Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BJ3108

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
20-07-2009
Datum publicatie
20-07-2009
Zaaknummer
08_1707, 09_1132 en 09_1136
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BL3317, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

ligplaatsvergunning haven Terschelling - doelmatig gebruik van de haven - voorlopige voorziening - tijdelijke vergunning

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2010/218

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummers: AWB 08/1707, 09/1132 en 09/1136

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 juli 2009 op grond van de artikelen 8:84 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in de gedingen tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Eigen Veerdienst Terschelling B.V. (hierna: EVT), gevestigd te Formerum, gemeente Terschelling,

verzoekster,

gemachtigden: mr. P.W.M. Huisman, mr. H.A.H. Stam en mr. F.J. Leeflang, allen advocaat te Amsterdam,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terschelling (hierna: het college), verweerder,

gemachtigden: P. de Bos, werkzaam bij de gemeente Terschelling, en mr. W.R. van der Velde, advocaat te Groningen.

Procesverloop

Ten aanzien van plek 2

1.1.1 Bij besluit van 22 mei 2006 heeft het college geweigerd EVT een vergunning te verlenen voor het innemen van ligplaats met een passagiersschip op een locatie, aangegeven op de bij de aanvraag gevoegde kaart, in het westelijk deel van de haven van Terschelling (hierna: plek 2). Het college heeft dit besluit gebaseerd op de overweging dat het doelmatig gebruik van de haven zich daartegen verzet.

1.1.2 Bij besluit op bezwaar van 24 juli 2007 heeft het college het bezwaar van EVT tegen het besluit van 22 mei 2006 ongegrond verklaard.

1.1.3 Bij uitspraak van 3 juni 2008 heeft deze rechtbank het beroep van EVT tegen het besluit op bezwaar van 24 juli 2007 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd.

1.1.4 Bij uitspraak van 20 mei 2009 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) het hoger beroep tegen de uitspraak van deze rechtbank van 3 juni 2008 ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

1.1.5 EVT heeft zich bij faxbericht van 12 juni 2009 tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat het college binnen veertien dagen, dan wel binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn, opnieuw een besluit dient te nemen op het bezwaar van EVT tegen het besluit van 22 mei 2006 (hierna: verzoek A).

Ten aanzien van plek 4

1.2.1 Bij besluit van 5 december 2007 heeft het college geweigerd EVT vergunning te verlenen voor het innemen van ligplaats met een passagiersschip op een locatie, aangegeven op de bij de aanvraag gevoegde kaart, in het oostelijk deel van de haven van Terschelling (hierna: plek 4). Het college heeft dit besluit gebaseerd op de overweging dat plek 4 reeds in gebruik is en voorlopig in gebruik zal blijven bij de besloten vennootschap Terschellinger Stoomboot Maatschappij (hierna: TSM) en EVT nog niet over een schip beschikt, waardoor onvoldoende gegevens beschikbaar zijn om te kunnen beoordelen of een eventueel schip voldoet aan de beperkingen die in artikel 2.3 van de Havenverordening Terschelling 2006 (hierna: de Havenverordening) worden gesteld aan de hoogte, lengte en diepgang van schepen die de haven van Terschelling aandoen.

1.2.2 Bij besluit op bezwaar van 24 juni 2008 heeft het college het bezwaar van EVT tegen het besluit van 5 december 2007 ongegrond verklaard. Het college heeft dit besluit gebaseerd op de overweging dat het doelmatig gebruik van de haven zich verzet tegen het verlenen van de aangevraagde ligplaatsvergunning. EVT heeft daartegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Dit beroep is geregistreerd onder procedurenummer 08/1707.

Ten aanzien van de plekken 5 en 6

1.3.1 Bij besluit van 17 juni 2008 heeft het college EVT vergunning verleend voor het innemen van ligplaats met een passagiersschip op een locatie, aangegeven op de bij de aanvraag gevoegde kaart, aan de Zuiderkade in de haven van Terschelling (hierna: plek 5) gedurende de tijd dat het passagiersschip niet in gebruik is. Op grond van deze vergunning is het in- en ontschepen van passagiers op plek 5 niet toegestaan. Bij besluit van 17 oktober 2008 heeft het college geweigerd deze vergunning uit te breiden in die zin dat ook het in- en ontschepen van passagiers wordt toegestaan. Eveneens bij besluit van 17 oktober 2008 heeft het college geweigerd EVT vergunning te verlenen voor het innemen van ligplaats met een passagiersschip op een locatie, aangegeven op de bij de aanvraag gevoegde kaart, in het westelijk deel van de haven van Terschelling (hierna: plek 6). Het college heeft de besluiten van 17 oktober 2008 gebaseerd op de overweging dat het doelmatig gebruik van de haven zich verzet tegen het verlenen van de aangevraagde ligplaatsvergunningen. Bij brief van 1 december 2008 heeft EVT bezwaar gemaakt tegen deze besluiten.

