Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BJ1791

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
25-06-2009
Datum publicatie
07-07-2009
Zaaknummer
17/880090-09 VEV
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging doodslag, medeplegen, opzetheling, Cambuurplein, onverminderde snelheid, recidive

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 36f
Wetboek van Strafrecht 43a
Wetboek van Strafrecht 45
Wetboek van Strafrecht 47
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 416
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector straf

parketnummer 17/880090-09

verkort vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 25 juni 2009 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in PI Noord, gevangenis De Marwei te Leeuwarden.

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 11 juni 2009.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B. Klunder, advocaat te Leeuwarden.

Telastelegging

Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- vrijspraak van het onder 3. primair, 4. primair en 5. primair telastegelegde;

- veroordeling voor het onder 1. primair, 2., 3. subsidiair, 4. subsidiair en 5. subsidiair telastegelegde;

- oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 23 maanden met aftrek van het voorarrest;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot een bedrag van € 150,00, subsidiair 3 dagen vervangende hechtenis met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- afwijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2];

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] tot een bedrag van € 500,00, subsidiair 10 dagen vervangende hechtenis met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Partiële vrijspraak

De verdachte moet van het onder 3. primair, 4. primair, 5. primair en 5. subsidiair telastegelegde worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet bewezen acht.

Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft betoogd dat niet valt te bewijzen dat verdachte is "ingereden op" voetgangers, omdat die term veronderstelt dat verdachte bewust heeft getracht hen te raken. Voorts acht de raadsvrouw vrijspraak aangewezen omdat voorwaardelijk opzet evenmin te bewijzen valt. Het is immers geenszins aannemelijk geworden dat verdachte de kans op zijn eigen overlijden door een aanrijding bewust op de koop toe heeft genomen.

Volgens de jurisprudentie mag dan ook niet worden aangenomen dat hij de kans op andermans overlijden bewust heeft ingecalculeerd. In verkeerszaken dienen blijkens de jurisprudentie aan het opzet zware vereisten te worden gesteld. Daaraan acht de raadsvrouw niet te zijn voldaan.

De rechtbank overweegt als volgt. Het verweer omtrent "inrijden op" behoeft geen bespreking nu de rechtbank van dit onderdeel van de tenlastelegging vrij zal spreken.

In zijn arrest van 5 december 2006 (nr. 00653/06, NJ 2006, 663, LJN AZ1668) heeft de Hoge Raad als richtsnoer gegeven dat "voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg -zoals hier de dood- aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het -behoudens contra-indicaties- niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Ook zeer gevaarlijke gedragingen in het verkeer kunnen onder omstandigheden (poging tot) doodslag opleveren, met dien verstande dat in een geval waarin de gebezigde bewijsmiddelen nopen tot de gevolgtrekking dat de verdachte door zijn handelwijze ook zelf aanmerkelijk levensgevaar heeft gelopen, de rechter in zijn oordeel dient te betrekken dat -behoudens aanwijzingen voor het tegendeel- naar ervaringsregelen niet waarschijnlijk is dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat een frontale botsing met een tegemoetkomende auto zal plaatsvinden, en hij als gevolg van zijn gedraging zelf het leven zal verliezen, eveneens op de koop toe neemt".

Het verweer omtrent al dan niet incalculeren van de kans op eigen overlijden vindt hierin naar het oordeel van de rechtbank reeds zijn weerlegging. Immers, verdachte heeft niet als bestuurder van een auto gevaar veroorzaakt voor anderen die ook in een auto reden. Als automobilist tegenover voetgangers heeft verdachte zelf geen aanmerkelijk levengevaar gelopen.

Feitelijk laat zich in dit geval op grond van de stukken vaststellen dat:

- in het proces-verbaal van aangifte (pag. 63) verklaart aangever [aangever], oud 78 jaar, dat hij stond in een vrij parkeervak tussen twee geparkeerde auto's in de vakken aan weerszijden. De door verdachte bestuurde auto, achtervolgd door twee politiemotoren, flitste over de parkeerplaats waar hij stond. De auto vloog in een flits langs [aangever], waarbij deze auto een blauwe auto raakte in het aangrenzende parkeervak. Van die blauwe auto waren nadien meerdere onderdelen af, waaronder de bumper. [aangever] verklaart voorts dat hij zeker was aangereden en het niet na had kunnen vertellen als hij niet aan de kant was gesprongen.

