Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BI9639

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
29-05-2009
Datum publicatie
24-06-2009
Zaaknummer
AWB 08/443
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overdrachtsbelasting. Geen recht op de vrijstelling ex artikel 15, eerste lid, aanhef onderdeel b, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Bedrijfsvoering mede voortgezet door buiten de voor deze vrijstelling geldende familiekring vallende personen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/51.2.5
FutD 2009-1356
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

procedurenummer: AWB 08/443

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 mei 2009 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. [gemachtigde],

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Leeuwarden,

verweerder,

gemachtigde [gemachtigde].

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser een naheffingsaanslag (aanslagnummer [nummer]) overdrachtsbelasting opgelegd ten bedrage van € 66.978,--, alsmede bij beschikking een boete van € 16.744,--. Hierbij heeft verweerder aan eiseres bij beschikking een bedrag van

€ 11.768,-- aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 18 januari 2008 de naheffingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 25 februari 2008, ontvangen bij de rechtbank op 26 februari 2008, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2009 te Leeuwarden. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerders gemachtigde is eveneens ter zitting verschenen. Ter zitting is gezamenlijk met deze zaak behandeld de beroepszaak, met het kenmerk AWB 08/442, van eisers broer [broer].

Motivering

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

1.1 Eiser en zijn broer [broer] zijn per 1 januari 1991 een maatschap aangegaan. De maatschap exploiteert een vóór 1991 door hun ouders (de ouders) en (sinds 1987) eisers broer gedreven melkveehouderij te [A]. Bij de overdracht van de onderneming door de ouders aan eiser en zijn broer zijn de bij de onderneming in gebruik zijnde grond en een aantal opstallen eigendom gebleven van de ouders. Deze grond werd aan de maatschap verpacht.

1.2 Gelet op het ter plaatse geldende natuurbeleid, bleek de door eiser en zijn broer gewenste uitbreiding van het bedrijf niet mogelijk. Om hun bedrijf verder te kunnen uitbouwen en in de toekomst maximaal te kunnen profiteren van mogelijke schaalvoordelen, zijn eiser en zijn broer (met terugwerkende kracht) per 1 januari 2001 tot de reeds dan bestaande maatschap [X-Y] toegetreden en hebben zij hun onderneming in deze maatschap ingebracht. Hiervoor was eveneens redengevend dat een groot bedrijf met meerdere ondernemers volgens eiser en zijn broer meer gelegenheid biedt om een sociaal verantwoord leven te leiden.

1.3 De reeds bestaande maatschap [X-Y] bestond uit twee oudooms, een neef en een achterneef (zoon van de neef) van eiser en zijn broer. Deze maatschap exploiteert te [B] een melkveehouderij en een loonwerkbedrijf. Zij maakt bij haar bedrijfsvoering gebruik van de tot de persoonlijke ondernemingen van de maten behorende onroerende zaken.

1.4 Bij notariële akte van 5 april 2002 hebben de ouders de door hen aan eiser en zijn broer verpachte gronden (en enkele opstallen) geleverd aan eiser en zijn broer tegen een koopsom van € 523.059,29. Bij dezelfde akte is aan eiser door de ouders geleverd de boerenbehuizing met verdere opstallen, erf en tuin, staande en gelegen aan de [a-straat #] te [A] tegen een koopsom van € 260.923,-- voor het bedrijfsgedeelte en een koopsom van € 124.790,-- voor het woongedeelte.

1.5 Bij notariële akte van 7 juni 2002 hebben eiser en zijn broer de onder punt 1.4 bedoelde onroerende zaken alsmede de bij eisers broer in eigendom zijnde (tweede) woning met ondergrond aan de [a-straat #a] te [A] geleverd aan het Bureau Beheer Landbouwgronden (BBL) en Staatsbosbeheer (SSB) tegen een koopsom van in totaal

€ 2.105.540,--. De ter zake met het BBL aangegane koopovereenkomst is ondertekend op 17 september 2001.

1.6 Eiser en zijn broer hebben de verkoopopbrengst van de aan BBL en SSB geleverde onroerende zaken besteed aan de bouw van enkele ligboxstallen, een werktuigenschuur en andere opstallen op de nieuwe locatie te [B]. Deze opstallen hebben zij in gebruik gegeven aan de maatschap [X-Y]. Daarnaast hebben eiser en zijn broer de verkoopopbrengst gespendeerd aan de aankoop van grond, die zij vervolgens aan de maatschap [X-Y] hebben verpacht.

