Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BI9259

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
20-05-2009
Datum publicatie
23-06-2009
Zaaknummer
268375 CV EXPL 08-6763
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Loonvordering. Toepassing art. 7:628a BW: minimumaanspraak per oproep.

Werkneemster (taxichaufferu) stelt dat sprake is van arbeidsovereenkomst met uitgestelde prestatieplicht (MUP) en dat zij -omdat zij een contract heeft voor minder dan 15 uren per week- voor elke oproep die korter dan 3 uur heeft geduurd, toch drie uur uitbetaald moet krijgen.

Kantonrechter:

De opvatting van de werkneemster zou tot gevolg hebben dat zij voor een dag waarop zij 7 ritten heeft uitgevoerd, voor 21 uren zou moeten worden uitbetaald, terwijl ze in totaal iets minder dan 5 uren heeft gewerkt. Dat is niet in overeenstemming te achten met een redelijke uitleg van art. 7:628a BW. Volgens de Memorie van Toelichting wordt met deze bepaling beoogd te bevorderen dat de werkgever de arbeid zo organiseert dat diensten of perioden van minder dan drie uur waarin arbeid moet worden verricht, waarbij ook nog onduidelijkheid bestaat over de tijdstippen waarop arbeid moet worden verricht of over de arbeidsduur, zo min mogelijk voorkomen. De aanspraak op loon kan worden beschouwd als een compensatie voor de onzekerheid in bijvoorbeeld oproeprelaties over de omvang van de arbeid en de daaruit voortvloeiende inkomsten of over de tijden waarop deze arbeid verricht moet worden. Deze aanspraak legt voorts druk op partijen om tot afspraken te komen. In dit geval blijkt dat voor de schoolritten vaste werktijden golden, zodat art. 7:628a BW in zoverre toepassing mist. Voor het overige geldt de aanspraak op uitbetaling van minimaal drie uur alleen indien de duur van de losse taxiritten gezamenlijk op een bepaalde dag minder is dan drie uur.

Tussenvonnis.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 628a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2009, 131
JIN 2009/506
AR-Updates.nl 2009-0492
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector kanton

Locatie Heerenveen

zaak-/rolnummer: 268375 \ CV EXPL 08-6763

vonnis van de kantonrechter van 20 mei 2009

inzake

[werkneemster]

hierna te noemen: [werkneemster],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde: mr. J. Keizer,

tegen

de besloten vennootschap

Taxicentrale L. Wolters B.V.,

hierna te noemen: Wolters,

gevestigd te Drachten,

gedaagde,

gemachtigde: L. Wolters, directeur.

Het verdere procesverloop

1. Bij het tussenvonnis van 14 januari 2009 is een comparitie van partijen bepaald. Deze heeft plaatsgevonden op 17 februari 2009. Partijen en hun gemachtigden zijn verschenen. Er is proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens heeft [werkneemster] een conclusie van repliek genomen, waarbij zij haar eis heeft verminderd. Wolters heeft gedupliceerd. Ten slotte is wederom vonnis bepaald op de stukken, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

Door [werkneemster] en Wolters zijn producties in het geding gebracht.

Motivering

De vaststaande feiten

2. Wolters exploiteert een taxibedrijf en een koeriersdienst. [werkneemster] is met ingang van 10 januari 2002 voor de duur van één jaar als taxichauffeur in dienst getreden bij Wolters voor 0 uur per week (op basis van een oproepcontract). Aansluitend is een nieuwe arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar overeengekomen. Daarbij werd het aantal uren nader bepaald op 15 per week. Vervolgens is op 16 september 2003 overeengekomen dat de lopende overeenkomst met terugwerkende kracht was gebaseerd op 12 uur per week in plaats de oorspronkelijke 15 uur per week. Met ingang van 12 januari 2004 is de overeenkomst opnieuw verlengd tot 14 juli 2005 (op basis van 12 uur per week). Bij brief van 23 juni 2005 heeft Wolters [werkneemster] bevestigd dat [werkneemster] voor onbepaalde tijd in dienst was voor 52 uur per maand, ofwel 12 uur per week. [werkneemster] heeft de arbeidsovereenkomst bij brief van 30 januari 2007 opgezegd tegen 1 maart 2007. Wolters heeft deze opzegging aanvaard, zodat de arbeidsovereenkomst op laatstbedoelde datum is geëindigd. Toepasselijk was de CAO Taxivervoer.

