Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BJ6339

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
28-08-2009
Datum publicatie
28-08-2009
Zaaknummer
98833 / KG ZA 09-250
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Geschil tussen ex-echtgenoten die gezamenlijk met het gezag over hun minderjarige kinderen zijn belast. De vrouw is voornemens met deze kinderen, die bij haar hun hoofdverblijfplaats hebben, naar een andere provincie te verhuizen. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de vrouw in beginsel het recht heeft om haar persoonlijke omstandigheden te wijzigen en om zich te vestigen waar zij wil. Deze vrijheid vindt naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval echter zijn beperking in het feit dat de man en de vrouw het gezamenlijk gezag over de kinderen uitoefenen. De vrouw heeft de man niet in kennis gesteld van haar voornemen om te verhuizen en heeft zonder instemming van de man en zonder (vervangende) toestemming van de rechter naar eigen inzicht diverse stappen ondernomen om de verhuizing definitief te laten plaatsvinden.

Volgens de voorzieningenrechter maakt de vrouw hiermee het gezamenlijk gezag illusoir. De voorzieningenrechter oordeelt dat, als de vrouw de verhuizing doorzet, de kinderen voorlopig - totdat er in een bodemprocedure een nadere beslissing omtrent de hoofdverblijfplaats van de kinderen is gekomen - worden toevertrouwd aan de man.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2009, 128
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 98833 / KG ZA 09-250

Vonnis in kort geding van 28 augustus 2009

in de zaak van

[de man],

wonende te [de woonplaats van de man],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat: mr. M.J. Buitenhuis, kantoorhoudende te Drachten,

tegen

[de vrouw],

wonende te [de woonplaats van de vrouw],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat: mr. J. Pieters, kantoorhoudende te Sneek.

Partijen zullen hierna [de man] en [de vrouw] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de pleitnota van de advocaat van [de vrouw];

- de mondelinge behandeling van de zaak, gehouden op 27 augustus 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Uit de affectieve relatie van [de man] en [de vrouw] zijn - voorafgaand aan hun inmiddels ontbonden huwelijk – twee thans nog minderjarige kinderen geboren, te weten [kind A], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] en [kind B], geboren op [geboortedatum], eveneens te [geboorteplaats] (hierna: de minderjarigen). Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over de minderjarigen.

2.2. De rechtbank Leeuwarden heeft bij beschikking van 7 mei 2008 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en bepaald dat het hoofdverblijf van de minderjarigen voortaan bij [de vrouw] zal zijn. In deze beschikking is voorts bepaald dat tussen [de man] en de minderjarigen een omgangsregeling zal hebben te gelden, inhoudende dat de minderjarigen bij [de man] zullen blijven gedurende minimaal één weekend per veertien dagen, waarbij het weekend en mitsdien ook de omgang op vrijdag ingaat, alsmede gedurende tenminste twee aaneengesloten weken in de zomervakantie en zo mogelijk gedurende de helft van de overige vakanties en bijzondere (feest)dagen, waarbij [de vrouw] de minderjarigen bij [de man] dient te brengen en op te halen.

2.3. De minderjarigen hebben thans hun hoofdverblijfplaats bij [de vrouw] in [de woonplaats van de vrouw]. [de vrouw] is voornemens om het weekend van 29 augustus 2009 met de minderjarigen naar [de nieuwe woonplaats van de vrouw] te verhuizen. Zij heeft [de man] op geen enkele wijze geïnformeerd over deze beslissing. [de man] heeft dit van een familielid van [de vrouw] moeten vernemen.

3. Het geschil in conventie

3.1. [de man] vordert na eisvermindering ter zitting - dat de voorzieningenrechter bij vonnis - uitvoerbaar bij voorraad en op alle dagen en uren - bepaalt dat de minderjarigen in afwachting van de uitkomst van de bodemprocedure ex artikel 1:253a BW voorlopig hun hoofdverblijf zullen hebben bij hem en dat de minderjarigen daartoe door [de vrouw] bij hem zullen worden gebracht. Tevens heeft [de man] gevorderd dat de voorzieningenrechter [de vrouw] veroordeelt om binnen twee dagen na de betekening van het in dezen te wijzen vonnis mee te werken aan de inschrijving van de minderjarigen in de gemeentelijke basisadministratie van de [gemeente waarin de man woont], onder bepaling dat indien [de vrouw] niet aan deze veroordeling zal voldoen, het in dezen te wijzen vonnis in de plaats zal treden van haar toestemming of medewerking. Voorts heeft [de man] - kort gezegd - gevorderd dat [de vrouw] zal worden veroordeeld tot betaling van een dwangsom van EUR 500,- per dag, althans een gedeelte daarvan, met een maximum van EUR 15.000,-, voor iedere dag dat zij niet voldoet aan de voornoemde vorderingen. Tevens heeft [de man] gevorderd dat [de vrouw] in de proceskosten zal worden veroordeeld.