- in het proces-verbaal van bevindingen (pag. 66) verklaren verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] te hebben gehoord dat de bestuurder kennelijk vol gas gaf, waardoor het motorgeluid aanzwol, en linksaf het parkeerterrein opreed. De bestuurder reed met verhoogde snelheid diverse auto's voorbij die eveneens linksaf het parkeerterrein op wilden rijden.

De bestuurder kwam hierbij in aanrijding met een andere auto. Daarna zagen zij de bestuurder met steeds hogere snelheid zijn weg vervolgen over de middelste rijbaan van het parkeerterrein. De bestuurder reed met onverminderde snelheid over een snelheidsremmende verhoging, waardoor de auto deels los kwam van de weg. Bij een draai naar links tussen geparkeerde auto's door, ramde de personenauto een geparkeerde auto, waarna de auto van verdachte met onverminderde snelheid doorreed. De rechtbank overweegt uitdrukkelijk dat tussen genoemde geparkeerde auto's zich aangever [aangever] moet hebben bevonden.

- in het proces-verbaal van bevindingen (pag. 69) verklaart verbalisant [verbalisant 3] dat aan het Cambuurplein veel winkels zijn gevestigd, met drie rijstroken waartussen zich veel geparkeerde auto's bevonden. Hij zag tevens dat zich veel winkelende personen bevonden op het plein. Hij zag de door verdachte bestuurde Honda met hoge snelheid tussen de geparkeerde auto's door het Cambuurplein oprijden. Halverwege het plein sloeg de auto linksaf, tussen aldaar geparkeerde voertuigen door. Hierbij hoorde de verbalisant de motor van de Honda brullen. De rechtbank overweegt uitdrukkelijk dat tussen genoemde geparkeerde voertuigen zich aangever [aangever] moet hebben bevonden. De Honda raakte een aldaar geparkeerde auto, en vervolgde zijn weg met hoge snelheid.

- in het proces-verbaal van bevindingen (pag. 73) verklaart verbalisant [verbalisant 4] dat de Honda ongeveer halverwege het Cambuurplein links afsloeg tussen aldaar geparkeerde voertuigen door. De rechtbank overweegt uitdrukkelijk dat tussen genoemde geparkeerde voertuigen zich aangever [aangever] moet hebben bevonden. [verbalisant 4] hoorde hierbij de motor van de Honda brullen. De verbalisant zag dat de Honda zijn weg vervolgde met hoge snelheid. Hij schat voorts op basis van jarenlange verkeerservaring dat de Civic tenminste 100 km/u reed over het Cambuurplein. Hij zag dat er veel winkelend publiek aanwezig was. Hij zag dat meerdere mensen letterlijk voor hun leven moesten springen om niet door de Civic aan- of doodgereden te worden. De Civic reed daarbij over de oostelijke zijde, waar de meeste winkels zijn gelegen. Daar moeten winkelende mensen de rijstrook oversteken om bij hun auto's te komen. Dat gebeurde op dat moment in groten getale. De verbalisant zag voorts dat de Civic bij elk van de drie verkeersdrempels door de absurd hoge snelheid loskwam van de grond.

- in het proces-verbaal van verhoor (pag. 91) verklaart medeverdachte [medeverdachte 1] dat het heel hard ging, dat hij dat hoorde aan het geluid van de uitlaat, dat zij op het Cambuurplein hard tussen de auto's doorreden en dat hij dat ook wel gevaarlijk vond;

- in het proces-verbaal van verhoor (pag. 83) verklaart verdachte dat hij de auto heeft bestuurd waarbij hij werd aangehouden.

Aldus en onder die omstandigheden handelend heeft verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat voetgangers op de parkeerplaats door zijn toedoen zouden verongelukken en dat derhalve het opzet van de verdachte in de zin van voorwaardelijk opzet op de dood van die personen was gericht. De verweren worden verworpen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1. primair, 2., 3. subsidiair en 4. subsidiair telastegelegde bewezen, met dien verstande dat:

1. (feit 1) primair

hij op 25 februari 2009 te Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [aangever] en/of een of meerdere ander(e) perso(o)n(en) van het leven te beroven, met dat opzet als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, van het merk Honda, type Civic) daarmee rijdende over de weg, het parkeerterrein van het Cambuurplein, met een zeer hoge en onverminderde snelheid over een rijbaan van het