1.7 Eiser en zijn broer hebben bij het aanbieden van de onder punt 1.4 bedoelde notariële akte ter registratie een beroep gedaan op de vrijstelling van overdrachtsbelasting ex artikel 15, eerste lid, aanhef onderdeel b, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (de Wet). Ten aanzien van de overdracht van het woongedeelte van de [a-straat #] te [A] heeft eiser een bedrag van € 5.581,-- aan overdrachtsbelasting voldaan. Hierbij heeft hij een beroep gedaan op de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel i, van de Wet en heeft aldus een bedrag van € 31.764,62 ter zake van door hem aangebrachte verbouwingen en verbeteringen op de koopsom voor het woongedeelte van € 124.790,-- in mindering gebracht.

1.8 Volgens een in opdracht van verweerder door [naam] op 16 oktober 2002 opgemaakt taxatierapport bedraagt de waarde in het economische verkeer, vrij te aanvaarden, van de onder punt 1.4 bedoelde gronden per 5 april 2002 ƒ 2.920.000,-- (€ 1.325.038,20) en van de aldaar bedoelde opstallen ƒ 1.205.000,-- (€ 546.805,16).

1.9 Bij brief van 30 maart 2006 heeft verweerder eiser en zijn broer ervan op de hoogte gesteld dat hij voornemens is om aan hen ten aanzien van de onder punt 1.4 bedoelde overdracht een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op te leggen. Hiervoor is redengevend dat eiser en zijn broer volgens verweerder reeds op 5 april 2002 wisten dat de onroerende zaken op korte termijn zouden worden geleverd aan BBL en SBB. Derhalve kan volgens verweerder niet worden gezegd dat eiser en zijn broer het gehele bedrijf van hun ouders hebben voortgezet, zodat zij ten onrechte een beroep hebben gedaan op de vrijstelling van artikel 15, aanhef, onderdeel b, van de Wet (de vrijstelling). Verweerder heeft tevens aangekondigd dat hij aan eiser en zijn broer een vergrijpboete zal opleggen.

1.10 Met dagtekening 11 juli 2007 heeft verweerder aan eiser een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd ten bedrage van € 66.978,--. Hierbij is verweerder uitgegaan van de onder punt 1.8 bedoelde taxatie en heeft de grondslag voor de heffing aldus berekend op een bedrag van € 1.209.324,-- (½ maal ƒ 2.920.000,-- ten aanzien van de gronden en

ƒ 1.205.000,-- ten aanzien van de opstallen). Op de hierover berekende overdrachtsbelasting heeft verweerder de reeds door eiser voldane overdrachtsbelasting van € 5.581,-- in mindering gebracht. Verweerder heeft hierbij aan eiser een boete opgelegd van 25% van de naheffingsaanslag, ofwel € 16.744,--, en een bedrag van € 11.768,-- aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.11 Bij de bestreden beslissing heeft verweerder volhard in zijn standpunt dat eiser geen recht heeft op de vrijstelling. Hierbij heeft hij aangevoerd dat eiser en zijn broer het van hun ouders overgenomen bedrijf niet in zijn geheel hebben voortgezet, aangezien dit bedrijf mede door derden (oudooms, neef en achterneef) is voortgezet en de onroerende zaken bovendien zeer kort na de verkrijging zijn doorgeleverd aan BBL en SBB.

Geschil

2.1 In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder de onderhavige naheffingsaanslag terecht aan eiser heeft opgelegd. Het geschil spitst zich toe op het antwoord op de vraag of eiser recht heeft op de vrijstelling.