3.2. [de vrouw] voert verweer, met conclusie tot niet-ontvankelijk verklaring van [de man] in zijn vorderingen, dan wel tot afwijzing van deze vorderingen. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschil in reconventie

4.1. [de vrouw] vordert kort gezegd - dat het de voorzieningenrechter behage, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [de man] te veroordelen om binnen twee dagen na de betekening van het in dezen te wijzen vonnis mee te werken aan de inschrijving van de minderjarigen in de gemeentelijke basisadministratie van de [de gemeente waarin de vrouw wil gaan wonen], alsmede aan de uitschrijving van de minderjarigen uit de school te [de woonplaats van de vrouw] en aan de inschrijving van de minderjarigen op hun school te [de nieuwe woonplaats van de vrouw], onder bepaling dat voor zover [de man] zijn medewerking hieraan niet zal verlenen, het in dezen te wijzen vonnis in de plaats treedt van zijn toestemming of medewerking. Althans heeft [de vrouw] gevorderd dat de voorzieningenrechter die voorzieningen zal treffen zoals deze in goede justitie mocht vermenen te behoren, kosten rechtens.

4.2. [de man] voert verweer, met conclusie tot afwijzing van de vorderingen van [de vrouw]. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. Standpunten van partijen, zowel in conventie als in reconventie

5.1. Gelet op de verwevenheid van de vorderingen in conventie en reconventie, zal de voorzieningenrechter de standpunten van partijen hierover gezamenlijk behandelen.

Standpunt van [de man]

5.2. [de man] heeft gesteld dat hij door een familielid van [de vrouw] op de hoogte is gebracht van haar voornemen om met de minderjarigen naar [de nieuwe woonplaats van de vrouw] te gaan verhuizen. [de man] is van mening dat [de vrouw] met hem had moeten overleggen over dit voornemen, nu zij het gezamenlijk gezag over de minderjarigen uitoefenen. [de man] acht het dan ook kwalijk dat [de vrouw] hem in het geheel niet heeft geïnformeerd over haar beslissing om te gaan verhuizen met de minderjarigen.

5.3. [de man] heeft voorts gesteld dat hij zich niet kan verenigen met de door [de vrouw] voorgenomen verhuizing naar [de nieuwe woonplaats van de vrouw]. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij een verhuizing en aldus een verandering van de leefomgeving en de school van de minderjarigen niet in het belang van de minderjarigen acht. [de man] heeft zijn zorgen uitgesproken over de nieuwe thuissituatie van [de vrouw] in [de nieuwe woonplaats van de vrouw]. Hij vreest dat [de vrouw] er thuis nauwelijks zal zijn voor de minderjarigen, nu zij van plan is om fulltime te gaan werken. Ook heeft [de man] een kanttekening gezet bij de bestendigheid van de nieuwe relatie van [de vrouw]. Gelet op de grote afstand tussen [de nieuwe woonplaats van de vrouw] en [de woonplaats van de man], vreest [de man] bovendien dat uitvoerbaarheid van de bestaande omgangsregeling tussen hem en de minderjarigen wordt bemoeilijkt. [de man] heeft ter zitting verklaard dat hij nog deze week een bodemprocedure aanhangig zal maken, waarin hij de rechtbank zal verzoeken om de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij hem te bepalen.

