Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BJ6610

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
02-09-2009
Datum publicatie
04-09-2009
Zaaknummer
AWB 09/1821 en 09/1822
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening. Kortsluiting. Vrijstelling en bouwvergunning eerste fase voor moderne aanbouw aan 30er-jarenhuis. Welstandstoets. Nuancering in de jurisprudentie van de AbRS. Het college heeft ten onrechte niet gereageerd op grieven ten aanzien van welstandscriteria.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummers: AWB 09/1821 en 09/1822

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 september 2009 op grond van artikel 8:84 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in de gedingen tussen

1. [naam] en

2. [naam],

beiden wonende te [woonplaats],

verzoekers (hierna: de familie [X]),

gemachtigde: mr. S.D. van Reenen, werkzaam bij DAS rechtsbijstand te Amsterdam,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Skarsterlân,

verweerder (hierna: het college),

gemachtigde: P.J.H. Karseboom, werkzaam bij de gemeente Skarsterlân.

Procesverloop

Bij brief van 8 juli 2009 heeft het college de familie [X] mededeling gedaan van een besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en de Woningwet. De familie de Cock heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Het beroep is bekend onder registratienummer 09/1822. Tevens heeft zij zich bij brief van 13 augustus 2009 tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder nummer 08/1821. Op grond van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb heeft de rechtbank [naam] en [naam] (hierna: de familie [Y]) in de gelegenheid gesteld als partij aan de gedingen deel te nemen. Van die gelegenheid heeft de familie [Y] gebruik gemaakt.

Het verzoek is ter zitting behandeld op 26 augustus 2009. De familie [X] is verschenen, bijgestaan door mr. Van Reenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De familie [Y] is verschenen in de persoon van [naam], die werd bijgestaan door mr. E. Wiarda, werkzaam bij Langhout en Wiarda, juristen rentmeesters te Oranjewoud.

Motivering

1.1 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om de familie [X] te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat de familie [X] een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening. Indien, zoals in het onderhavige geval, het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan terwijl beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit het geval. Hij zal daarom onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

Feiten

2.2 Op 11 maart 2008 heeft de familie [Y] een bouwvergunning eerste fase aangevraagd voor het vergroten van haar woning aan [adres], kadastraal bekend [kadastrale omschrijving] (hierna: het perceel). Aangezien het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan "Aanvulling/aanpassing van uitbreidingsplanvoorschriften betreffende het Plan in Onderdelen Joure, Joure en het Plan voor de bebouwde kom van Joure" (hierna: het bestemmingsplan), dienden voor het bouwplan vrijstellingen te worden verleend. Op 2 juli 2008 heeft de familie [X], die naast de familie [Y] woont, een zienswijze ingediend, gericht tegen het voornemen van het college om deze vrijstellingen en een bouwvergunning te verlenen. Op 17 maart 2009 heeft het college aan de familie [Y] vrijstellingen en een bouwvergunning eerste fase verleend. Op 4 mei 2009 heeft het college de familie [Y] ook een bouwvergunning tweede fase verleend. Bij het thans bestreden besluit heeft het college, overeenkomstig een advies van de Commissie voor de bezwaarschriften van zijn gemeente (hierna: de Commissie), het bezwaar van de familie [X] tegen het besluit van 17 maart 2009 ongegrond verklaard.

Het geschil

3.1 De familie [X] heeft - onder meer en samengevat - aangevoerd dat er voor haar verlies zal optreden van uitzicht, privacy, (zon)licht en gebruiksmogelijkheden. Zij zal door het bouwplan worden geconfronteerd met een lange en zeer hoge muur direct langs de westzijde van haar grond. Door de opbouw, waarvan de noodzaak onduidelijk is, is er veel zicht op de geplande bouw. Het perceel van de familie [Y] is groot genoeg om de aanbouw op een grotere afstand van de woning van de familie [X] op te richten.