1.3.2 Bij brief van 12 juni 2009 heeft EVT beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaarschrift van 1 december 2008. Dit beroep is geregistreerd onder procedurenummer 09/1136.

1.3.3 EVT heeft zich bij faxbericht van 12 juni 2009 tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat het college binnen veertien dagen, dan wel binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn, een besluit dient te nemen op het bezwaar van EVT tegen de besluiten van 17 oktober 2008 (hierna: verzoek B).

Ten aanzien van de plekken 2, 4, 5 en 6

1.4.1 Voorts heeft EVT zich bij faxbericht van 12 juni 2009 tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat het college binnen veertien dagen na de op dit verzoek te geven beslissing mogelijk dient te maken dat EVT de beschikking heeft over een ligplaatsvergunning in de haven van Terschelling voor plek 2, 4, 5 of 6, waar zij kan in- en ontschepen voor zolang niet zes weken zijn verstreken nadat op het betreffende bezwaar of beroep is beslist (hierna: verzoek C).

1.4.2 Met toepassing van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb is TSM door de rechtbank in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. TSM heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en namens haar is een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

1.4.3 De verzoeken zijn ter zitting behandeld op 7 juli 2009. Namens EVT en het college zijn hun voornoemde gemachtigden verschenen. Namens TSM is verschenen haar directeur, [directeur], bijgestaan door mr. J.A. van der Kolk, advocaat te Rotterdam.

Motivering

Feiten

2.1 TSM onderhoudt met de veerboten de "Midsland" en de "Friesland" en de snelle veerboten voor passagiersvervoer de "Koegelwieck" en de "Tiger" een veerverbinding tussen Harlingen en Terschelling. TSM maakt op Terschelling gebruik van de wal en havenfaciliteiten, die eigendom zijn van de Staat der Nederlanden (hierna: de Staat) en de gemeente Terschelling (hierna: de gemeente). In het verleden had TSM op basis van een in 1987 met de Staat en de gemeente gesloten convenant het exclusieve recht tot het onderhouden van die veerdienst. Thans is de verhouding tussen TSM, de Staat en de gemeente neergelegd in een op 19 december 2007 tussen deze partijen gesloten openbare dienstcontract (hierna: het ODC).

2.2 Het ODC voorziet onder meer in een zogenaamde "medegebruikregeling" op grond waarvan op de gebruikte (rijks)aanleginrichtingen ook voor derden aanlegmogelijkheden beschikbaar dienen te zijn, voor zover en in de mate dat dit de door TSM op grond van het ODC te verrichten bootdienst niet in gevaar brengt of hindert en het de uitoefening van het ODC niet belemmert (hierna: de medegebruikregeling). Op grond van de medegebruikregeling wordt het medegebruik beperkt door zogenaamde "venstertijden" die inhouden dat in de periode van één uur voor aankomsttijd tot een half uur na vertrek overeenkomstig de dienstregeling van TSM, de aanleginrichtingen niet gebruikt mogen worden. Het ODC heeft geen derdenwerking, waaruit volgt dat het derden tevens is toegestaan een veerverbinding te onderhouden buiten de medegebruikregeling van het ODC.

2.3 EVT onderhoudt sinds augustus 2008 eveneens een veerverbinding tussen Harlingen en Terschelling met de veerboten voor passagiersvervoer de "Willem Barentsz" en de "Stortemelk". Zij doet dit op grond van de medegebruikregeling en heeft in dat kader een aanlegvergunning voor plek 3, welke plek tevens wordt gebruikt door TSM. Naast de beperkingen die voortvloeien uit de medegebruikregeling gelden voor het gebruik door EVT van plek 3 tevens een aantal nadere beperkingen die zijn opgenomen in de huurovereenkomst met de Dienst Domeinen. Deze beperkingen houden onder meer in dat EVT evenmin gebruik kan maken van plek 3 rondom de tijden waarop de "Tiger" gebruik maakt van de naastgelegen plek 2.