5.4. [de man] is van mening dat de minderjarigen in Friesland dienen te blijven, nu zij hier rust vinden en zij hun sociale netwerk, familie en vertrouwde omgeving hier hebben. Mochten de minderjarigen voorlopig aan hem worden toevertrouwd, dan zal [de man] hen, in afwachting van de beslissing van de bodemrechter, naar hun huidige school in [de woonplaats van de vrouw] laten blijven gaan, om de situatie voor het overige zo min mogelijk te wijzigen. [de man] heeft gesteld dat hij voor dat geval met zijn werkgever heeft geregeld dat hij minder zal gaan werken en aangepaste werktijden zal krijgen, zodat hij de minderjarigen elke dag naar school kan brengen en hij twee doordeweekse schooldagen thuis zal zijn voor hen. Volgens [de man] kunnen de minderjarigen de overige drie doordeweekse schooldagen tussen de middag en na schooltijd worden opgevangen door de ouders van [de vrouw], hetgeen thans ook twee dagen per week geschiedt, waarna hij de minderjarigen in de namiddag bij hen zal komen ophalen. Dat hij minder uren zal gaan werken, heeft volgens [de man] weinig invloed op zijn financiële situatie, nu hij daardoor aanspraak maakt op bijvoorbeeld huurtoeslag en zijn werkgever hem bovendien een hoger uurloon heeft beloofd.

5.5. [de man] heeft ter zitting verklaard dat hij een omgangsregeling tussen [de vrouw] en de minderjarigen niet in de weg zal staan in het geval de minderjarigen aan hem worden toevertrouwd. Deze kan gelijk zijn aan de thans voor hemzelf geldende omgangsregeling. [de man] heeft voorgesteld om de kosten van het halen en brengen van de minderjarigen alsdan te delen met [de vrouw].

Standpunt van [de vrouw]

5.6. [de vrouw] heeft gesteld dat de communicatie met [de man] erg moeizaam verloopt en dat zij daardoor geen mogelijkheid heeft gezien om hem te informeren over haar beslissing om met de minderjarigen naar [de nieuwe woonplaats van de vrouw] te gaan verhuizen.

5.7. [de vrouw] heeft aangevoerd dat het voor haar noodzakelijk is om naar [de nieuwe woonplaats van de vrouw] te verhuizen en dat zij in beginsel ook de vrijheid daartoe heeft. [de vrouw] heeft daartoe gesteld dat zij zich niet kan aarden in [de woonplaats van de vrouw] en dat haar nieuwe partner in [de nieuwe woonplaats van de vrouw] woont. Tevens heeft [de vrouw] gesteld dat zij er in [de nieuwe woonplaats van de vrouw] in geslaagd is om - in tegenstelling tot in [de woonplaats van de vrouw] - een volledige baan te verkrijgen, zodat zij haar bestaande schulden (sneller) kan aflossen. [de vrouw] heeft ter zitting verklaard dat zij haar baan bij [bedrijf A] in [de woonplaats van de vrouw] reeds heeft opgezegd en dat zij per 1 september 2009 met haar nieuwe baan in [de nieuwe woonplaats van de vrouw] begint. Haar huurwoning houdt zij nog aan, maar wanneer het verloop van de nieuwe samenwoning zo zal zijn als wordt verwacht, zal zij de huur opzeggen.

5.8. Volgens [de vrouw] worden de minderjarigen niet geschaad door de verhuizing naar [de nieuwe woonplaats van de vrouw]. Zij heeft verklaard dat zij het afgelopen jaar om de week een weekend met de minderjarigen bij haar nieuwe partner heeft doorgebracht, teneinde de minderjarigen op zorgvuldige wijze kennis te laten maken met hem en diens familie en met [de nieuwe woonplaats van de vrouw]. Ook hebben de minderjarigen op 26 augustus 2009 volgens haar al succesvol proefgedraaid op hun nieuwe school in [de nieuwe woonplaats van de vrouw]. [de vrouw] heeft gesteld dat zij haar werktijden in [de nieuwe woonplaats van de vrouw] zo kan inrichten, dat zij de minderjarigen dagelijks naar school kan brengen en zij maandag en woensdagmiddag vrij is, zodat zij hen dan uit school kan halen. Zij heeft gesteld dat de minderjarigen de overige doordeweekse dagen na schooltijd kunnen worden opgehaald door haar nieuwe partner of dat zij dan naar de buitenschoolse opvang of scouting kunnen.