3.2 Voorts heeft de familie [X] onder verwijzing naar de Welstandsnota van de gemeente Skarsterlân aangevoerd dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand. Het bouwplan valt onder Deelgebied 2 "Oud bebouwingslint". Ingevolge de welstandscriteria moet met de toepassing van lessenaarskappen terughoudend omgegaan worden. De opbouw wordt voorzien van een lessenaarskap. Tevens blijkt uit de criteria dat panden in baksteen zijn opgetrokken en daken van gebouwen voornamelijk bedekt zijn met dakpannen en incidenteel met riet. Er wordt gebruik gemaakt van gedekte kleuren (aardkleuren) voor de steen en zwart of rood voor de pan.

3.3 De familie [X] heeft er vervolgens op gewezen dat uit de bouwtekening blijkt dat het bouwplan niet voldoet aan die criteria. Het wordt namelijk afgewerkt met een metalen gevel- en dakbedekking ("zink-look") en het metselwerk wordt wit geschilderd. Tevens wordt veel gebruik gemaakt van glas. De aanbouw heeft een hele moderne uistraling, wat in zijn geheel niet passend is bij de jaren 30-stijl van het hoofdgebouw, en is niet ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Ook heeft de Rijksdienst van Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten negatief geadviseerd over het bouwplan, aldus de familie [X].

3.4 Het college stelt zich - onder meer en samengevat - op het standpunt dat er een positief welstandsadvies ligt en dat de inmiddels verleende Monumentenvergunning onherroepelijk is. Het acht de vergroting van de woning van de familie [Y] niet buitenproportioneel. Er is geen direct uitzicht vanuit de woning van de familie [X] op de geplande uitbouw, nu het eigen aangebouwde bijgebouw (waarin geen ramen zitten) voor het bouwplan zal staan.

De beoordeling

De vrijstellingen

4.1 Via de overgangsbepalingen van de Wet ruimtelijke ordening is op het onderhavige geschil de per 1 juli 2008 ingetrokken WRO van toepassing gebleven. Artikel 19, derde lid, van de WRO bepaalt dat burgemeester en wethouders vrijstelling kunnen verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen. In artikel 20, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening is aangegeven welke gevallen voor toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO in aanmerking komen.

4.2 Uit het "Plan in onderdelen Joure" blijkt dat op het perceel de bestemmingen "Bebouwingsklasse A" en "tuin of erf" rusten. In artikel 3, eerste lid, van het bestemmingsplan is - voor zover hier van belang - bepaald dat de op de kaart en behorende bij (onder meer) het "Plan in onderdelen Joure" als "tuin of erf" aangewezen gronden bestemd zijn voor activiteiten behorende bij een hoofdgebouw. In artikel 3, tweede lid, onder c, van het bestemmingsplan is geregeld dat op deze gronden aan- en uitbouwen zijn toegestaan. Deze gebouwen mogen blijkens artikel 3, derde lid, van het bestemmingsplan - voor zover hier van belang - uitsluitend worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:

1. De gronden mogen voor ten hoogste 60% van de oppervlakte met een maximum van 50 m2, worden bebouwd;

2. De goothoogte mag niet meer dan 3.00 meter bedragen;

3. De bouwhoogte mag niet meer dan 5.50 meter bedragen.

Op grond van artikel 3, vijfde lid, onder c en d, van het bestemmingsplan is het college ten slotte bevoegd om vrijstelling te verlenen van:

- het bepaalde in het derde lid, onder 2, voor het verhogen van de goothoogte tot ten hoogste 5.00 meter;

- het bepaalde in het derde lid, onder 3, voor het verhogen van de bouwhoogte tot ten hoogste 7.00 meter.

4.3 Het bouwplan voorziet - voor zover hier van belang - in een bebouwde oppervlakte aan aan- en uitbouwen van 100 m2, een goothoogte van 3,76 meter en een bouwhoogte van 6,62 meter. Om die reden heeft het college voor de bebouwde oppervlakte vrijstelling op grond van artikel 19, derde lid, van de WRO, en voor de goot- en bouwhoogte binnenplanse vrijstelling op grond van artikel 3, vijfde lid, onder c en d, van het bestemmingsplan verleend.

