Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BJ7616

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
24-08-2009
Datum publicatie
15-09-2009
Zaaknummer
AWB 09/1410
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

handhaving Ameland

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 09/1410

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 augustus 2009 als bedoeld in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[naam],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ameland,

verweerder,

gemachtigde: R. Korvemaker, werkzaam bij verweerders gemeente,

Procesverloop

Bij brief van 8 juni 2009 heeft verweerder verzoeker mededeling gedaan van een besluit betreffende het opleggen van een last onder dwangsom. Verzoeker heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Tevens heeft verzoeker zich bij brief van 10 juli 2009 tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is ter zitting behandeld op 10 augustus 2009. Verzoeker en zijn broer, [naam], zijn in persoon verschenen. Namens verweerder is genoemde gemachtigde verschenen.

Motivering

Feiten

1.1 Verzoeker is hobbyboer op Ameland. Bij besluit van 8 juni 2009 heeft verweerder verzoeker aangeschreven om vóór 21 juli 2009 tot verwijdering over te gaan van een zonder bouwvergunning geplaatst bouwwerk aan het Kerkpad te Hollum op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag tot een maximum van € 5000,00 zolang de overtreding voortduurt. Het bouwwerk betreft een deels open overkapping van 8 meter lang en 3,5 meter breed, met een hoogte van 1.7 meter aan de dichte kant (wegkant) en 1.8 meter aan de kant gericht naar het weiland. Verzoeker stalt hierin landbouwmaterialen.

1.2 Verzoeker heeft tegen de aanschrijving bezwaar gemaakt en aan de voorzieningenrechter gevraagd de opgelegde dwangsom op te schorten.

Geschil

2.1 Verzoeker stelt dat de problematiek rond bergingsmogelijkheden voor materialen van zogenaamde hobbyboeren al jaren speelt. Hij voelt zich overvallen door het dwangsombesluit zonder enig overleg. In 2007 heeft hij al eens een zienswijze gegeven ten aanzien van de overkapping, waarop helemaal niet is gereageerd. Verzoeker stelt voorts dat de toenmalige wethouder, P.IJnsen, hem tijdens een gesprek in 2005 heeft toegezegd dat het plaatsen van een afdak met een maximale hoogte van 1.80 meter is toegestaan. Ook wijst verzoeker er op dat in het gebied rond Hollum meerdere vergelijkbare bouwwerken in het weiland staan. Verzoeker heeft van deze bouwwerken foto's gemaakt en aan de rechtbank gezonden.

2.2 Volgens verweerder is de overkapping in strijd met artikel 40 van de Woningwet zonder bouwvergunning gebouwd. Ten aanzien van de informatie door de wethouder stelt verweerder dat uit navraag is gebleken dat de wethouder wel met verzoeker heeft gesproken over de mogelijkheden voor het bouwen van een opslag voor materialen, maar dat daarbij ook randvoorwaarden zijn gesteld. Verzoeker heeft volgens verweerder onvoldoende hard gemaakt dat hem is toegezegd dat gebouwd mocht worden, mits niet hoger dan 1.80 meter. Verder stelt verweerder dat op basis van in 1999 vastgesteld beleid in de notitie "Hokkeboel" handhavend wordt opgetreden tegen illegaal geplaatste schuren en overkappingen in het buitengebied. Van vergelijkbare gevallen waarin niet wordt opgetreden is volgens verweerder geen sprake. Voor één van de door verzoeker genoemde bouwwerken is een bouwvergunning verleend, andere gevallen zijn zo oud dat ze ongemoeid gelaten zullen worden en tegen de overige gevallen zal alsnog handhavend worden opgetreden, aldus verweerders gemachtigde.

Beoordeling van het geschil

3.1 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om verzoeker te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening. Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter.

3.2 Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de hoofdzaak luidt dat het bezwaar tegen het aangevallen besluit gegrond verklaard zal moeten worden.

3.3 Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

3.4 Niet in geschil is dat verweerder bevoegd het besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom te nemen, nu de overkapping gebouwd is zonder een hiervoor benodigde bouwvergunning. Voorts heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat legalisatie in dit geval niet mogelijk is gelet op de hier van toepassing zijnde bestemmingsplanbepalingen.

3.5 Ten aanzien van de toezegging die door de destijds bevoegde wethouder P.J. IJnsen zou zijn gedaan overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Niet in geschil is dat IJnsen met verzoeker heeft gesproken over de mogelijkheden voor de bouw van een overkapping. Volgens verweerder zou hij daarbij echter randvoorwaarden hebben gesteld. Ter zitting heeft verweerders gemachtigde desgevraagd aangegeven dat één van de randvoorwaarden was dat de overkapping niet zichtbaar mocht zijn vanaf de openbare weg. Verzoeker ontkent dit en ook de voorzieningenrechter acht deze randvoorwaarde gezien de omstandigheden ter plaatse, het gaat om een perceel weiland in open buitengebied, niet erg waarschijnlijk. Wat de overige randvoorwaarden geweest zijn kon de gemachtigde van verweerder niet zeggen. Onder deze omstandigheden acht de voorzieningenrechter het mede uit oogpunt van zorgvuldigheid aangewezen dat verweerder nader onderzoek instelt naar de inhoud van de toezegging zoals die door IJnsen is gedaan.

3.6 Daarbij is de voorzieningenrechter van mening dat in het kader van de bezwaarprocedure nog ingegaan moet worden op de door verzoeker genoemde gelijke gevallen. Niet duidelijk is voor welke van de op foto's getoonde overkappingen bouwvergunning is verleend en hoe lang de genoemde overkappingen al in het landschap aanwezig zijn. Ook de overkapping van verzoeker is geruime tijd ongemoeid gelaten en verweerder zal nader moeten motiveren waarom daartegen wel en tegen andere "oude" gevallen niet handhavend wordt opgetreden.

3.7 De voorzieningenrechter acht het gelet op het vorenstaande niet mogelijk om tot een voorlopig oordeel in de hoofdzaak te komen. In zo'n geval dient in beginsel beoordeeld te worden of de uitvoering van het aangevallen besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich brengt in verhouding tot het belang van verweerder bij onmiddellijke uitvoering van het besluit. In dit geval zijn de belangen van verzoeker bij opschorting van het dwangsombesluit voor de duur van de bezwaarprocedure groter dan de belangen van verweerder bij onmiddellijke uitvoering van dit besluit. Het bestreden besluit wordt daarom geschorst tot twee weken nadat de beslissing op bezwaar op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, met dien verstande dat wanneer binnen die termijn opnieuw een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is ingediend, de schorsing doorloopt totdat de voorzieningenrechter op dat verzoek heeft beslist.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst het bestreden besluit tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar, met dien verstande dat wanneer binnen die termijn opnieuw een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is ingediend, de schorsing doorloopt totdat de voorzieningenrechter op dat verzoek heeft beslist;

- bepaalt dat de gemeente Ameland het betaalde griffierecht van € 150,00 aan verzoeker vergoedt.

Aldus gegeven door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van

mr. P.R.M. Poiesz, als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2009.

w.g. P.R.M. Poiesz

w.g. C.H. de Groot

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.