Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BJ8789

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
29-09-2009
Datum publicatie
29-09-2009
Zaaknummer
17/885166-09 VEV
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHLEE:2010:BM0459, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Adoptiezaak, illegale adoptie, mensenroof.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector straf

parketnummer 17/885166-09 VEV

verkort vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 29 september 2009 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 15 september 2009.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.M. Westerhuis, advocaat te Drachten.

Telastelegging

Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het onder 1., 2., 3. en 4. telastegelegde;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk.

Rechtsoverwegingen

Feit 1

Telastegelegd is artikel 278 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Dit artikel luidt: "Hij die iemand over de grenzen van het Rijk in Europa voert, met het oogmerk om hem wederrechtelijk onder de macht van een ander te brengen of om hem in hulpeloze toestand te verplaatsen, wordt, als schuldig aan mensenroof, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie." Het in dit artikel en de telastelegging vermelde oogmerk van het onder de macht van een ander brengen, heeft de betekenis van het brengen onder de macht van een ander dan de pleger van dit feit (vgl. NJ 1994, 231 en NJ 2005, 331). Nu verdachte als (mede)pleger van de telastegelegde en bewijsbare handeling is aan te merken, is niet voldaan aan voornoemd vereiste zodat het bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert. Verdachte zal dan ook met betrekking tot dit onderdeel van het bewezenverklaarde moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De telastelegging vermeldt eveneens de tweede vorm van mensenroof, te weten het in hulpeloze toestand verplaatsen van de weggevoerde persoon. Er is sprake van een hulpeloze toestand wanneer er gevaar voor leven of gezondheid optreedt, terwijl de hulpbehoevende zichzelf de noodzakelijke zorg niet kan verschaffen en deze ook niet ontvangt van hen die daartoe verplicht en in staat zijn. Uit de stukken blijkt niet dat verdachte of de medeverdachte de nodige zorg heeft onthouden aan het kind [naam kind]. Dit onderdeel van de telastelegging is dan ook niet bewijsbaar.

Feit 2

Telastegelegd is het opzettelijk onttrekken van een minderjarige aan het wettig over haar gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over haar uitoefende.

De officier van justitie heeft in haar requisitoir gesteld dat de telastegelegde periode in verband met de rechtsmacht beperkt moet worden tot de periode van 27 januari 2008 tot en met 29 januari 2008. De rechtbank constateert dat dit ook aansluit bij de in de telastelegging omschreven feitelijkheden. De vraag die beantwoord moet worden is wie in die periode bekleed was met het wettig gezag over de minderjarige, dan wel wie dit gezag in die periode bevoegd uitoefende. Daarna moet worden vastgesteld of de minderjarige onttrokken is aan dat gezag.

Uit de stukken blijkt dat in het Filippijnse geboorteregister verdachte en de medeverdachte staan geregistreerd als de ouders van het kind. Op basis van die inschrijving is aannemelijk dat verdachte en de medeverdachte in de Filippijnen als het wettig gezag zijn aangemerkt. Wanneer de rechtbank hieraan voorbijgaat omdat uit de stukken eveneens blijkt dat verdachte en de medeverdachte niet de biologische ouders van het kind zijn, dan is het aannemelijk dat het wettig gezag berust bij de eveneens in de stukken genoemde biologische moeder. Uit de stukken blijkt voorts dat de genoemde biologische moeder haar kind vrijwillig heeft toevertrouwd aan medeverdachte en/of haar familieleden. Daarmee was het kind voor verzorging en opvoeding toevertrouwd aan het opzicht van medeverdachte en/of haar familieleden die daarmee dat gezag desbevoegd uitoefenden. Uit de stukken blijkt voorts dat de biologische moeder op een niet duidelijk vast te stellen datum zou zijn overleden. Wie naar Filippijns recht als het wettig gezag moet worden beschouwd na het overlijden van de biologische moeder, blijkt niet uit de stukken. Er blijkt alleen dat het kind niet door anderen is weggehaald bij de familieleden van medeverdachte.

Op basis van het vorenstaande kan de rechtbank niet vaststellen wie (zo dit al iemand anders was dan verdachte en/of de medeverdachte) op 27 januari 2008 -de dag waarop het kind naar Nederland is overgebracht door de medeverdachte- het wettig gezag of het bevoegd opzicht over het kind uitoefende en daarmee kan de rechtbank evenmin vaststellen dat verdachte het kind zonder toestemming van de daartoe bevoegde persoon, opzettelijk heeft onttrokken aan het door die onbekende ander/anderen uitgeoefende wettig gezag of bevoegd opzicht. Verdachte zal van dit feit worden vrijgesproken nu de rechtbank dit niet bewezen acht.

Feit 3

De telastelegging is gebaseerd op artikel 236, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De tekst daarvan luidt: "Hij, die door enige handeling opzettelijk eens anders afstamming onzeker maakt, wordt als schuldig aan verduistering van staat, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de vierde categorie." In het derde lid van dit artikel heeft de wetgever een voorwaarde gesteld waaraan dient te zijn voldaan voordat het recht op vervolging ontstaat.

De officier van justitie heeft gesteld dat dit derde lid in de onderhavige zaak niet van toepassing is gezien de samenloop met artikel 225 Sr. De rechtbank komt op basis van het arrest van de Hoge Raad van 21 mei 1957 (NJ 1957, 483) tot het oordeel dat de hiervoor genoemde stelling van de officier van justitie niet juist is. De strekking van genoemd arrest is dat de officier van justitie niet gebonden is aan de in het derde lid van artikel 236 genoemde voorwaarde bij vervolging op grond van artikel 225 of 227 Sr, ook niet indien de gepleegde feitelijkheden tevens het in artikel 236, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf zouden opleveren. In de onderhavige zaak heeft de officier van justitie 'rechtstreeks' het misdrijf van artikel 236 Sr telastegelegd waardoor ook het derde lid van dit artikel van toepassing is.