Verzoek A

3.1.1 Ten aanzien van verzoek A (zoals verwoord in overweging 1.1.5) overweegt de rechtbank het volgende.

3.1.2 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt. Hieruit volgt onder meer dat het treffen van een voorlopige voorziening alleen mogelijk is wanneer tegelijkertijd tegen hetzelfde besluit bij het bestuursorgaan een bezwaarprocedure loopt of bij de rechtbank een beroepsprocedure aanhangig is (de zogenaamde processuele connexiteit) en deze procedure zich richt op het besluit waarop de gevraagde voorlopige voorziening betrekking heeft (de zogenaamde materiële connexiteit).

3.1.3 Uit hetgeen hiervoor onder 1.1.1 tot en met 1.1.4 is overwogen, blijkt dat in dit geval bij het college een bezwaarprocedure loopt tegen het besluit van 22 mei 2006. Dit besluit ziet op het weigeren van de aangevraagde ligplaatsvergunning voor plek 2. De bij verzoek A gevraagde voorlopige voorziening heeft betrekking op het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van EVT tegen deze weigering en niet op het besluit tot weigering van de aangevraagde ligplaatsvergunning op zich. Nu EVT geen beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar tegen de weigering, is geen (bezwaar- of) beroepsprocedure aanhangig tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit. Hieruit volgt dat verzoek A niet-ontvankelijk is vanwege het ontbreken van connexiteit.

3.1.4 Ten slotte merkt de voorzieningenrechter in dit kader op dat de gemachtigde van het college in het verweerschrift en ter zitting heeft toegezegd dat het college zo spoedig mogelijk maar in ieder geval vóór 15 augustus 2009 een besluit zal nemen op het bezwaar van EVT tegen het besluit van 22 mei 2006.

Verzoek B

3.2.1 Ten aanzien van verzoek B (zoals verwoord in overweging 1.3.3) overweegt de rechtbank het volgende.

3.2.2 De bij verzoek B gevraagde voorlopige voorziening heeft betrekking op het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van EVT tegen de besluiten van 17 oktober 2008. Nu EVT tevens beroep heeft ingesteld tegen dit met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit, is ten aanzien van verzoek B voldaan aan het vereiste van connexiteit.

3.2.3 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter slechts een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Anders dan het college is de rechtbank van oordeel dat EVT genoegzaam heeft aangetoond dat zij een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening. De rechtbank is evenmin gebleken van andere beletselen om EVT te kunnen ontvangen.

3.2.4 Indien, zoals ten aanzien van verzoek B het geval is, het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan terwijl beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit ten aanzien van de hoofdzaak met procedurenummer 09/1136 het geval. De voorzieningenrechter zal daarom onmiddellijk uitspraak doen in deze hoofdzaak.

3.2.5 Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijk gesteld.

3.2.6 In artikel 7:10, eerste lid, van de Awb is als hoofdregel neergelegd dat een bestuursorgaan binnen zes weken of -indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb is ingesteld- binnen tien weken na ontvangst op het bezwaarschrift beslist. Ingevolge artikel 7:10, derde lid, van de Awb kan het bestuursorgaan de beslissing op het bezwaarschrift voor ten hoogste vier weken verdagen.

3.2.7 De voorzieningenrechter stelt vast dat de termijn, waarbinnen op het bezwaarschrift van EVT van 1 december 2008 beslist had moeten worden, is verstreken.

3.2.8 Het voorgaande betekent dat het beroep van EVT met procedurenummer 09/1136 gegrond is. De voorzieningenrechter zal bepalen dat verweerder vóór 15 augustus 2009 alsnog een besluit moet nemen op het bezwaarschrift van EVT van 1 december 2008. De voorzieningenrechter ziet, gelet op hetgeen hierna zal worden overwogen met betrekking tot verzoek C, geen aanleiding voor het stellen van een kortere termijn, zoals gevraagd door EVT.

3.2.9 Nu beslist is in de hoofdzaak, bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Daarom zal de voorzieningenrechter verzoek B afwijzen.

Verzoek C

3.3.1 Ten aanzien van verzoek C (zoals verwoord in overweging 1.4.1) overweegt de rechtbank het volgende.

3.3.2 Ten aanzien van de ontvankelijkheid van verzoek C overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om verzoekster te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.