2.2 Eiser heeft aangevoerd dat uit de toelichting op het Besluit van 22 maart 2004 (CPP2004/543M, hierna: het Besluit) van de staatssecretaris van Financiën blijkt dat het eiser is toegestaan om op enig moment de verkregen onderneming in een samenwerkingsverband met anderen te gaan exploiteren. De vrijstelling zou volgens eiser volstrekt illusoir zijn wanneer de bedrijfsopvolger niet op enig moment de overgenomen onderneming op zijn beurt weer zou kunnen overdragen, zonder dat dit leidt tot verval van de reeds verkregen vrijstelling. Nu eiser en zijn broer

- tot het moment van toetreding tot de maatschap [X-Y] feitelijk al meer

dan tien jaar samen het bedrijf van hun ouders hebben voortgezet;

- verplaatsing op termijn noodzakelijk achtten voor de continuïteit van hun bedrijf;

- de onroerende zaken uit bedrijfsmatig oogpunt en in het kader van de normale

bedrijfsuitoefening hebben verkocht en

- de verkoopopbrengst weer in het bedrijf (op de nieuwe locatie) hebben

geïnvesteerd,

kan volgens eiser worden gezegd dat hij en zijn broer aan de voortzettingseis hebben voldaan.

2.3 Naar de rechtbank verweerders gemachtigde ter zitting heeft begrepen, betwist hij niet langer dat eiser en zijn broer hun onderneming op een andere locatie (te [B]) hebben voortgezet. De toepassing van de vrijstelling stuit volgens verweerder echter af op de omstandigheid dat eiser en zijn broer de voorheen door hun ouders gedreven onderneming reeds per 1 januari 2001 hebben ingebracht in de maatschap [X-Y], waarvan de overige maten niet behoren tot de in artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel b genoemde kring van personen. Op grond van deze omstandigheid kan volgens verweerder niet worden gezegd dat de onderneming wat de bedrijfsvoering betreft in het geheel door eiser en zijn broer is voorgezet.

2.4 Ter zitting heeft verweerders gemachtigde zijn verweer inzake de bestreden boetebeschikking laten varen. Daarnaast heeft verweerders gemachtigde ter zitting bevestigd dat hij bij de berekening van de naheffingsaanslag ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel i, van de Wet (zie onder punt 1.7). Dit brengt mee dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd met een bedrag van € 1.906,-- (6% van € 31.764,62).

2.5 Eisers gemachtigde heeft ter zitting bevestigd dat het bedrag van de heffingsrente het bedrag van de aanslag volgt, waaruit de rechtbank begrijpt dat eiser geen afzonderlijke grieven tegen de beschikking heffingsrente heeft.

Beoordeling van het geschil

3.1 Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet (tekst 2002) is onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden van de belasting vrijgesteld de verkrijging door een of meer kinderen, pleegkinderen of kleinkinderen, of hun echtgenoten, van goederen die behoren tot en dienstbaar zijn aan een onderneming van de ouder of de grootouder, welke wat de bedrijfsvoering betreft, in haar geheel (al dan niet in fasen) door dat kind of die kinderen wordt voortgezet.

3.2 In het Besluit staat het onder meer het volgende vermeld:

"Vraag 5 Overdracht onderneming en inbreng in personenvennootschap

Een ouder draagt zijn onderneming, inclusief onroerende zaken, over aan zijn kind. Vervolgens gaat het kind de verkregen onderneming direct of op een later tijdstip inbrengen in een personenvennootschap met een willekeurige derde. Is de vrijstelling van toepassing?

Antwoord

Neen. De inbreng van de onderneming in de personenvennootschap staat de toepassing van de vrijstelling in de weg omdat de onderneming wat de bedrijfsvoering betreft niet geheel door het kind wordt voorgezet, maar mede door een derde.

Toelichting

De vrijstelling is niet van toepassing bij de overdracht van een onderneming met de daartoe behorende onroerende goederen door een ouder aan een kind en een derde. Dan is niet voldaan aan de voorwaarde dat de onderneming wat betreft de bedrijfsvoering in het geheel door het kind moet worden voortgezet. Evenmin is aan deze voorwaarde voldaan bij een inbreng van de verkregen onderneming door het kind in de personenvennootschap. Wel is het toegestaan dat het verkrijgende kind op een later moment de verkregen onderneming in een samenwerkingsverband met anderen gaat exploiteren. Uiteraard mits ten tijde van de verkrijging van de onderneming of de daaraan dienstbare onroerende zaken aannemelijk is dat het kind de onderneming wat de bedrijfsvoering betreft in haar geheel zal voortzetten. Of van een wezenlijk voortzetting sprake is, zal aan de hand van de feitelijke omstandigheden van het geval moeten worden beoordeeld.

