Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BJ1371

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
26-06-2009
Datum publicatie
03-07-2009
Zaaknummer
AWB 08/1667
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2010:BO9532
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ambtenarenrecht. Ontslag op andere gronden. Ontslagvergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 08/1667

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 juni 2009 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[naam],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. T.G.J. Horlings, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden,

verweerder,

gemachtigde: mr. M.J. Kolijn-van de Merwe, werkzaam bij Capra te Zwolle.

Procesverloop

Bij brief van 7 juli 2008 heeft verweerder eiser mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende re-integratie en ontslag met toepassing van de Arbeidsvoorwaardenregeling van de gemeente Leeuwarden (hierna: de Arbeidsvoorwaardenregeling). Tegen dit besluit heeft eiser beroep aangetekend. De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 18 mei 2009. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Namens verweerder zijn genoemde gemachtigde, [A], juridisch medewerker personeelszaken, en [B], manager Stadstoezicht, verschenen.

Motivering

Feiten

1.1 Eiser is sinds 1 mei 2003 werkzaam in dienst van de gemeente Leeuwarden als parkeercontroleur bij de Dienst stadsontwikkeling en beheer.

1.2 In maart 2006 is de toenmalige leidinggevende van eiser, [C] (hierna: [C]), vervangen door [B] (hierna: [B]). In het kader van de overdracht van taken heeft [C] op 21 maart 2006 aan [B] een memo geschreven betreffende het functioneren van eiser. [C] beschrijft in deze memo de gesprekken die hij heeft gehad met eiser over diens gedrag in conflictsituaties met collega's, leidinggevende en burgers. Zo omschrijven collega's van eiser diens gedrag als bazig, bemoeizuchtig, drammerig en gelijkhebberig, en ondervinden zij als gevolg hiervan moeilijkheden in de samenwerking met eiser. Tevens wijst [C] op klachten van burgers over de bejegening door eiser. Volgens [C] lukt het eiser niet om kwesties los te laten, neemt hij altijd de positie in dat hij voor 100% gelijk heeft en drijft hij zijn zin door. Het lukt [C] niet om eiser te laten inzien dat hij een eigen aandeel heeft in de incidenten. Daarbij werken de verbale en non-verbale wijze van communiceren door eiser en zijn toonzetting in brieven en verslagen escalerend.

1.2 In april 2006 heeft eiser zich met stressklachten als gevolg van de arbeidsverhoudingen ziek gemeld.

1.3 Eisers nieuwe leidinggevende [B] heeft in juni en juli 2006 voortgangsgesprekken met eiser gevoerd. In dit kader is aan eiser de hulp van een coach aangeboden, die eiser mede met het oog op de re-integratie zou kunnen begeleiden in zijn gedrag. Vanaf september 2006 is eiser gecoacht door arbeids- en organisatiepsycholoog

[D]. Deze coach heeft verschillende gesprekken gevoerd met eiser en zijn leidinggevende en heeft op 8 maart 2007 verslag uitgebracht. [D] concludeert dat sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie tussen [B] en eiser. Zijn advies aan partijen is om nog eenmaal met elkaar om de tafel te gaan, de zaken te evalueren en om vervolgens opnieuw te proberen om tot praktische werkafspraken te komen.

1.4 In april 2007 is eiser door de bedrijfsarts medisch gezien in staat geacht om te starten met de re-integratie.

1.5 Op 26 april 2007 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen eiser en zijn leidinggevende. Tijdens dit gesprek heeft [B] aan eiser meegedeeld dat hij heeft besloten om de re-integratie van eiser niet binnen Stadstoezicht te laten plaatsvinden, maar op de afdeling Wijkzaken. Ter bevestiging van dit gesprek heeft [B] bij brief van 14 mei 2007 medegedeeld dat aan eiser de gelegenheid wordt gegeven om op een andere plek binnen of buiten de organisatie te re-integreren. Hierbij is aan eiser de begeleiding door een mobiliteitsadviseur aangeboden. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

1.6 In juni 2007 is een mediationtraject gestart. Partijen hebben overleg gevoerd over een minnelijke regeling, maar zijn niet tot overeenstemming gekomen.