3.3.3 De bij verzoek C gevraagde voorlopige voorziening heeft onder meer betrekking op het (in overweging 1.2.2 aangeduide) besluit op bezwaar van 24 juni 2008. Nu EVT tegen dit besluit beroep heeft ingesteld bij deze rechtbank, is ten aanzien van verzoek C in ieder geval voldaan aan het vereiste van connexiteit voor zover het betrekking heeft op plek 4.

3.3.4 De voorzieningenrechter is van oordeel dat zich ook ten aanzien van verzoek C en de hoofdzaak met procedurenummer 08/1707 het in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb bedoelde geval voordoet. Daarom zal de voorzieningenrechter ook in deze hoofdzaak onmiddellijk uitspraak doen.

3.3.5 Ingevolge artikel 1.3, eerste lid, van de Havenverordening kan het college vergunningen en ontheffingen verlenen en daaraan beperkingen en voorschriften verbinden. De beperkingen en voorschriften mogen slechts strekken tot bescherming van de belangen in verband waarmede de vergunning of ontheffing is vereist. Ingevolge het vijfde lid, aanhef en onder d, wordt een vergunning of ontheffing in ieder geval geweigerd indien het doelmatig gebruik van de haven zich daartegen verzet.

3.3.6 Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, van de Havenverordening is het verboden met een schip, waaronder begrepen een woonschip, ligplaats in te nemen of zich met een schip op een ligplaats te bevinden. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c, geldt het in het eerste lid gestelde verbod niet, indien ligplaats wordt ingenomen met een schip, niet zijnde een woonschip, met een vergunning van het college.

3.3.7 Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat een doelmatig gebruik van de haven zich verzet tegen het verlenen van een ligplaatsvergunning voor plek 4. In het besluit op bezwaar is daartoe onder meer overwogen dat schepen de haven veilig in en uit moeten kunnen varen, voldoende ruimte moeten hebben om te manoeuvreren en veilig en ruim aan te kunnen leggen. Voorts heeft het college overwogen dat het onderhouden van een veerdienst door EVT vanaf plek 4 een nieuwe verkeersstroom oplevert van passagiers en halers en brengers van deze passagiers, terwijl het college kruisende verkeersstromen wil voorkomen. Een deel van de passagiers dient de weg van en naar de opstelplaats voor auto's over te steken. Terschellingers die passagiers naar de snelboot brengen hebben de gewoonte hun auto te parkeren op diezelfde opstelplaats voor auto's en het omliggend haventerrein. Hun passagiers lopen vervolgens naar de veerboot en de auto's moeten weer terugrijden naar de Willem Barentszkade, hetgeen een chaotische situatie oplevert. Hetzelfde geldt bij het ophalen van passagiers, vooral indien dit samenvalt met aankomst of vertrek van een RO/RO-schip, aangezien dan problemen ontstaan met het verkeer dat met het RO/RO-schip meegaat of van dat schip afrijdt. In dat laatste geval is het gebruikelijk dat de opstelplaats voor auto's met een slagboom wordt afgegrendeld, hetgeen tot gevolg heeft dat auto's worden geparkeerd op de Willem Barentszkade.

3.3.8 Bij het beantwoorden van de vraag of het doelmatig gebruik van de haven zich tegen vergunningverlening verzet als bedoeld in artikel 1.3, vijfde lid, aanhef en onder d, van de Havenverordening komt het college beoordelingsruimte toe. Zoals de ABRvS heeft overwogen in zijn uitspraak van 20 mei 2009 dient de bestuursrechter die norm, indien toegepast, uit te leggen en daarbij de invulling die het college daaraan geeft tot uitgangspunt te nemen.

3.3.9 In navolging van hetgeen de ABRvS in zijn uitspraak van 20 mei 2009 in het kader van het hoger beroep betreffende plek 2 heeft overwogen, overweegt de voorzieningenrechter dat uit de stukken, waaronder het primaire besluit en het besluit op bezwaar van 24 juni 2008, kan worden opgemaakt dat het college onder een doelmatig gebruik van de haven verstaat het op een doelmatige wijze combineren van de verschillende functies van de haven, niet alleen voor wat betreft het gebruik van het water, maar ook wat betreft het gebruik van het haventerrein, waartoe de ordening van de haven en in het bijzonder de situering van de aanlegplaatsen van alle schepen zodanig dient te zijn dat wordt voorkomen dat verkeersstromen op het haventerrein elkaar kruisen en hinderen.