Cambuurplein is gaan en blijven rijden op een moment dat daar veel winkelend publiek, waaronder die [aangever], aanwezig was en zulks terwijl die [aangever] en/of dat winkelende publiek, zich geheel of gedeeltelijk op die rijbaan van dat Cambuurplein bevond(en), waardoor die [aangever] en die perso(o)n(en) zich genoodzaakt achtte(n) aan de kant te springen om zo hun lijf en leden te redden, althans een veilig heenkomen te zoeken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan,

2.

hij op 25 februari 2009 te Leeuwarden,

(feit 2)

als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto van het merk Honda, type Civic) door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de weg, het Cambuurplein, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [slachtoffer 4]) schade was toegebracht en

(feit 3)

als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto van het merk Honda, type Civic) door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de splitsing van de wegen de Voorstreek en de Tuinen, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist aan een ander (te weten de Gemeente Leeuwarden) schade was toegebracht en

(feit 4)

als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto van het merk Honda, type Civic) door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de weg, de Coopmansstraat, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [slachtoffer 5]) schade was toegebracht;

3. (feit 5) subsidiair

hij in de periode omvattende de dagen 24 februari 2009 en 25 februari 2009, te Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden, tezamen en in vereniging met anderen, een personenauto van het merk Honda, type Civic, voorzien van het kenteken [kenteken], voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededaders ten tijde van het voorhanden krijgen van die personenauto (van het merk Honda, type Civic) wisten dat het een door misdrijf verkregen goed betrof,

terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

4. (feit 6) subsidiair

hij in de periode van 2 februari 2009 tot en met 5 februari 2009, te Leeuwarden, een personenauto van het merk Volkswagen, type Corrado voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die personenauto van het merk Volkswagen, type Corrado wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof,

terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan.

De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het bewezene levert op de misdrijven:

1. primair

Poging tot doodslag, terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf, wegens een daaraan soortgelijk misdrijf, in kracht van gewijsde is gegaan.

2. Overtreding van artikel 7 eerste lid, onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd.

3. subsidiair

Medeplegen van opzetheling, terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf, wegens een daaraan soortgelijk misdrijf, in kracht van gewijsde is gegaan.

4. subsidiair

Opzetheling, terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf, wegens een daaraan soortgelijk misdrijf, in kracht van gewijsde is gegaan.

Strafbaarheid verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van de gepleegde feiten;

- de omstandigheden waaronder deze zijn begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister en het voorlichtingsrapport;

- de vordering van de officier van justitie;

- het pleidooi van de raadsvrouw.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door met een auto met hoge snelheid over een druk parkeerterrein bij een winkelcentrum te rijden. Dit is extreem gevaarzettend gedrag, te meer nu verdachte geen rijbewijs heeft en hij onder invloed was van softdrugs.

Dit gevaar heeft zich nu slechts gemanifesteerd in de vorm van botsingen met twee auto's. Door opzij te springen, hebben voetgangers een aanrijding door de auto van verdachte kunnen vermijden. Verdachte heeft aldus minachting getoond voor leven en gezondheid van andere weggebruikers. Het is verontrustend dat hij nadien nauwelijks inzicht heeft getoond in het gevaar dat hij veroorzaakte. Voorts heeft verdachte opzettelijk tweemaal een gestolen auto voorhanden gehad en is hij schuldig aan het doorrijden na aanrijdingen met twee auto's en een verkeersteken.

Volgens de landelijke oriëntatiepunten voor strafoplegging geldt als richtsnoer voor autodiefstal een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5 weken. Dat delict is qua straf vergelijkbaar met opzetheling van een auto. Voor de overigen delicten ontbreken landelijke oriëntatiepunten. Een poging tot doodslag behoort in beginsel bestraft te worden met onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De afdeling reclassering van het Leger des Heils heeft gerapporteerd dat verdachte vanaf zijn twaalfde jaar regelmatig met justitie in aanraking kwam, vaak voor autodiefstal. De officier van justitie heeft berekend dat deze twintigjarige verdachte al 63 maanden detentie heeft ondergaan. Vrijwillige hulpverlening liep meermalen stuk op gebrek aan motivatie bij verdachte. Reclasseringstoezicht is mislukt omdat verdachte zich niet hield aan aanwijzingen. De onderhavige feiten vonden plaats terwijl verdachte voortvluchtig was uit een penitentiaire inrichting. Verdachte heeft een probleem met het opvolgen van regels en is volgens eigen zeggen beïnvloedbaar door vrienden. Hij gebruikt geregeld softdrugs. Verdachte is bovengemiddeld intelligent maar heeft mogelijk een gedragsstoornis met gebrekkige gewetensontwikkeling en een weerstand tegen gezag. Verdachte beweert nu gemotiveerd zijn voor behandeling. De reclassering twijfelt echter over de begeleidbaarheid en meent dat sprake is van een hoge kans op recidive. Desondanks ziet de reclassering een veranderd inzicht bij verdachte. Op grond daarvan adviseert de reclassering een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met verplicht reclasseringstoezicht, behandeling en intensieve woonbegeleiding.