4.4 Niet in geschil is dat deze vrijstellingen noodzakelijk waren ten behoeve van het bouwplan. Voorts is de aanbouw onweersproken bestemd voor activiteiten behorende bij het hoofdgebouw, namelijk "wonen". Naar het oordeel van de voorzieningenrechter was het college bevoegd om deze vrijstellingen te verlenen. Ook is hij van mening dat het college in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. In de eerste plaats is hem niet gebleken dat met dit bouwplan onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden of bewoonbaarheid van de woning van de familie [X]. Tussen haar woning en het bouwplan staat haar eigen aangebouwde garage met opbouw, waarin geen ramen zitten. Mogelijk worden er, zo is ter zitting gebleken, in die opbouw in de toekomst wel ramen aangebracht, maar met die nu nog onzekere omstandigheid hoefde het college geen rekening te houden. Het college heeft voorts aangevoerd dat in bestemmingsplannen die nu worden ontwikkeld al standaard een bouwhoogte van 7.00 meter zal worden opgenomen. Met betrekking tot het verlies aan zonlicht heeft de familie [X] geen concreet onderbouwde argumenten aangevoerd.

4.5 Ten slotte overweegt de voorzieningenrechter dat, voor zover de familie [X] heeft betoogd dat het bouwplan verder weg van haar woning had kunnen worden geplaatst, het college moest beslissen over de bouwaanvraag, zoals deze door de familie [Y] is ingediend. Als deze aanvraag op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking aan de vergunning nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. De voorzieningenrechter verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 15 februari 2006 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJN: AV1763). De familie [X] heeft niet aannemelijk gemaakt dat een dergelijke situatie zich in dit geval voordoet. Al met al heeft het college aan het belang van de familie [Y] bij het bouwplan, namelijk uitbreiding van de bewoningsmogelijkheden van haar huis, in redelijkheid meer gewicht kunnen hechten dan aan de belangen van de familie [X].

De bouwvergunning

5.1 In artikel 44, eerste lid, van de Woningwet is bepaald dat de reguliere bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd wegens strijd met het bestemmingsplan, de bouwverordening of het Bouwbesluit 2003, of indien het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, dan wel indien voor het bouwen een vergunning op grond van de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze is geweigerd.

5.2 Het betoog van de familie [X] met betrekking tot de welstandscriteria treft doel. Daarbij wijst de voorzieningenrechter erop dat deze argumenten niet eerst in beroep zijn aangevoerd, zoals mr. Wiarda ter zitting heeft betoogd. Zij staan ook al in de zienswijze en het bezwaarschrift verwijst naar deze zienswijze. Aan de uitspraak van de AbRS van 6 mei 2009 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJN: BI2952) ontleent de voorzieningenrechter de volgende passages:

"Vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 11 maart 2009 in zaak nrs. 200805204/1, 200805298/1, 200805197/1 en 200809167/1) is dat het overnemen van een welstandsadvies in de regel geen nadere toelichting behoeft, tenzij de aanvrager of een derde-belanghebbende een tegenadvies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Dit is slechts anders indien het advies van de welstandscommissie naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet — of niet zonder meer — aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen.

De Afdeling is thans van oordeel dat het enkele feit dat een aanvrager of een derde-belanghebbende geen tegenadvies van een deskundig te achten persoon of instantie overlegt, op zichzelf onvoldoende is voor het oordeel dat het college het welstandsadvies, ook wanneer dit niet naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet — of niet zonder meer — aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, zonder nadere toelichting ten grondslag heeft mogen leggen aan zijn oordeel dat het betreffende bouwplan al dan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Indien een aanvrager of derde-belanghebbende gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria, kan dit eveneens aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het college in strijd is met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet of niet berust op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Dit neemt niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende."