De rechtbank moet nu beoordelen of de officier van justitie kan worden ontvangen in de vervolging ten aanzien van dit feit, gezien het in het derde lid genoemde voorbehoud. Het derde lid luidt als volgt: "Vervolging heeft niet plaats dan nadat een verzoek tot inroeping of tot betwisting van staat is gedaan en de burgerlijke rechter daarop een eindbeslissing heeft gegeven. Indien het verzoek echter door het stilzitten van partijen onvoldoende voortgang vindt, kan vervolging ook plaats hebben nadat de burgerlijke rechter heeft beslist dat er een begin van bewijs is."

Uit de stukken blijkt niet dat één van de hiervoor genoemde civiele procedures is gevoerd, zodat de officier van justitie niet kan worden ontvangen in de vervolging ten aanzien van dit feit. De rechtbank heeft hierbij uitdrukkelijk in aanmerking genomen dat de wetgever destijds de situatie waarbij het gaat om een in het buitenland opgemaakte akte van de burgerlijke stand kennelijk niet voor ogen had bij de formulering van het derde lid. De rechtbank ziet hierin echter geen reden te komen tot een ander oordeel nu het de wetgever is die grenzen heeft gesteld aan de vervolging ter zake van dit feit en het ook de wetgever hoort te zijn die beslist of deze grens voor de situatie als de onderhavige kan worden opgeheven.

Feit 4

Telastegelegd is enerzijds het valselijk opmaken of vervalsen van een geboorteakte en anderzijds het gebruik maken van die valse of vervalste geboorteakte.

Uit de stukken blijkt dat het valselijk opmaken of vervalsen van de geboorteakte heeft plaatsgevonden op 13 november 2006 in de Filippijnen. De telastelegging ziet op de periode van 19 januari 2007 tot en met 29 januari 2008 en vermeldt als pleegplaats Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden en/of/althans in Nederland. Het telastegelegde valselijk opmaken of vervalsen kan daarmee niet worden bewezen.

Voor het telastegelegde gebruik maken van die valse of vervalste geboorteakte komt de rechtbank tot het oordeel dat de telastegelegde handeling van het overleggen van de vervalste geboorteakte aan een medewerkster van de Nederlandse Ambassade ter verkrijging van een Machtiging Voorlopig Verblijf evenmin bewijsbaar is nu voornoemde ambassade niet in Leeuwarden en/of/althans elders in Nederland is gelegen.

Het telastegelegde overleggen ten behoeve van de inschrijving van het kind in de Gemeentelijke Basisadministratie van de gemeente Leeuwarden als dochter van verdachte en de medeverdachte acht de rechtbank bewijsbaar zodat het onder 4. telastegelegde feit ten aanzien van dit onderdeel bewezen kan worden verklaard als hieronder is weergegeven.

Ten aanzien van het bewezenverklaarde onderdeel dient nog het volgende te worden opgemerkt. De wetgever heeft in artikel 225, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht aan het strafbare gebruik maken van een vals of vervalst geschrift ex artikel 225, eerste lid, als extra eis gesteld dat het geschrift gebruikt moet worden als ware het echt en onvervalst. Nu dit bestanddeel van de delictsomschrijving niet is telastegelegd, levert het bewezenverklaarde geen strafbaar feit op zodat verdachte ten aanzien van dit feit dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1. en 4. telastegelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 29 oktober 2006 tot en met 29 januari 2008, tezamen en in vereniging met een ander, een meisje, door verdachte en verdachtes mededader genoemd [naam kind] (verondersteld geboren te zijn op [geboortedatum]) vanuit de

Filippijnen over de grenzen van het Rijk in Europa heeft gevoerd met het oogmerk die [naam kind] wederrechtelijk onder de macht van een ander dan haar biologische moeder, namelijk van hem, verdachte en zijn vrouw, [medeverdachte], te brengen, door die [naam kind] met een valse identiteit, terwijl zij

in de Filippijnen verbleef, met een vliegtuig van Manilla naar Schiphol te brengen;

4.

hij in de periode van 19 januari 2007 tot en met 29 januari 2008 te Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse geboorteakte - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen-,

bestaande die valsheid hierin dat in die akte in strijd met de waarheid was vermeld dat

- het kind, [naam kind] was geheten en

- het kind op [geboortedatum] was geboren en

- het kind was geboren uit [medeverdachte] en de vader is genaamd: [verdachte]

bestaande dat gebruik maken hierin dat verdachte en zijn mededader voornoemde valse geboorteakte ten name van die [naam kind], aan een medewerkster van de Afdeling Burgerzaken van de gemeente Leeuwarden heeft overgelegd ten behoeve van de inschrijving van die [naam kind] in de Gemeentelijke Basisadministratie van de gemeente Leeuwarden als dochter van hem, verdachte en verdachtes mededader.

De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Op de gronden als hiervoor weergegeven komt de rechtbank tot het oordeel dat de bewezenverklaarde feiten niet kunnen worden gekwalificeerd en niet opleveren enig strafbaar feit zodat verdachte ten aanzien van deze feiten dient te worden ontslagen van alle strafvervolging.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van het onder 3. telastegelegde feit.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2. is telastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1. en 4. telastegelegde bewezen als voormeld doch niet te zijn strafbare feiten.

Ontslaat verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. de Jong, voorzitter, mr. H. van der Werff en mr. K. Bunk, rechters, bijgestaan door mr. L.S. Gosselaar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 september 2009.