Goedkeuring

Het is echter niet mijn bedoeling dat een bij de aard en omvang van de onderneming passende bedrijfsopvolging binnen de voor de vrijstelling geldende familiekring nodeloos wordt belemmerd.

Met toepassing van de hardheidsclausule kan de inspecteur namens mij goedkeuren dat bij een verkrijging van een ouderlijke onderneming, die wordt gevolgd door een inbreng in een personenvennootschap met een ander kind van de ouder, de vrijstelling van toepassing is. Aan die goedkeuring verbindt hij de volgende voorwaarden: (…)".

3.3 Uit de vaststaande feiten (zie onder de punten 1.1 tot en met 1.3) volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de bedrijfsvoering van de door eiser en zijn broer van hun ouders overgenomen onderneming per 1 januari 2001 is voortgezet door de maatschap [X-Y], waarvan eiser en zijn broer wel, maar de overige maten niet behoren tot de in artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel b genoemde kring van personen. Reeds ten tijde van de verkrijging van de onder punt 1.4 bedoelde onroerende zaken door eiser en zijn broer werd de onderneming wat betreft de bedrijfsvoering dus mede voortgezet door buiten de voor de vrijstelling geldende familiekring vallende personen. Naar het oordeel van de rechtbank staat deze omstandigheid in de weg aan de toepassing van de vrijstelling. Aan dit oordeel doet niet af de omstandigheid dat eiser en zijn broer de onderneming van hun ouders vóór het moment van toetreding tot de maatschap [X-Y] al meer dan tien jaar tezamen hebben voorgezet, aangezien de vraag of de vrijstelling kan worden toegepast naar het oordeel van de rechtbank moet worden beoordeeld naar de toestand ten tijde van de verkrijging; het gaat er om of aannemelijk is of de onderneming vanaf dat moment uitsluitend door eiser en zijn broer zou worden voortgezet. Evenmin maken de door eiser en zijn broer aangevoerde beweegredenen voor de toetreding tot de maatschap [X-Y] voormeld oordeel anders. Ditzelfde geldt ten aanzien van de omstandigheid dat eiser en zijn broer de met de verkoopopbrengst van de door hen aan BBL en SBB doorgeleverde onroerende zaken geïnvesteerde grond en opstallen niet hebben ingebracht in de maatschap [X-Y], maar hebben gerekend tot hun buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen. Deze omstandigheid neemt immers niet weg dat de door eiser en zijn broer van hun ouders overgenomen melkveehouderij sinds 1 januari 2001 door de maatschap [X-Y] wordt geëxploiteerd. De rechtbank overweegt verder dat eiser tevergeefs een beroep heeft gedaan op de onder punt 3.2 weergeven passage van het Besluit, nu van de daarin bedoelde situatie - waarin het kind de onderneming ná de verkrijging van de onroerende zaken op enig moment in een samenwerkingsverband met anderen gaat exploiteren - in dit geval geen sprake is.

3.4 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat eisers beroepen gericht tegen de naheffingsaanslag, de beschikking heffingsrente en de boetebeschikking alleen in verband met hetgeen onder punt 2.4 is vermeld, doel treffen. De rechtbank zal de beroepen gericht tegen de uitspraken op bezwaar tegen de naheffingsaanslag, de beschikking heffingsrente en de boetebeschikking daarom gegrond verklaren, waarbij de rechtbank die uitspraken zal vernietigen, de naheffingsaanslag zal verminderen tot een bedrag van € 65.072,--, zal bepalen dat verweerder het bedrag van de in rekening gebrachte heffingsrente dienovereenkomstig vermindert en de rechtbank de boetebeschikking zal vernietigen.

Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 966,-- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 161,--; 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,-- en een wegingsfactor 1). Vanwege de samenhang met de beroepsprocedure van eisers broer met kenmerk AWB 08/442 worden de te vergoeden kosten voor de helft in beide procedures in aanmerking genomen

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 65.072,--;

- bepaalt dat verweerder de heffingsrente dienovereenkomstig vermindert;

- vernietigt de boetebeschikking;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 483,-- en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiser te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres betaalde griffierecht van € 39,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.W. Keuning, voorzitter, mrs. R. den Ouden en M. van den Bosch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Hiemstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2009.

w.g. M. Hiemstra w.g. J.W. Keuning

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.