voorschrijft. Werknemer wilde zijn WAO-uitkering niet in gevaar brengen. Later komt werknemer alsnog met loonvordering. Kantonrechter: de loonafspraak in beginsel nietig wegens strijd met de CAO, behoudens bijzondere omstandigheden die maken dat handhaving van de CAO naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dergelijke omstandigheden doen zich hier voor, aangezien de afspraak op initiatief van werknemer tot stand is gekomen, strekte tot behartiging van diens belangen en verder niet is gebleken dat werknemer onder druk van omstandigheden heeft gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0731

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector kanton

Locatie Heerenveen

zaak-/rolnummer: 272246 \ CV EXPL 09-604

vonnis van de kantonrechter d.d. 29 juli 2009

inzake

[werknemer],

hierna te noemen: [werknemer],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. H.B.Th. Koekkoek,

tegen

Gialt de Vries, h.o.d.n. G.K.H. Uitzendbureau en schoonmaakbedrijf,

hierna te noemen: De Vries,

wonende te Lemmer,

gedaagde,

gemachtigde: mr. H.D.M. Brandsma.

Procesverloop

1.1 Op de bij dagvaarding vermelde gronden heeft [werknemer] gevorderd om De Vries te veroordelen tot betaling van:

? € 7.046,63 bruto aan loon;

? € 2.871,41 netto aan bijdragen Tijdspaarfonds;

? € 4.959,02 netto aan wettelijke verhoging;

? de wettelijke rente over voormelde bedragen vanaf 3 juni 2008;

? € 952,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;

? de kosten van deze procedure.

1.2 De Vries heeft bij antwoord de vordering betwist.

1.3 Na repliek, dupliek en een akte uitlating productie zijdens [werknemer] is vonnis bepaald op de stukken, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

1.4 Door [werknemer] en De Vries zijn producties in het geding gebracht.

Motivering

de feiten

2.1 Als gesteld en erkend, dan wel als niet of onvoldoende weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud der overgelegde producties staat het volgende vast.

2.2 De Vries exploiteert een uitzendbureau en schoonmaakbedrijf. [werknemer] is bij De Vries in dienst geweest van 23 oktober 2006 tot en met 4 januari 2008 voor 40 uur per week op basis van een arbeidsovereenkomst met uitzendbeding.

2.3 In voormelde arbeidsovereenkomst is (onder meer) het volgende bepaald:

"(…)

Functie: Timmerman

Cao functie groep: 3 (bouwbedrijf)

Bruto loon per uur: € 10,96

(…)

Op deze uitzendovereenkomst is de CAO voor het bouwbedrijf van toepassing. (…)"

2.4 De Vries heeft gedurende het dienstverband het loon van [werknemer] betaald op basis van het uurloon van € 10,96. Tijdens zijn dienstverband met De Vries had [werknemer] ook recht op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

het geschil

2.5 [werknemer] heeft -samengevat- het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. De Vries heeft hem niet volgens de CAO betaald. In plaats van een uurloon van € 10,96 had [werknemer] een CAO-conform uurloon moeten ontvangen dat oploopt van € 13,20 tot € 13,73. Bijgevolg is er eveneens te weinig afgedragen aan het Tijdspaarfonds. Aangezien De Vries niet bereid was tot een regeling in der minne, vordert [werknemer] tevens de wettelijke verhoging op grond van art. 7:625 van het Burgerlijk Wetboek (BW), alsmede buitengerechtelijke incassokosten.

2.6 De Vries heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De Vries stelt -samengevat- dat het loon van € 10,96 is overeengekomen op verzoek van [werknemer], omdat anders zijn WAO-uitkering in gevaar zou komen. De stortingen op het Tijdspaarfonds hebben wel plaatsgevonden, zoals blijkt uit de loonspecificaties die door [werknemer] in het geding zijn gebracht.

de beoordeling

2.7 In reactie op het verweer van De Vries dat het loon van € 10,96 op verzoek van [werknemer] is overeengekomen, heeft [werknemer] slechts aangevoerd dat het nooit de bedoeling was minder te verdienen dan de CAO voorschrijft en dat de afspraak over het uurloon op grond van art. 12 van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst (Wcao) nietig is. Hiermee kan [werknemer] echter niet volstaan. De Vries heeft uitgebreid gemotiveerd onder welke omstandigheden de afspraak over het uurloon van € 10,96 tot stand is gekomen. [betrokkene], uitvoerder bij Noppert B.V. te Heerenveen, heeft De Vries -zo stelt deze- benaderd met het verzoek om een dorpsgenoot van hem (de kantonrechter begrijpt: van die [betrokkene]) aan het werk te helpen via een constructie waarbij De Vries als formele werkgever zou optreden. Tijdens de onderhandelingen heeft [werknemer] gezegd dat hij op advies van zijn financieel adviseur slechts € 10,96 per uur mocht verdienen met het oog op de uitkering die hij genoot, aldus De Vries. De avond na de onderhandelingen is De Vries gebeld door voormelde financieel adviseur, die met klem benadrukte dat het uurloon van [werknemer] maximaal € 10,96 mocht bedragen, wilde de WAO-uitkering in stand blijven. De Vries heeft geantwoord dat hij daarover later geen problemen wilde hebben, waarop de financieel adviseur De Vries verzekerde dat [werknemer] erg blij was met de hem geboden kans om weer toe te treden tot het arbeidsproces, aldus De Vries. De Vries heeft aangeboden zijn stellingen te bewijzen door het horen van met name genoemde getuigen. Naar het oordeel van de kantonrechter lag het op de weg van [werknemer] om, in reactie op de feitelijke stellingen van De Vries, zijn ontkenning van de door De Vries geschetste gang van zaken nader feitelijk te preciseren en te onderbouwen en/of met een gespecificeerd bewijsaanbod te komen. Nu echter [werknemer] dit één en ander heeft nagelaten, zal de kantonrechter [werknemer] niet tot bewijsvoering toelaten en als vaststaand aannemen dat het uurloon van € 10,96 op uitdrukkelijk verzoek van [werknemer] is afgesproken, om reden dat [werknemer] zijn WAO-uitkering niet in de waagschaal wilde stellen.