3.3.10 Op basis van de hiervoor weergegeven uitleg van een doelmatig gebruik van de haven heeft het college het uitgangspunt gekozen dat de verkeersstromen op het haventerrein moeten worden geconcentreerd. In navolging van de ABRvS is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit uitgangspunt op voorhand niet onredelijk te achten is. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting stelt de voorzieningenrechter vast dat in de haven van Terschelling naast plek 3 weliswaar verschillende (niet vergunde) ligplaatsen beschikbaar zijn, maar dat het college hiervan niet één geschikt acht voor het in- en ontschepen van passagiers door EVT. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom een doelmatig gebruik van de haven enkel kan worden bereikt door de concentratie van verkeersstromen op het haventerrein via het terminalgebouw naar de plekken 2 en 3. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

3.3.11 Het doel van de concentratie van verkeersstromen is gelegen in het bevorderen van de veiligheid van de op het haventerrein aanwezige personen, het voorkomen van chaotische situaties en het verminderen van de verkeersdruk ter plaatse. Het college heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat deze doelstelling niet kan worden bereikt op een andere manier die minder beperkingen oplevert voor het gebruik van het haventerrein. Het college heeft in dat kader geen dan wel onvoldoende onderzoek verricht. Dit klemt temeer omdat EVT heeft aangegeven bereid te zijn de voor de beveiliging van haar passagiers en ter voorkoming van chaotische situaties vereiste maatregelen te nemen en omdat EVT een rapport van Royal Haskoning van 24 november 2008 in het geding heeft gebracht waarin wordt geconcludeerd dat het mogelijk is op een veilige en ordelijke manier passagiers te laten in- en uitstappen op een andere locatie in de haven dan de plekken 2 en 3.

3.3.12 De voorzieningenrechter stelt vast dat op dit moment in de haven van Terschelling ruimte beschikbaar is voor het innemen van ligplaats buiten de plekken 2 en 3. Plek 4 werd tot voor kort door TSM gebruikt als "parkeerplaats" voor haar snelboot de "Koegelwieck". Daarvoor heeft het college echter geen ligplaatsvergunning verleend en bovendien blijkt uit de stukken en het verhandelde ter zitting dat de "Koegelwieck" thans, gedurende de tijd dat zij niet in gebruik is, (hoofdzakelijk) ligplaats inneemt in de haven van Harlingen. Plek 5 wordt thans door EVT gebruikt als "parkeerplaats" voor haar snelboot de "Willem Barentsz" en deze plek is voor het overige niet in gebruik. Plek 6 is weliswaar in gebruik bij twee vissersboten, maar daarvoor heeft het college geen ligplaatsvergunning verleend. De voorzieningenrechter is, gelet op de in de haven aanwezige ruimte, van oordeel dat op voorhand niet valt in te zien dat de situatie op het haventerrein niet zodanig kan worden ingericht dat voor ten minste één andere plek dan de medegebruikplek 3 aan EVT een volwaardige ligplaatsvergunning kan worden verleend zonder dat dit in strijd komt met het doelmatig gebruik van de haven. Het enkele feit dat bij het gebruik van de plekken 4, 5 en 6 ten behoeve van het laten in- en uitstappen van passagiers sprake kan zijn van kruisende verkeersstromen, acht de voorzieningenrechter daarvoor onvoldoende.

3.3.13 In dat kader overweegt de voorzieningenrechter voorts dat plek 4, zoals ter zitting namens het college is bevestigd, tot november 2008 door TSM werd gebruikt voor het in- en ontschepen van de passagiers van de "Koegelwieck" zonder dat dit, voor zover de voorzieningenrechter bekend, tot ernstige problemen heeft geleid. Het uitgangspunt van concentratie van verkeersstromen is voor het college ook geen aanleiding geweest te bewerkstelligen dat TSM het gebruik van plek 4 voor het in- en ontschepen van passagiers eerder beëindigde. Gelet op het voorgaande acht de voorzieningenrechter het gebruik van plek 4 als volwaardige ligplaats niet in strijd met het doelmatig gebruik van de haven, mits de door EVT voorgestelde maatregelen, bestaande uit het plaatsen van hekken en het begeleiden van de passagiers, worden uitgevoerd en wordt voorkomen dat de opstelplaats voor auto's wordt gebruikt als parkeerplaats. De voorzieningenrechter acht het argument dat plek 4 om nautische redenen ongeschikt is niet van doorslaggevend belang, omdat de "Koegelwieck" tot voor kort met instemming van het college gebruik heeft gemaakt van plek 4 en omdat uit de in het dossier aanwezige documentatie blijkt dat nautische redenen geen (doorslaggevende) rol hebben gespeeld bij de verplaatsing van de "Koegelwieck".