5.9. [de vrouw] is van mening dat het niet in het belang van de minderjarigen is dat hun hoofdverblijfplaats wordt vastgesteld bij [de man]. Zij heeft daartoe gesteld dat zij altijd het grootste gedeelte van hun verzorging en opvoeding voor haar rekening heeft genomen en dat [de man] dit vanwege zijn werk zal moeten overlaten aan derden. Bovendien heeft [de vrouw] haar zorgen uitgesproken over de financiële situatie van [de man], mocht hij minder gaan werken.

5.10. [de vrouw] heeft gesteld dat de verhuizing naar [de nieuwe woonplaats van de vrouw] de omgangsregeling tussen [de man] en de minderjarigen, zoals vastgesteld bij beschikking van deze rechtbank van 7 mei 2008, onverlet zal laten. Zij heeft zich ter zitting bereid verklaard om de minderjarigen te halen en te brengen in het kader van de omgangsregeling. Volgens [de vrouw] kan het zijn dat de minderjarigen in omgangsweekenden op vrijdagsavonds wellicht wel iets later bij [de man] zullen worden gebracht dan gebruikelijk, omdat zij vrijdagmiddag tot 17.00 uur moet werken.

6. De beoordeling in conventie

6.1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [de man] een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen, nu [de vrouw] ter zitting heeft erkend dat zij van plan is om op zeer korte termijn met de minderjarigen naar [de nieuwe woonplaats van de vrouw] te verhuizen.

6.2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat [de vrouw] in beginsel het recht heeft om haar persoonlijke omstandigheden te wijzigen en om zich te vestigen waar zij wil. Deze vrijheid vindt in het onderhavige geval echter zijn beperking in het feit dat partijen het gezamenlijk gezag over de minderjarigen uitoefenen. Deze omstandigheid brengt met zich dat partijen gehouden zijn om met elkaar te overleggen over belangrijke beslissingen aangaande de minderjarigen en dat zij geschillen hierover ingevolge artikel 1:253a BW aan de rechter dienen voor te leggen. Nu een verhuizing naar [de nieuwe woonplaats van de vrouw] een ingrijpende gebeurtenis is voor de minderjarigen, acht de voorzieningenrechter het dan ook zeer laakbaar dat [de vrouw] geen overleg heeft gepleegd met [de man] over haar voornemen om met de minderjarigen te gaan verhuizen naar [de nieuwe woonplaats van de vrouw] en dat zij [de man] zelfs helemaal niet heeft geïnformeerd over haar beslissing hiertoe. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het op de weg van [de vrouw] had gelegen om de consequenties van de verhuizing voor de verblijfplaats van de minderjarigen en de omgangsregeling met [de man] te bespreken of om de rechter te laten toetsen of een wijziging van de verblijfplaats van de minderjarigen in hun belang kan worden geacht. Dat zou in het kader van de nog lopende mediation of zelfs via de raadslieden van partijen hebben gekund, zodat - ook als juist is dat de communicatie moeilijk loopt - [de man] er in elk geval over geïnformeerd zou zijn.

6.3. Hoewel het [de vrouw] naar het oordeel van de voorzieningenrechter derhalve niet vrijstaat om de verblijfplaats van de minderjarigen te wijzigen zonder instemming van [de man] of (vervangende) toestemming van de rechter, stelt de voorzieningenrechter vast dat zij desondanks naar eigen inzicht diverse stappen heeft ondernomen om de verhuizing definitief te laten plaatsvinden. [de vrouw] heeft immers ter zitting verklaard dat zij haar baan in [de woonplaats van de vrouw] reeds heeft opgezegd en zij per 1 september 2009 fulltime gaat werken bij [bedrijf B] in [de nieuwe woonplaats van de vrouw]. Tevens heeft [de vrouw] verklaard dat zij de minderjarigen heeft ingeschreven op een school in [de nieuwe woonplaats van de vrouw], dat de minderjarigen reeds een dag hebben proefgedraaid op deze school en dat zij hier op 31 augustus 2009 definitief zullen starten. [de vrouw] heeft [de man] door haar handelwijze voor voldongen feiten geplaatst. Zij maakt het gezamenlijk gezag hiermee illusoir en ondermijnt hiermee de wettelijke regels.