2.8 De kantonrechter stelt voorop dat de door [werknemer] en De Vries in afwijking van de CAO gemaakte afspraak in beginsel nietig is, behoudens zodanig zwaarwegende omstandigheden dat handhaving van de CAO naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Naar het oordeel van de kantonrechter doen zich in dit geval dergelijke zwaarwegende omstandigheden voor. Hiertoe overweegt de kantonrechter dat [werknemer] zich, alvorens met De Vries afspraken te maken over het uurloon en voordat hij bij De Vries in dienst is getreden, heeft laten adviseren door een financieel adviseur. Ingegeven door zijn streven om zijn WAO-uitkering niet in gevaar te brengen, heeft [werknemer] willens en wetens met De Vries afgesproken om voor € 10,96 per uur te gaan werken. Onder deze omstandigheden oordeelt de kantonrechter dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat De Vries na afloop van het dienstverband, wanneer [werknemer] kennelijk tot het voortschrijdend inzicht is gekomen dat zijn WAO-uitkering bij een hoger uurloon toch niet in gevaar zou zijn gekomen, een aanmerkelijk bedrag aan achterstallig loon (en wettelijke verhoging) zou moeten betalen aan [werknemer]. Gesteld noch gebleken is dat [werknemer] de afspraak over het uurloon van € 10,96 heeft gemaakt onder druk van de omstandigheden of dat hij anderszins zijn wil niet (goed) heeft kunnen bepalen. Het gaat dan ook niet aan dat [werknemer] op een later moment naar zijn believen op de juist in zijn belang gemaakte afspraak terugkomt en De Vries daarvan de rekening prestenteert. De loonvordering zal daarom worden afgewezen.

2.9 Ten aanzien van de vordering van € 2.871,41 netto aan bijdragen Tijdspaarfonds, overweegt de kantonrechter als volgt. [werknemer] stelt dat De Vries geen inhoudingen op het loon van [werknemer] heeft afgedragen aan het Tijdspaarfonds en dat [werknemer] door De Vries niet eens is aangemeld bij het Tijdspaarfonds. Evenmin heeft De Vries rechtstreeks bedragen aan hem betaald, aldus [werknemer]. De Vries heeft ten verwere heeft gesteld dat hij aan zijn verplichtingen tot het doen van stortingen in het Tijdspaarfonds heeft voldaan, maar de kantonrechter is van oordeel dat De Vries dit verweer vooralsnog onvoldoende heeft onderbouwd. Weliswaar zijn op de salarisspecificaties (die zich onder de gedingstukken bevinden) betalingen wegens "Tijdsparen vakantiegeld" en "Tijdsparen vakantiedagen" op bankrekeningnummers 499157370 respectievelijk 423275364 vermeld, maar daarmee is nog niet aangetoond dat deze betalingen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Bovendien lijkt het verweer van De Vries, zoals weergegeven in onderdeel 3 van de conclusie van antwoord, op twee gedachten te hinken. Enerzijds stelt De Vries dat uit de salarisspecificaties blijkt dat de juiste bedragen aan het Tijdspaarfonds zijn afgedragen, maar anderzijds stelt De Vries dat op verzoek van [werknemer] contante betalingen aan [werknemer] hebben plaatsgevonden, wederom om reden van diens WAO-uitkering.

2.10 Gelet op het voorgaande zal De Vries bij akte in de gelegenheid worden gesteld zich er nader (en met stukken onderbouwd) over uit te laten op welke wijze hij aan zijn verplichtingen tot het doen van stortingen in het Tijdspaarfonds heeft voldaan. Tevens kan De Vries zich bij die gelegenheid uitlaten over het antwoord op de vraag welke bedragen gedurende het dienstverband van [werknemer], uitgaande van het uurloon van € 10,96, aan het Tijdspaarfonds hadden moeten worden afgedragen en in hoeverre dit is gebeurd. [werknemer] kan hierop bij antwoordakte reageren.

2.11 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

Beslissing

De kantonrechter:

3.1 verwijst de zaak naar de rol van 12 augustus 2009 voor het nemen van een akte aan de zijde van De Vries als bedoeld in r.o. 2.10, waarna [werknemer] bij antwoordakte kan reageren;

3.2 houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. R. Giltay, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 juli 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 209