3.3.14 Gezien de huidige indeling van het haventerrein leidt het uitgangspunt van concentratie van verkeersstromen er in de visie van het college toe dat voor het in- en ontschepen van passagiers door veerboten slechts gebruik kan worden gemaakt van twee plekken, te weten de plekken 2 en 3. Gelet op de oppervlakte van het haventerrein en de in de haven beschikbare ruimte is de voorzieningenrechter van oordeel dat zonder deugdelijk uitgewerkt onderzoek naar mogelijke alternatieven in redelijkheid niet valt in te zien dat het door het college gekozen uitgangspunt de enige mogelijke oplossing is die niet in strijd komt met een doelmatig gebruik van de haven.

3.3.15 Uit het voorgaande volgt dat het beroep met procedurenummer 08/1707 gegrond is en dat het bestreden besluit van 24 juni 2008 dient te worden vernietigd wegens het ontbreken van een deugdelijke motivering, zoals voorgeschreven in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Het college dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van EVT van 15 januari 2008.

3.3.16 Ten aanzien van de door EVT gevraagde voorlopige voorziening overweegt de voorzieningenrechter het volgende. In de huidige situatie kan EVT voor het in- en ontschepen van passagiers slechts gebruik maken van plek 3 en dit slechts onder de voorwaarden die daaraan in het kader van de medegebruikregeling zijn verbonden. Dit heeft tot gevolg dat EVT op dit moment slechts een beperkte veerverbinding kan onderhouden tussen Harlingen en Terschelling, terwijl zij de wens heeft een volwaardige en rendabele veerdienst te onderhouden. Daarom is het naar het oordeel van de voorzieningenrechter evident dat EVT een groot belang heeft bij het verkrijgen van een eigen ligplaats in de haven van Terschelling die de mogelijkheid biedt tot het in- en ontschepen van passagiers. Daaraan doet niet af dat de mogelijkheid bestaat dat in de toekomst aan TSM een concessie wordt verleend op grond waarvan zij het exclusieve recht krijgt tot het onderhouden van een veerverbinding tussen Harlingen en Terschelling op basis van de thans in voorbereiding zijnde algemene maatregel van bestuur tot wijziging van het Besluit personenvervoer 2000 in verband met de invoering van concessies voor het personenvervoer van en naar de Waddeneilanden. Dit zou slechts anders kunnen zijn indien aannemelijk was dat de concessieverlening op zeer korte termijn zou plaatsvinden. De voorzieningenrechter stelt vast dat daarvan gelet op de huidige stand van zaken geen sprake kan zijn. Dit betekent dat de kwestie van de concessieverlening bij de beoordeling van de aanvragen van EVT voor een ligplaatsvergunning geen rol van betekenis speelt, hetgeen ter zitting ook namens het college is bevestigd. Daarom zal de voorzieningenrechter hier verder niet op ingaan.

3.3.17 Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat plannen bestaan voor een vergaande herinrichting van het haventerrein. De voorzieningenrechter verwijst in dit kader met name naar het rapport van Grontmij Nederland b.v. van 12 februari 2009. Dit rapport is besproken en aangenomen in de vergadering van de raad van de gemeente Terschelling van 23 juni 2009 en vormt de basis voor de herinrichting van het haventerrein. Blijkens dit rapport voorzien de plannen in het bij elkaar voegen van de aanleglocaties van de verschillende veerschepen op en nabij de locatie waar thans plek 3 is gesitueerd. Dit kan worden bereikt door de schepen, die thans in de lengterichting langs de kade worden afgemeerd, te laten afmeren onder een hoek van circa 45 graden ten opzichte van de kade. Wanneer deze plannen gerealiseerd zijn, ontstaat wellicht de mogelijkheid dat EVT binnen het door het college gekozen uitgangspunt de beschikking kan krijgen over een volwaardige ligplaats. Op dit moment bestaat echter nog geen zicht op het binnen afzienbare tijd realiseren van deze plannen.