6.4. De vraag of de handelwijze van [de vrouw] en een verhuizing naar [de nieuwe woonplaats van de vrouw] in het belang van de minderjarigen is, dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter aan de orde te komen in de bodemprocedure, waarvan [de man] heeft verklaard deze nog deze week aanhangig te zullen maken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de huidige situatie voor de minderjarigen zoveel mogelijk moet worden gehandhaafd totdat in de bodemprocedure zal worden beslist en aldus duidelijk is welke (hoofd)verblijfplaats het meest in hun belang is. Een wijziging van de verblijfplaats van de minderjarigen acht de voorzieningenrechter zonder overeenstemming hierover tussen partijen of zonder indringende rechterlijke toetsing van de vraag of een dergelijke wijziging in het belang is van de minderjarigen, voorshands niet verantwoord. Door de handhaving van de status quo wordt bovendien ook voorkomen dat de kansen van [de man] op de door hem gewenste uitkomst van de bodemprocedure worden verkleind of dat de bestaande omgangsregeling tussen [de man] en de minderjarigen beperkter wordt uitgevoerd vanwege de reisafstand tussen [de nieuwe woonplaats van de vrouw] en [de woonplaats van de man] en de werktijden van [de vrouw].

6.5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter wordt de huidige situatie van de minderjarigen zoveel mogelijk gehandhaafd wanneer zij in hun vertrouwde omgeving zullen blijven wonen en zij naar hun huidige school in [de woonplaats van de vrouw] zullen blijven gaan. Nu [de vrouw] heeft gesteld dat een verhuizing naar [de nieuwe woonplaats van de vrouw] voor haar onomkeerbaar is en [de man] heeft verklaard dat hij de minderjarigen naar hun huidige school in [de woonplaats van de vrouw] zal laten gaan, mochten zij voorlopig aan hem worden toevertrouwd, zal de voorzieningenrechter de minderjarigen derhalve voorlopig toevertrouwen aan [de man]. Hoewel ook deze beslissing ingrijpend zal zijn voor de minderjarigen, wordt zodoende naar het oordeel van de voorzieningenrechter het meest recht gedaan aan de situatie. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat er geen contra-indicaties zijn om de minderjarigen voorlopig aan [de man] toe te vertrouwen. Uit de verklaringen van [de man] blijkt dat hij doordacht en weloverwogen bepaalde keuzes heeft gemaakt in het belang van de minderjarigen. Overigens heeft [de vrouw] ook niet gesteld dat de minderjarigen niet goed af zijn bij [de man]. Bovendien acht de voorzieningenrechter het van belang dat de minderjarigen bij voorlopige toevertrouwing aan [de man], door hun grootouders (de ouders van [de vrouw]) kunnen worden opgevangen, wanneer [de man] aan het werk is. De minderjarigen zijn immers vertrouwd met hun grootouders, nu zij hen ook thans regelmatig opvangen.

6.6. De voorzieningenrechter begrijpt dat de beslissing om de minderjarigen voorlopig toe te vertrouwen aan [de man] ook ingrijpend zal zijn voor [de vrouw], temeer nu zij heeft gesteld dat een verhuizing naar [de nieuwe woonplaats van de vrouw] voor haar onomkeerbaar is. Het had echter op de weg van [de vrouw] gelegen om zonodig zelf een procedure bij de rechtbank te starten teneinde (vervangende) toestemming voor de verhuizing te verkrijgen. Nu zij deze weg niet heeft bewandeld en zelfstandig en naar eigen inzicht de beslissing tot verhuizen heeft genomen, dienen de gevolgen van haar beslissing en de gevolgen van de keuzes die zij in voorbereiding op de verhuizing heeft gemaakt, naar het oordeel van de voorzieningenrechter voor haar risico te komen.

