Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BJ7619

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
24-08-2009
Datum publicatie
15-09-2009
Zaaknummer
AWB 09/771 en 09/772
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

opleggen van een onderzoek naar de geschiktheid; schorsing van de geldigheid van het rijbewijs; geldige reden voor verhindering; tijdelijk adres

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummers: AWB 09/771 & 09/772

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 augustus 2009 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in de gedingen tussen

[naam]

wonende te [woonplaats]

eiser,

gemachtigde: mr. M.R. Rauwerda, advocaat te Leeuwarden,

en

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR),

verweerder,

gemachtigde: B.R.J. de Haan, werkzaam bij verweerder,

Procesverloop

Bij brief van 23 februari 2009 heeft verweerder eiser in kennis gesteld van zijn beslissing op bezwaar met betrekking tot het opleggen van een onderzoek naar de geschiktheid en met betrekking tot de schorsing van de geldigheid van het rijbewijs van eiser. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank. Het beroep is geregistreerd onder nummer 09/772.

Bij brief van 10 februari 2009 heeft verweerder eiser in kennis gesteld van zijn beslissing op bezwaar met betrekking tot de ongeldigverklaring van het rijbewijs van eiser. Ook tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank. Het beroep is geregistreerd onder nummer 09/771. De zaken zijn gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 25 juni 2009. Namens eiser is mr. G. van Mastrigt, kantoorgenoot van eisers gemachtigde, verschenen.

Motivering

Feiten

1.1 Naar aanleiding van een mededeling van de politie Fryslân van 29 oktober 2008 heeft verweerder op 12 november 2008 besloten dat eiser zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid, vereist voor het besturen van de categorieën motorvoertuigen waarvoor hem een rijbewijs is afgegeven. Daarnaast heeft verweerder de geldigheid van het rijbewijs van eiser geschorst tot de dag waarop het besluit omtrent de geschiktheid wordt genomen.

1.2 Voornoemd besluit is genomen naar aanleiding van een diverse voorvallen die hebben plaatsgevonden over een langere periode en onder andere in oktober 2008. Uit de in het dossier opgenomen mutatierapporten blijkt dat eiser onder psychiatrische behandeling staat en veelvuldig in contact treedt met de politie met verwarde verhalen en waanideeën over vermeende achtervolgingen en spionage. Onder andere hebben verbalisanten eiser op 15 oktober 2008 een motorrijtuig zien besturen en hem vervolgens verwarde verhalen horen vertellen over een hydrostatische bom in de hemel en de mededeling dat Hare Majesteit binnenkort een schrijven van hem zal krijgen met een verzoek tot een veiligheidsonderzoek in verband met foute collega's en de aanwezigheid van Russische spionnen in ons land. Verweerder heeft naar aanleiding hiervan aan verweerder mededeling gedaan van het vermoeden dat eiser niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een motorrijtuig.

1.3 Eiser heeft tegen de beslissing van 12 november 2008 bezwaar gemaakt. Het bezwaar is op 23 februari 2009 ongegrond verklaard.

1.4 Inmiddels heeft verweerder eiser bij brief van 5 december 2008 opgeroepen om op 12 januari 2009 bij een psychiater in Leek te verschijnen voor het onderzoek naar de geschiktheid. Eiser heeft de oproep, aangetekend verzonden naar het adres Hooizolder 165 te Drachten, niet afgehaald. Bij besluit van 20 januari 2009 heeft verweerder besloten tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, omdat eiser niet heeft meegewerkt aan het onderzoek naar de geschiktheid.

1.5 Eiser heeft tegen de beslissing van 20 januari 2009 bezwaar gemaakt. Het bezwaar is op 10 februari 2009 ongegrond verklaard.

Geschil

2.1 Eiser stelt dat het besluit tot het opleggen van een onderzoek en tot schorsing van de geldigheid van het rijbewijs op onjuiste gronden is genomen, aangezien geen sprake is van een zodanige psychische toestand dat het onverantwoord is dat hij een auto bestuurt. Volgens eiser wordt dit standpunt ondersteund door een verklaring van zijn behandelend psychiater en door een verklaring van de psychiater die hem in het kader van de eigen verklaringsprocedure heeft onderzocht. Die eigen verklaringsprocedure is inmiddels positief afgerond en eiser heeft een nieuw rijbewijs aangevraagd.