3.3.18 De voorzieningenrechter acht het, gelet op de belangen van EVT en al hetgeen hiervoor is overwogen omtrent het doelmatig gebruik van de haven, aangewezen om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb een voorlopige voorziening te treffen die inhoudt dat het college binnen twee weken na de verzending van deze uitspraak aan EVT een tijdelijke vergunning verleent voor het innemen van ligplaats met een passagiersschip op plek 4, op basis van welke vergunning het EVT is toegestaan haar passagiers op die plek te laten in- en ontschepen. Deze voorlopige voorziening vervalt twee weken na de bekendmaking van het nieuwe besluit op het bezwaarschrift van 15 januari 2008 tegen het besluit van 4 december 2007, met dien verstande dat wanneer binnen die termijn opnieuw een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is ingediend, de schorsing doorloopt totdat de voorzieningenrechter op dat verzoek heeft beslist.

Proceskosten

4.1 Met toepassing van artikel 8:75 van de Awb veroordeelt de rechtbank het college in de proceskosten met betrekking tot de zaak met procedurenummer 08/1707. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van EVT € 966,00 terzake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (beroepschrift één punt; verschijnen ter zitting één punt; gewicht van de zaak: zwaar (factor 1,5); waarde per punt € 322,00). De voorzieningenrechter wijst de gemeente Terschelling aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

4.2 Met toepassing van artikel 8:75 in samenhang met artikel 8:84, vierde lid, van de Awb veroordeelt de voorzieningenrechter het college in de proceskosten met betrekking tot de voorlopige voorziening met procedurenummer 09/1132 en de hoofdzaak met procedurenummer 09/1136. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van EVT € 161,00 terzake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (verzoekschrift en beroepschrift tezamen één punt; verschijnen ter zitting één punt; gewicht van de zaak: zeer licht (factor 0,25); waarde per punt € 322,00). De voorzieningenrechter wijst de gemeente Terschelling aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep met procedurenummer 08/1707 gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 24 juni 2008;

- bepaalt dat het college met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit neemt op het bezwaarschrift van EVT van 15 januari 2008;

- treft de voorlopige voorziening dat het college binnen twee weken na de verzending van deze uitspraak aan EVT een tijdelijke vergunning verleent voor het innemen van ligplaats met een passagiersschip op plek 4, waarbij het EVT is toegestaan haar passagiers op die plek te laten in- en ontschepen;

- bepaalt dat de voormelde voorlopige voorziening vervalt twee weken na de bekendmaking van het nieuwe besluit op het bezwaarschrift van 15 januari 2008, met dien verstande dat wanneer binnen die termijn opnieuw een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is ingediend, de schorsing doorloopt totdat de voorzieningenrechter op dat verzoek heeft beslist;

- verklaart het beroep met procedurenummer 09/1136 gegrond;

- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaarschrift van EVT van 1 december 2008;

- bepaalt dat het college vóór 15 augustus 2009 alsnog een beslissing neemt op het bezwaarschrift van EVT van 1 december 2008;

- verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening met procedurenummer 09/1132 niet-ontvankelijk voor zover dit hiervoor is aangeduid als verzoek A en wijst dit verzoek af voor zover dit hiervoor is aangeduid als verzoek B;

- bepaalt dat de gemeente Terschelling het betaalde griffierecht in de zaken met de procedurenummers 08/1707, 09/1132 en 09/1136 ten bedrage van respectievelijk € 288,00, € 297,00 en € 297,00 (totaal € 882,00) aan EVT vergoedt;

- veroordeelt het college in de proceskosten van EVT met betrekking tot de zaken met de procedurenummers 08/1707, 09/1132 en 09/1136 ten bedrage van in totaal € 1.127,00, aan EVT te vergoeden door de gemeente Terschelling.

Aldus gegeven door mr. E. de Witt, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. F.F. van Emst als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2009.

w.g. E. de Witt

w.g. F.F. van Emst

Rechtsmiddelen

Tegen de uitspraak in het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening met procedurenummer 09/1132 kan geen rechtsmiddel worden aangewend.

Tegen de uitspraken in de hoofdzaken met procedurenummers 08/1707 en 09/1136 staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:13 in samenhang met artikel 6:24 van de Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u dan waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift aangetekend verzonden op: 20 juli 2009