6.7. Gelet op het bovenstaande zal de voorzieningenrechter de minderjarigen aldus voorlopig toevertrouwen aan [de man], dat wil zeggen totdat in de bodemprocedure over de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen zal zijn beslist. De voorzieningenrechter zal bepalen dat [de vrouw] de minderjarigen op zondag 30 augustus 2009 om 17.00 uur bij [de man] dient te brengen, op straffe van een dwangsom bij niet nakoming van deze verplichting van EUR 100,- per dag, tot een maximum van EUR 2.000,-. Gelet op deze beslissing zal de voorzieningenrechter het onderhavige vonnis dan ook uitvoerbaar bij voorraad verklaren op alle dagen en uren. Nu [de man] in [de woonplaats van de man] woont, zal de voorzieningenrechter [de vrouw] tevens veroordelen om binnen een week na betekening van het onderhavige vonnis mee te werken aan de inschrijving van de minderjarigen in de gemeentelijke basisadministratie van de [gemeente waarin de man woont], waarbij zal worden bepaald dat, wanneer [de vrouw] niet aan de voornoemde veroordeling zal voldoen, het onderhavige vonnis in de plaats treedt van de toestemming of medewerking van [de vrouw]. Gelet op deze vervangende toestemming, acht de voorzieningenrechter een dwangsomveroordeling van [de vrouw] op dit punt overbodig.

6.8. De voorzieningenrechter zal evenwel bepalen dat [de man] aan de voornoemde voorzieningen geen rechten kan ontlenen wanneer [de vrouw] vóór zondagmiddag

30 augustus 2009, 17.00 uur, schriftelijk - waaronder ook per e-mail wordt verstaan - aan [de man] zal laten weten dat zij de verhuizing naar [de nieuwe woonplaats van de vrouw] uitstelt totdat in de bodemprocedure zal zijn beslist. Immers, wanneer [de vrouw] besluit in [de woonplaats van de vrouw] te blijven wonen - hetgeen een reële optie is nu zij ter zitting heeft verklaard dat zij de huurovereenkomst van haar huidige woning daar nog niet heeft opgezegd - kan de status quo voor de minderjarigen volledig worden gehandhaafd.

6.9. Wanneer [de vrouw] wel besluit om zich al nu in [de nieuwe woonplaats van de vrouw] te gaan vestigen, dan gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat [de man] zijn medewerking zal verlenen aan het tot stand brengen van omgang tussen [de vrouw] en de minderjarigen. [de man] heeft ter zitting immers verklaard dat hij bereid is om de omgangsregeling zoals die nu geldt tussen hem en de minderjarigen, van toepassing te laten zijn op [de vrouw] en de minderjarigen. Daarbij zullen de reiskosten dan gedeeld worden.

6.10. Gelet op de huwelijkse relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten in conventie tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

7. De beoordeling in reconventie

7.1. Gelet op hetgeen in conventie is overwogen en zal worden beslist, zal de voorzieningenrechter de reconventionele vorderingen van [de vrouw] afwijzen.

7.2. Gelet op de huwelijkse relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten in reconventie tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

8. De beslissing

De voorzieningenrechter,

in conventie

8.1. vertrouwt de minderjarigen [kind A], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] en [kind B], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], voorlopig - tot dat er in de bodemprocedure een nadere beslissing omtrent de hoofdverblijfplaats van de minderjarige is gekomen - toe aan [de man], wonende aan [adres van de man],

8.2. bepaalt dat [de vrouw] de voornoemde minderjarigen op zondag 30 augustus 2009 om 17.00 uur aan [de man] dient af te geven,

8.3. bepaalt dat [de vrouw] voor iedere dag dat zij in strijd handelt met het onder 8.2. bepaalde, aan [de man] een dwangsom verbeurt van EUR 100,- per dag, tot een maximum van EUR 2.000,-,

8.4. veroordeelt [de vrouw] om binnen één week na heden haar medewerking te verlenen aan het inschrijven van de minderjarigen in de gemeentelijke basisadministratie van de [gemeente waarin de man woont],

8.5. bepaalt dat, indien [de vrouw] niet voldoet aan de onder 8.4 opgenomen veroordeling, dit vonnis in de plaats treedt van de toestemming van [de vrouw],

8.6. bepaalt dat [de man] geen aanspraak kan maken op de onder 8.1 tot en met 8.5 geformuleerde voorzieningen, indien [de vrouw] hem vóór zondagmiddag 30 augustus 2009, 17.00 uur, schriftelijk zal laten weten dat zij de verhuizing naar [de nieuwe woonplaats van de vrouw] uitstelt totdat in de bodemprocedure zal zijn beslist,

8.7. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad op alle dagen en uren,

8.8. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

8.9. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

8.10. wijst de vorderingen af,

8.11. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Tangenberg en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. P.G. Meuleman op 28 augustus 2009 om 14.00 uur.?