Ten aanzien van de ongeldigverklaring van het rijbewijs stelt eiser dat hij ten tijde van de oproep tijdelijk verbleef in een instelling van de GGZ-Friesland. Eiser stelt dat hij zijn nieuwe adres heeft doorgegeven. In het bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 12 november 2008 heeft hij melding gemaakt van zijn tijdelijke verblijfplaats. Voorts stelt eiser dat sprake was van een geldige reden voor verhindering doordat hij verbleef in een instelling voor geestelijke gezondheidszorg.

2.2 Volgens verweerder is de beslissing tot het opleggen van een onderzoek terecht genomen, nu op basis van de feiten en omstandigheden het vermoeden van ongeschiktheid voldoende aannemelijk is gemaakt. Voorts is volgens verweerder voldaan aan de criteria voor het schorsen van de geldigheid van het rijbewijs.

Verweerder stelt ten aanzien van de ongeldigverklaring van het rijbewijs dat ten tijde van het besluit van 20 januari 2009 is niet gebleken van een geldige reden van verhindering. Eiser heeft weliswaar in zijn bezwaarschrift melding gedaan van zijn tijdelijke verblijfplaats, maar daarbij niet aangegeven dat het een opname in een instelling voor geestelijke gezondheidszorg betreft. Eiser heeft van zijn opname pas mededeling gedaan nadat de datum voor het onderzoek al was verstreken. Voorts stelt verweerder dat eiser niet tijdig zijn adreswijziging aan het CBR heeft doorgegeven en dat de consequenties hiervan voor risico van eiser dienen te komen.

Beoordeling van het geschil

Wettelijk kader

3.1 Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW 1994) doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling (de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid, hierna: de Regeling) worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is.

3.2 Ingevolge artikel 131, eerste lid, van de WVW 1994, voor zover hier van belang, besluit het CBR, indien een in artikel 130, eerste lid, van die wet bedoelde schriftelijke mededeling is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.

3.3 Ingevolge artikel 131, derde lid, aanhef en onder a, van de WVW 1994 wordt bij het besluit, bedoeld in het eerste lid, in de gevallen, bedoeld in artikel 130, derde lid, de geldigheid van het rijbewijs van betrokkene voor een of meer categorieën van motorrijtuigen geschorst tot de dag waarop het in artikel 134, derde lid, bedoelde besluit van kracht wordt.

3.4 Artikel 6, derde lid van de Regeling bepaalt onder andere dat het CBR besluit dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid in geval van feiten of omstandigheden als genoemd in bijlage I, onderdeel B. Geschiktheid, bij de Regeling, met uitzondering van die vermeld onder "Alcohol".

Als feiten of omstandigheden worden in bijlage I, onderdeel B. onder andere genoemd:

a. verwardheid, geheugenstoornissen, oriëntatiestoornissen.

3.5 Ingevolge artikel 7 van de Regeling schorst het CBR in de gevallen bedoeld in artikel 5 overeenkomstig artikel 131, derde lid onder a, van de WVW de geldigheid van het rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen. Ingevolge artikel 5 wordt de geldigheid van het rijbewijs onder andere geschorst indien

c. er zijn duidelijke aanwijzingen dat betrokkene lijdt aan een aandoening waardoor hij geestelijk en/of lichamelijk niet goed functioneert, dan wel ernstige psychiatrische problemen ondervindt, hetgeen bij twijfel bevestigd wordt door een medisch deskundige.

3.6 Ingevolge artikel 132, eerste lid, van de WVW 1994, voor zover thans van belang, is degene die zich ingevolge het in artikel 131, eerste lid, bedoelde besluit dient te onderwerpen aan een onderzoek, verplicht de daartoe vereiste medewerking te verlenen.

3.6 Artikel 133, tweede lid, van het Reglement rijbewijzen, bepaalt dat indien betrokkene niet op de voor het onderzoek vastgestelde tijd en plaats aanwezig is, tijd en plaats opnieuw worden vastgesteld, tenzij naar het oordeel van het CBR geen sprake is van een geldige reden van verhindering.

3.7 Ingevolge artikel 132, tweede lid, van de WVW 1992, voor zover thans van belang, besluit het CBR bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde medewerking onverwijld tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de houder.