5.3 De voorzieningenrechter constateert dat de familie [X] gemotiveerd heeft aangevoerd dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria, als bedoeld in de onder 4.2 aangehaalde passages, waarbij het hem voorkomt dat er niet op voorhand sprake is van een situatie als bedoeld in de laatste zin van die passages. Het is de voorzieningenrechter opgevallen dat het college op geen enkele wijze, noch in reactie op de zienswijze, noch hangende de bezwaarschriftprocedure en evenmin desgevraagd ter zitting, inhoudelijk heeft gereageerd op deze stellingen van de familie [X]. Het heeft slechts verwezen naar de brief van 15 april 2008 van de welstandscommissie Hûs en Hiem, waarin - behoudens een opmerking over een portaal ten behoeve van de overkapping van de patio - zonder nadere uitleg slechts is vermeld dat "op grond van de ingediende gegevens de commissie van oordeel [is] dat het plan, getoetst aan de door de gemeenteraad vastgestelde criteria, voldoet aan redelijke eisen van welstand" . Het college heeft blijkens de gedingstukken ten overstaan van de commissie gewezen op een positief advies van de Monumentencommissie van Hûs en Hiem. Dat acht de voorzieningenrechter echter onvoldoende, omdat dit advies niet is uitgebracht ten behoeve van een toets van een bouwvergunning aan de specifieke criteria van de Welstandsnota, maar ten behoeve van een Monumentenvergunning, waarbij het behoud van de monumentale waarden van de woning van de familie [Y] centraal staat. Het college heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. De voorzieningenrechter voegt hieraan toe dat niet gesteld of gebleken is dat het bouwplan strijdt met enig ander onderdeel van artikel 44 van de Woningwet.

5.4 Gelet op al het bovenstaande zal de voorzieningenrechter het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op de bouwvergunning eerste fase, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb (het motiveringsbeginsel), vernietigen. Het college zal in zoverre opnieuw op het bezwaarschrift moeten beslissen, met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene. Bij wijze van voorlopige voorziening zal de voorzieningenrechter, om onomkeerbare situaties te voorkomen, het primaire besluit van 17 maart, 2009, voor zover dit betrekking heeft op de bouwvergunning eerste fase, schorsen als in het dictum nader aan te geven.

5.5 De voorzieningenrechter acht tenslotte termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van de familie [X] € 966,= ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (indienen verzoekschrift: 1 punt; indienen beroepschrift: 1 punt; verschijnen ter zitting 1 punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 322,=). De voorzieningenrechter wijst de gemeente Skarsterlân aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op de bouwvergunning eerste fase;

- bepaalt dat het college met inachtneming van deze uitspraak in zoverre opnieuw beslist op het bezwaar;

- schorst het besluit van 17 maart 2009, voor zover dit betrekking heeft op de bouwvergunning eerste fase, tot twee weken na de bekendmaking van de nieuwe beslissing op bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn een verzoek om een voorlopige voorziening wordt ingediend, de schorsing doorloopt totdat de voorzieningenrechter op dat verzoek heeft beslist;

- bepaalt dat de gemeente Skarsterlân de door de familie [X] betaalde griffierechten in de gedingen 09/1821 en 09/1822 van totaal € 300,= aan haar vergoedt;

- veroordeelt het college in de proceskosten van de familie [X] tot een bedrag van € 966,=, aan haar te betalen door de gemeente Skarsterlân.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Leegsma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september 2009.

w.g. J.R. Leegsma

w.g. P.G. Wijtsma

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak in het verzoek om een voorlopige voorziening met registratienummer 09/1821 kan geen rechtsmiddel worden aangewend.

Tegen de uitspraak in de hoofdzaak met registratienummer 09/1822 staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in artikel 6:13 in samenhang met artikel 6:24 van de Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u dan waarom u de uitspraak niet juist vindt.