Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BJ6697

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
26-08-2009
Datum publicatie
02-09-2009
Zaaknummer
91054 / HA ZA 08-674
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van geldlening. Verbondenheid voor een gelijk deel. Ontbinding overeenkomst. Verzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 91054 / HA ZA 08-674

Vonnis van 26 augustus 2009

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. B.P.C. de Jong,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. M.J. Buitenhuis.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- het proces-verbaal van comparitie van 23 februari 2009

- akte wijziging eis

- akte

- antwoordakte wijziging eis.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Tussen [eiser] enerzijds en [gedaagde] en zijn toenmalige echtgenote [x] (hierna: [x]) anderzijds is op 8 januari 2007 een schriftelijke overeenkomst van geldlening gesloten, op grond waarvan [eiser] een bedrag van € 30.000,00 aan [gedaagde] en [x] heeft geleend. De schriftelijke overeenkomst luidt als volgt:

"Hierbij verklaren wij van [voornaam] [eiser] een geld bedrag te lenen van somma: € 30.000 aan [x] en [voornaam] [gedaagde]. Dit i.v.m. de aankoop van een woning betreffende de [adres] [postcode] [woonplaats]. Tegen een rente van 2,5% die per maand zal worden overgemaakt op bank nr. 369439821 t.n.v. [eiser] [woonplaats]. De lening is voor 4 jaar of eerder zodra [x] een hypotheek kan aanvragen om terug te betalen."

2.2. Nadat [gedaagde] en [x] op 25 juni 2007 uit elkaar waren gegaan, heeft deze rechtbank bij beschikking van 6 februari 2008 de echtscheiding tussen hen uitgesproken.

2.3. Bij beschikking van deze rechtbank van 2 april 2008 is bepaald dat de huwelijkse schuld ad € 30.000,00 uit hoofde van de onderhavige overeenkomst van geldlening tussen [eiser] enerzijds en [gedaagde] en [x] anderzijds aan [gedaagde] wordt toebedeeld.

3. De vordering

3.1. De vordering van [eiser] strekt er - na wijziging van eis - toe, dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de tussen partijen bestaande overeenkomst van geldlening van 8 januari 2007 te ontbinden en [gedaagde] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van € 30.000,00, te vermeerderen met de overeengekomen rente ad 2,5% per maand vanaf 1 juli 2007, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede [gedaagde] te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna - voor zover van belang - nader ingegaan.

4. Het geschil en de beoordeling

4.1. [eiser] heeft aangevoerd dat de onderhavige schuld ad € 30.000,00 die [gedaagde] en [x] aan hem hebben, bij beschikking van deze rechtbank van 2 april 2008 aan [gedaagde] is toebedeeld. Vanaf de maand juli 2007 heeft [gedaagde] nagelaten de overeengekomen rente aan [eiser] te betalen. Hiermee is [gedaagde] volgens [eiser] ernstig toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de onderhavige overeenkomst van geldlening. Gelet op de bepaling in de overeenkomst van geldlening dat deze overeengekomen rente maandelijks dient te worden voldaan - hetgeen volgens [eiser] als een fatale termijn dient te worden aangemerkt - is [gedaagde] op grond van artikel 6:83 onder a in verzuim komen te verkeren. Bij akte wijziging eis heeft [eiser] ontbinding van de overeenkomst van geldlening gevorderd. Tevens vordert [eiser] - zoals reeds bij dagvaarding was gevorderd - terugbetaling van het geleende bedrag van € 30.000,00, te vermeerderen met rente.

4.2. Omdat [gedaagde] geen bezwaar heeft gemaakt tegen de verandering van eis door [eiser] bij akte wijziging van eis en de rechtbank ook ambtshalve geen reden ziet om deze verandering buiten beschouwing te laten, zal recht worden gedaan op basis van de veranderde eis.

4.3. De rechtbank stelt voorop dat op grond van de overeenkomst van geldlening het geleende bedrag van € 30.000,00 en de daarover verschuldigde contractuele rente door zowel [gedaagde] als [x] verschuldigd is. Op grond van artikel 6:6 Burgerlijk Wetboek zijn [gedaagde] en [x] - nu uit de wet, gewoonte of rechtshandeling niet iets anders voortvloeit - voor een gelijk deel verbonden, te weten ieder voor een bedrag van € 15.000,00, alsmede de over een bedrag van € 15.000,00 verschuldigde rente. De enkele omstandigheid dat bij beschikking van deze rechtbank van 2 april 2008 is bepaald dat de volledige schuld van € 30.000,00 aan [gedaagde] wordt toebedeeld, leidt niet tot een ander oordeel. Deze toedeling betreft slechts de interne verhouding tussen [gedaagde] en [x] en heeft derhalve geen invloed op de verhouding tussen laatstgenoemden en [eiser]. Voor zover de vordering strekt tot betaling van een hoger bedrag dan een bedrag van € 15.000,00, vermeerderd met rente, is deze op grond van het voorgaande niet toewijsbaar.

4.4. Voor zover de vordering strekt tot betaling van een bedrag van € 15.000,00, te vermeerderen met rente, wordt het navolgende overwogen.

4.4.1. Gelet op de schriftelijke overeenkomst van geldlening van 8 januari 2007 is de lening aangegaan voor een periode van vier jaren - derhalve tot 8 januari 2011 - of "eerder zodra [x] een hypotheek kan aanvragen om terug te betalen". Niet weersproken is dat deze laatste situatie thans niet meer aan de orde is.

4.4.2. Weliswaar heeft [gedaagde] erkend dat hij vanaf de maand juli 2007 heeft nagelaten om de overeengekomen rente aan [eiser] te betalen - waarbij de rechtbank opmerkt dat hij op grond van hetgeen hiervoor sub 4.3 is overwegen slechts gehouden is om de overeengekomen rente over een bedrag van € 15.000,00 te voldoen - maar naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] terecht aangevoerd dat hiermee voor [eiser] nog niet de bevoegdheid tot ontbinding van de overeenkomst van geldlening is ontstaan omdat [gedaagde] niet in verzuim verkeert ten aanzien van zijn verplichting tot het betalen van rente. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] ten aanzien van de betaling van rente over de helft van het geleende bedrag in gebreke is gesteld door [eiser]. Uit de in het geding gebrachte correspondentie blijkt dat [eiser] immer aanspraak heeft gemaakt - en blijkens zijn vordering: ook thans maakt - op terugbetaling van (aanvankelijk: de helft van) het geleende bedrag van € 30.000,00 in plaats van [gedaagde] een termijn te stellen om alsnog aan zijn verplichting tot het betalen van rente te voldoen.

4.4.3. Anders dan [eiser] heeft betoogd is de in de overeenkomst van geldlening opgenomen bepaling dat de rente per maand dient te worden overgemaakt, naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te kunnen spreken van een voldoende bepaalde termijn zoals bedoeld in artikel 83 sub a, in welk geval verzuim zonder ingebrekestelling zou optreden.

4.4.4. Omdat de vordering van [eiser] op [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 15.000,00 thans - gelet op de looptijd van vier jaren - nog niet opeisbaar is en ontbinding van de overeenkomst van geldlening bij gebreke van verzuim aan de zijde van [gedaagde] ten aanzien van de rentebetalingen op dit moment niet aan de orde is, zal de vordering worden afgewezen.

4.5. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- vast recht 660,00

salaris advocaat 1.447,50 (2,5 punten × tarief EUR 579,00)

Totaal EUR 2.047,50

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding, aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 660,00 aan verschotten en op € 1.447,50 aan salaris voor de advocaat,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.G. Lautenbach en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2009.?