Beoordeling ten aanzien van de beslissing tot het opleggen van een onderzoek naar de geschiktheid en de schorsing van de geldigheid van het rijbewijs.

4.1 De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval terecht een onderzoek naar de geschiktheid heeft opgelegd. De in de stukken vermelde feiten en omstandigheden vormen voldoende grond voor het vermoeden over de geestelijke geschiktheid als bedoeld in artikel 130, eerste lid van de WVW 1994. De gedragingen die eiser vertoonde en de uitspraken die hij heeft gedaan kunnen naar het oordeel van de rechtbank onmiskenbaar gekwalificeerd worden als verwardheid. De rechtbank benadrukt dat enkel een vermoeden van ongeschiktheid al genoeg is om het opleggen van een onderzoek te rechtvaardigen.

4.2 De rechtbank is van oordeel dat de genoemde feiten en omstandigheden de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van duidelijke aanwijzingen dat betrokken lijdt aan een aandoening waardoor hij geestelijk niet goed functioneert. Op grond van deze omstandigheden in samenhang beschouwd heeft het verweerder terecht de conclusie getrokken dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 5 van de Regeling. De uitkomsten van het onderzoek dat eiser inmiddels heeft ondergaan en waaruit blijkt dat hij ondanks een psychiatrische stoornis verantwoord een auto kan besturen doen niet af aan de duidelijke aanwijzigen die er ten tijde van de schorsing van de geldigheid van het rijbewijs waren. De opname in een instelling voor geestelijke gezondheidszorg in november 2008 kan in dit verband naar het oordeel van de rechtbank gezien worden als een bevestiging hiervan.

4.3 De rechtbank concludeert dat het beroep tegen de na bezwaar gehandhaafde beslissing betreffende het opleggen van een onderzoek en betreffende de schorsing van de geldigheid van het rijbewijs ongegrond is en dat de bestreden beslissing van 29 februari 2009 in stand kan blijven.

Beoordeling ten aanzien van de ongeldigverklaring van het rijbewijs

5.1 Vaststaat dat ten aanzien van eiser is besloten dat hij verplicht is mee te werken aan een onderzoek naar de rijvaardigheid en dat hij bij dit onderzoek op 12 januari 2009, waarvoor hij bij brief van 5 december 2008 is opgeroepen, niet is verschenen.

5.2 Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat het verblijf van eiser in een instelling voor geestelijke gezondheidszorg een geldige reden van verhindering zou opleveren.

5.3 De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn bezwaarschrift van 13 december 2008, ruim vóór de onderzoeksdatum, melding heeft gemaakt van zijn tijdelijke adres [tijdelijk adres]. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de opgave door eiser van zijn tijdelijke adres had moeten verwerken en een kopie van de reeds verstuurde kennisgeving van het onderzoek ook naar dit tijdelijke adres had moeten sturen. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiser niet worden tegengeworpen dat hij niet de exacte reden voor zijn tijdelijke adres heeft opgegeven. Verweerder heeft zich, gegeven de omstandigheden van het onderhavige geval, in redelijkheid niet op het standpunt kunnen stellen dat eiser zonder geldige reden van verhindering niet bij dit onderzoek is verschenen.

5.4 Dit oordeel brengt met zich mee dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit van 10 februari 2009 moet worden vernietigd.

5.5 Met toepassing van artikel 8:75 van de Awb veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van eiser € 644,= terzake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (beroepschrift één punt; verschijnen ter zitting één punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 322,00). De rechtbank wijst het CBR aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden. Aangezien in deze procedure aan eiser een toevoeging krachtens de Wet op de rechtsbijstand is verleend, dient het (gehele) bedrag van de kosten te worden betaald aan de griffier van de rechtbank.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep in de zaak met registratienummer 09/772 ongegrond;

- verklaart het beroep in de zaak met registratienummer 09/771 gegrond;

- vernietigt de bestreen beslissing op bezwaar van 10 februari 2009;

- bepaalt dat het CBR het betaalde griffierecht van € 150,00 aan eiser vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 644,00, aan de griffier van de rechtbank te vergoeden door het CBR.

Aldus gegeven door mr. C.H. de Groot, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P.R.M. Poiesz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2009.

w.g. P.R.M. Poiesz

w.g. C.H. de Groot

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.