Het standpunt van partijen

3. [werkneemster] baseert haar vordering op het navolgende. De arbeidsovereenkomst dient aangemerkt te worden als een arbeidsovereenkomst met uitgestelde prestatieplicht (MUP). Op grond van artikel 7:628a BW (als ook artikel 5.4.1. CAO Taxibedrijf) heeft een werknemer bij een MUP-arbeidsovereenkomst met een arbeidsduur van minder dan 15 uur per week, waarbij de tijdstippen waarop gewerkt moet worden en de omvang van een afzonderlijke oproep niet of niet eenduidig zijn vastgelegd, aanspraak op loon over 3 uur arbeid indien hij voor een oproep minder dan 3 uur heeft gewerkt. Wolters heeft [werkneemster] niet volgens dit uitgangspunt betaald. Zij vordert daarom een bedrag van € 5.325,70 bruto aan achterstallig loon over de periode van 1 augustus 2006 tot 28 februari 2007, een bedrag van € 627,32 bruto aan achterstallige vakantie-uren en een bedrag van € 786,74 bruto aan achterstallig vakantiegeld, vermeerderd met de wettelijke verhoging ad 50% en de wettelijke rente, alsmede buitengerechtelijke incassokosten.

4. Wolters heeft verweer gevoerd. Daarop wordt hierna teruggekomen.

De beoordeling van het geschil

5. Blijkens hetgeen door partijen ter comparitie is verklaard, zijn zij het erover eens dat bij hun arbeidsovereenkomst het volgende uitgangspunt gold. [werkneemster] verzorgde het schoolvervoer voor kinderen uit de gemeente Tytsjerksteradiel. Dit impliceerde dat [werkneemster] kinderen uit deze gemeente gedurende het schoolseizoen 's ochtends thuis ophaalde en naar school buiten deze gemeente vervoerde en dat ze deze kinderen 's middags weer op school ophaalde en thuis bracht. De tijdstippen van deze schoolritten hingen af van de schooltijden en de te rijden routes werden aan het begin van ieder schooljaar vastgesteld. [werkneemster] hield deze ritten op een rittenstaat bij en daarop noteerde zij begin- en eindtijdstip van de rit. Op basis van deze uren werd [werkneemster] door Wolters betaald. Naast het schoolvervoer verzorgde [werkneemster] taxiritten. Doorgaans kreeg zij kort tevoren te horen dat zij deze ritten moest rijden en hield [werkneemster] zich beschikbaar om deze taxiritten te rijden. Ook deze ritten (de begin- en eindtijdstippen) werden door [werkneemster] op de rittenstaat vermeld. Het totaal van de gereden uren werd maandelijks afgerekend tussen partijen. Indien [werkneemster] in de betreffende maand meer uren had gereden dan 52 (12 per week), kreeg zij deze meeruren (naast het vaste loon gebaseerd op 12 uur per week) uitbetaald. Indien [werkneemster] minder uren had gereden, werden deze minderuren als verlofuren aangemerkt door Wolters en ontving zij alleen haar vaste loon.

6. Blijkens artikel 7:628a, eerste lid BW heeft de werknemer, indien een arbeidsduur van minder dan 15 uur per week is overeengekomen en de tijdstippen waarop de arbeid moet worden verricht niet zijn vastgelegd of de omvang van de arbeid niet of niet eenduidig is vastgelegd, voor iedere periode van minder dan 3 uur waarin hij arbeid heeft verricht, recht op het loon waarop hij aanspraak zou hebben indien hij drie uur arbeid had verricht. Blijkens het tweede lid kan niet ten nadele van de werknemer van dit artikel worden afgeweken. Dit impliceert dat het eerste lid dwingendrechtelijk van aard is en dat Wolters op een afwijkende inhoud van de bepalingen van de betreffende CAO (ten nadele van de werknemer) geen beroep kan doen. Deze zijn vernietigbaar.

7. Volgens de Memorie van Toelichting (pagina 23) wordt met dit artikel beoogd "te bevorderen dat de werkgever de arbeid zo organiseert dat diensten of perioden van minder dan drie uur waarin arbeid moet worden verricht, waarbij ook nog onduidelijkheid bestaat over de tijdstippen waarop arbeid moet worden verricht of over de arbeidsduur, zo min mogelijk voorkomen. De aanspraak op loon kan worden beschouwd als een compensatie voor de onzekerheid in bijvoorbeeld oproeprelaties over de omvang van de arbeid en de daaruit voortvloeiende inkomsten of over de tijden waarop deze arbeid verricht moet worden. Deze aanspraak legt voorts druk op partijen om tot afspraken te komen". Het voorgaande betekent dus dat de aanspraak van artikel 7:628a BW niet geldt indien er sprake is van een deeltijdcontract van minder dan 15 uur per week, waarbij wel duidelijke afspraken over het arbeidspatroon zijn gemaakt.