1.7 Nadat hiertoe het voornemen was kenbaar gemaakt, heeft verweerder eiser bij besluit van 3 maart 2008 eervol ontslag verleend met toepassing van artikel 8:8 van de Arbeidsvoorwaardenregeling, wegens het ontbreken van een basis voor verdere vruchtbare samenwerking. Hierbij is bepaald dat aan eiser een uitkering op de voet van de Werkloosheidswet (hierna: WW), alsmede een aanvullende en aansluitende uitkering op grond van hoofdstuk 10a van de Arbeidsvoorwaardenregeling wordt toegekend. Eiser heeft ook tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.8 Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar gericht tegen het re-integreren in een andere functie niet-ontvankelijk verklaard. Het bezwaar tegen het verlenen van eervol ontslag heeft verweerder ongegrond verklaard.

Geschil

2.1 Eiser stelt zich op het standpunt dat hij zonder deugdelijke grond van zijn functie is ontheven en dat de beslissing van verweerder van 14 mei 2007 hieromtrent als een besluit in de zin van de Awb moet worden aangemerkt. Voorts stelt eiser dat een deugdelijke grondslag voor het verleende ontslag ontbreekt. Volgens eiser is de gestelde weerstand bij collega's niet aangetoond en was een vruchtbare voortzetting van het dienstverband nog wel mogelijk als verweerder zich hiervoor daadwerkelijk had ingespannen. Verweerder heeft in de optiek van eiser het ontslag geforceerd door geen pogingen te doen om de verhoudingen te herstellen, door eiser geen passende functie aan te bieden en door onvoldoende medewerking te verlenen in het coachings- en mediationtraject. Verweerder heeft door zijn houding en opstelling bewerkstelligd dat eiser inmiddels niet meer een dienstverband met verweerder nastreeft. De laakbare houding van verweerder dient volgens eiser tot uitdrukking gebracht te worden in een aanvullende ontslagvergoeding.

2.2 Volgens verweerder zijn voldoende concrete feiten en omstandigheden aangedragen op grond waarvan vastgesteld kan worden dat bij collega's en leidinggevende sprake was van dusdanige weerstand tegen verdere samenwerking met eiser dat het afdwingen van die samenwerking onverantwoord zou zijn geweest. Volgens verweerder heeft met name [B] zich vele inspanningen getroost om tot werkbare verhoudingen te komen en heeft verweerder geen overwegend aandeel gehad in het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde arbeidsverhouding.

Beoordeling van het geschil

3.1 De rechtbank is van oordeel dat de mededeling van verweerder van 14 mei 2007, dat het niet tot de mogelijkheden behoort om eiser in de eigen functie te laten re-integreren, maar dat gekeken zal worden naar andere passende arbeid binnen of buiten de organisatie, niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb. Deze mededeling behelst geen (definitief) besluit tot ontheffing uit de functie of tot overplaatsing van eiser en kan derhalve niet aangemerkt worden als zijnde gericht op enig rechtsgevolg. Verweerder heeft het bezwaar hiertegen dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is in zoverre ongegrond.

3.2 Ten aanzien van het ontslag overweegt de rechtbank het volgende.

3.3 Het ontslag is verleend met toepassing van artikel 8:8 van de Arbeidsvoorwaardenregeling, wegens het ontbreken van een basis voor verdere vruchtbare samenwerking. Ten tijde van het nemen van het ontslagbesluit was naar het oordeel van de rechtbank sprake van een verstoorde arbeidsverhouding. Hoewel concrete verklaringen van collega's ontbreken, is op basis van het dossier en met name de daarin beschreven conflicten, voldoende gebleken dat de verhoudingen met collega's verstoord waren. Voorts heeft mede als gevolg van de conflicten uit het verleden de verhouding tussen eiser en zijn leidinggevende [B] vanaf het begin onder druk gestaan en is sprake van wederzijds wantrouwen. De verstoorde verhoudingen worden door beide partijen en door de ingeschakelde coach [D] bevestigd. Eiser heeft sinds april 2006 nauwelijks gewerkt en de inspanningen van [D] en een mediator hebben niet geresulteerd in herstel van de verhoudingen. Gelet hierop kan gesproken worden van een impasse, waarin geen uitzicht meer bestond op een verdere vruchtbare samenwerking. Voortzetting van het dienstverband kon onder deze omstandigheden redelijkerwijs niet van verweerder gevergd worden.