Met de officier van justitie acht de rechtbank een voorwaardelijke straf met toezicht en behandeling een gepasseerd station. De kans van slagen is minimaal, gelet op de historie. Ook de reclassering heeft dit onderkend. De motivatie tot verandering leek ter zitting te worden geveinsd. Verdachte kon niet uitleggen waartoe hij nu gemotiveerd zou zijn. Daarom acht de rechtbank de geëiste straf in beginsel passend en oplegging daarvan geboden. De rechtbank zal de gevorderde straf met één maand bekorten omdat zij vrijspreekt van het vijfde feit. Het moet verdachte duidelijk zijn dat hij, gelet op zijn strafblad, in de toekomst forse gevangenisstraffen kan verwachten als hij niet tot inkeer komt.

Benadeelde partijen

[slachtoffer 1] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 3. subsidiair telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank overweegt het volgende. De auto van de benadeelde partij is gestolen in Drachten. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de auto van iemand gekocht heeft, er geen sleutels bij waren en dat de auto middels het verbinden van de contactdraden gestart moest worden. Verdachte heeft eveneens bekend dat hij met die gestolen auto op 25 februari 2009 in Leeuwarden heeft gereden en dat de auto tegen een paal tot stilstand gekomen is.

De rechtbank is van oordeel dat door de uit de bewijsmiddelen blijkende gedragingen van verdachte en de bewezenverklaarde opzetheling deze schade rechtstreeks aan de eigenaar van de gestolen auto is toegebracht, als bedoeld in de artikelen 51a en 361, tweede lid onder b van het Wetboek van Strafvordering.

Ten aanzien van de hoogte van de schade overweegt de rechtbank als volgt. Blijkens het voegingsformulier benadeelde partij met bijlagen heeft de benadeelde partij door [naam] te Drachten een schadetaxatie uit laten voeren. Het schadebedrag is door dit bedrijf vastgesteld op (ongeveer) € 7.850,00 aan reparatiekosten en nieuwe onderdelen.

Door Aegon Schadeverzekering NV, de verzekeraar van de benadeelde partij, is het schadebedrag aan de auto vastgesteld op de dagwaarde van € 1.815,00. Door Aegon is het eigen risico van € 150,00 in mindering op voornoemd bedrag gebracht. Aan benadeelde partij is een bedrag van € 1.665,00 vergoed.

De benadeelde partij vordert thans € 7.850,00 minus € 1.665,00, zijnde € 6.185,00. De rechtbank is het volgende van oordeel. Door de schadeverzekeraar van de benadeelde partij is de waarde van de auto vastgesteld op € 1.815,00. Aangezien de benadeelde partij dat bedrag heeft ontvangen acht de rechtbank slechts het bedrag aan eigen risico, zijnde

€ 150,00, gegrond en voor toewijzing vatbaar. De benadeelde partij zal voor het overige niet ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen.

[slachtoffer 2] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 4. subsidiair telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat het causale verband tussen de schade en de bewezenverklaring opzetheling ontbreekt. Het is niet komen vast te staan dat de vermissing van de audio-apparatuur is toe te rekenen aan deze verdachte. De benadeelde partij moet daarom niet ontvankelijk in zijn vordering worden verklaard.

[slachtoffer 3] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 5. telastegelegde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering, nu verdachte van het feit waarop deze vordering betrekking heeft, wordt vrijgesproken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 43a, 45, 47, 57, 287 en 416 van het Wetboek van Strafrecht alsmede de artikelen 7 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte 3. primair, 4. primair, 5. primair en 5. subsidiair is telastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1. primair, 2., 3. subsidiair en 4. subsidiair telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te [adres], toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 150,00 (zegge: eenhonderdvijftig euro).

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], te betalen een som geld ten bedrage van € 150,00 (zegge: eenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 3 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van € 150,00 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet ontvankelijk is in de vordering en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten draagt.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet ontvankelijk is in de vordering en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Post, voorzitter, mr. H. Mol en mr. K. Bunk, rechters, bijgestaan door D.P. Postma-Westerhof, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 juni 2009.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.