8. Uit de stellingen van partijen over en weer blijkt dat er in zoverre sprake was van een vast patroon van werkzaamheden dat [werkneemster] de schoolroutes ('s ochtends en 's middags) verzorgde. Deze schoolroutes werden aan het begin van het betreffende schooljaar (voor het gehele schooljaar) op het kantoor van Wolters vastgesteld. Dit impliceert dat [werkneemster] aan het begin van ieder schooljaar wist welke schoolroutes zij dat schooljaar 's ochtends en 's middags diende te rijden en welke tijd daar (ongeveer) mee gemoeid was. In zoverre was dus sprake van duidelijke afspraken over het arbeidspatroon. Aldus moet worden geoordeeld dat in zoverre het bepaalde in artikel 7:628a BW niet toepasselijk is. De omstandigheid dat [werkneemster] haar schoolritten veelal op andere tijdstippen aanving maakt dit niet anders: zij kende aan het begin van het schooljaar het patroon van haar werkzaamheden (en de daarmee samenhangende tijden) voor het betreffende schooljaar. Dat geldt evenzeer voor de omstandigheid dat [werkneemster] regelmatig tijdens een schoolrit te horen kreeg dat zij aansluitend een taxirit moest rijden.

9. Uit het door [werkneemster] bij inleidende dagvaarding als productie 9 overgelegde (en door Wolters niet betwiste) overzicht van rittijden blijkt dat [werkneemster] veelvuldig (behalve de 2 schoolritten) apart geregistreerde taxiritten reed. Dit aantal varieerde (blijkens het overzicht) van 1 tot 5 per dag. De kantonrechter begrijpt dat [werkneemster] zich op het standpunt stelt dat artikel 7:628a BW aldus moet worden uitgelegd dat iedere school- en (apart geregistreerde) taxirit als een periode van minder dan 3 uur in de zin van het vorenbedoelde artikel moet worden beschouwd en dat zij telkens (voor iedere school- en taxirit) aanspraak kan maken op een vergoeding van 3 uur in plaats van de werkelijk met de betreffende rit gemoeide tijd. [werkneemster] kan in deze uitleg niet worden gevolgd. Betreffende de schoolritten blijkt dit reeds uit het hiervoor sub 8. overwogene. De visie van [werkneemster] zou tot gevolg hebben dat zij over bijvoorbeeld 11 augustus 2006, op welke dag 7 ritten (inclusief de beide schoolritten) en een totale tijdsbesteding van 295 minuten geregistreerd staan, aanspraak zou kunnen maken op een vergoeding voor 21 (7 x 3) gewerkte uren. Dit kan niet de bedoeling van artikel 7:628a BW zijn. Naar het oordeel van de kantonrechter brengt een redelijke uitleg van artikel 7:628a BW mee dat [werkneemster] voor haar beschikbaarheid om taxiritten te rijden op de dagen dat zij schoolritten verzorgde, aanspraak kan maken op een vergoeding voor 3 uren arbeid indien zij op de betreffende dag één of meer apart geregistreerde taxiritten heeft gereden en de totaal daarmee gemoeide tijd minder is dan 3 uur. Deze beschikbaarheid om taxiritten te rijden moet (in geval op de betreffende dag tenminste één taxirit is gereden) worden beschouwd als een periode van minder dan drie uur waarin zij arbeid heeft verricht in de zin van artikel 7:628a BW. Daarbij is van belang dat artikel 7:628a BW beoogt onzekerheid over de tijdstippen waarop arbeid verricht moet worden te compenseren en dat in de onderhavige zaak van onzekerheid in die zin geen sprake is omdat er duidelijkheid bestaat over de te rijden schoolritten.

10. Het voorgaande impliceert dat indien de duur van het totaal van alle (apart geregistreerde) taxiritten op een bepaalde dag minder dan 3 is, [werkneemster] daarvoor recht heeft op uitbetaling van 3 uur. Voor zover Wolters dus voor op een bepaalde dag uitgevoerde (en apart geregistreerde) taxiritten minder dan 3 uur heeft uitbetaald, is zij gehouden het verschil (tot 3 uur) uit te betalen. In zoverre is het gevorderde toewijsbaar, terwijl het meerdere moet worden afgewezen.

11. Thans is niet duidelijk tot welke aanspraak van [werkneemster] het voorgaande leidt. [werkneemster] wordt daarom verzocht om op basis van het voorgaande een herberekening van haar vordering (als hiervoor sub 10. bedoeld) te maken en deze bij akte in het geding te brengen. Wolters mag vervolgens bij antwoordakte reageren.

12. In afwachting van de vorenbedoelde aktes wordt iedere beslissing aangehouden.

Beslissing

de kantonrechter:

verwijst de zaak naar de rolzitting van 3 juni 2009 voor akte uitlating aan de zijde van [werkneemster] inzake hetgeen hiervoor is overwogen in rechtsoverweging 11.;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. R. Giltay, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 mei 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 172