3.4 Verweerder heeft aan eiser een uitkering op grond van de WW gegarandeerd alsmede een aanvullende en aansluitende uitkering overeenkomstig hoofdstuk 10a van de Arbeidsvoorwaardenregeling. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep kan de rechter slechts tot het oordeel komen dat een uitkeringsregeling op het niveau van de hiervoor genoemde uitkeringen onvoldoende is, indien komt vast te staan dat het bestuursorgaan een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag heeft geleid, of indien gezegd moet worden dat de getroffen uitkeringsregeling met het oog op de omstandigheden niet redelijk is.

3.5 Gelet op het zich in het dossier bevindende feitenoverzicht staat vast dat eiser betrokken is geweest bij verschillende conflictsituaties met zowel zijn leidinggevende en zijn collega's als met burgers. De rechtbank stelt voorts vast dat de manier waarop eiser zich opstelt in conflicten in belangrijke mate heeft geleid tot verstoring van de verhoudingen tussen eiser en zijn collega's en met zijn leidinggevende. Uit het dossier komt naar voren dat eiser niet goed corrigeerbaar is en door zijn vaak dwingende wijze van reageren weerstand oproept en soms zelfs agressie. Verder is gebleken dat eiser niet inziet dat de problemen voor een belangrijk deel te herleiden zijn tot zijn eigen houding en gedrag. De rechtbank acht niet gebleken dat verweerder of eisers leidinggevende een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhoudingen. Eisers leidinggevende [C] heeft voldoende aandacht besteed aan de incidenten en heeft gesprekken gevoerd met betrokkenen en met eiser. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eisers leidinggevende hem door het opstellen van de interne overdrachtsmemo voor de nieuwe leidinggevende [B] niet onredelijk benadeeld. Het opstellen van een dergelijk memo acht de rechtbank in een situatie als de onderhavige niet ongebruikelijk en niet overbodig. Voorts acht de rechtbank het niet onrechtmatig dat het memo niet ter kennisneming aan eiser is verstrekt, nu dit een verdere escalatie in de hand zou werken. Na de ziekmelding van eiser heeft verweerder concrete stappen gezet gericht op terugkeer van eiser in de organisatie. Aan eiser is een begeleidingstraject met een coach aangeboden. In dit kader heeft ook [B] gesprekken met de coach gevoerd. Dat uiteindelijk de coaching niet heeft geleid tot -een poging tot- terugkeer op de eigen werkplek, kan naar het oordeel van de rechtbank niet overwegend aan verweerder verweten worden. Beide partijen waren op dit punt wantrouwend. [D] stelt in zijn evaluatie dat sprake is van een complexe situatie, waarin weinig voortgang is geboekt en waarin van twee kanten een verandering zal moeten plaatsvinden om tot een structurele oplossing te kunnen komen. De rechtbank acht het gelet op het rapport van [D] en het gebrek aan vertrouwen bij de leidinggevende en collega's niet onredelijk dat is gekozen voor re-integratie op een andere dan de eigen werkplek. Toen eiser aangaf dat hij niet op een andere werkplek aan het werk wilde heeft verweerder ten slotte nog ingestemd met een mediationtraject. Gelet op het bovenstaande is er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om de getroffen uitkeringsregeling niet redelijk te achten. Het beroep tegen het na bezwaar gehandhaafde ontslagbesluit is ongegrond.

3.6 De rechtbank ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. E. de Witt, voorzitter, en door mrs. P.G. Wijtsma en K.J. de Graaf, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.R.M. Poiesz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2009.

w.g. P.R.M. Poiesz

w.g. E. de Witt

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.