Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BI7361

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
11-06-2009
Datum publicatie
12-06-2009
Zaaknummer
AWB 08/1532
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 49 WRO. Rechthebbende. Passieve risico-aanvaarding. Geen concrete bouwplannen. Artikel 6 EVRM. Redelijke termijn. Immateriële schadevergoeding. Toepassing Afdelingsuitspraken van 24 december 2008 (JB 2009, 42) en 4 maart 2009 (JB 2009, 82).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 08/1532

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juni 2009 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[naam] en [naam],

beide wonende te [woonplaats],

eiseressen,

gemachtigde: mr. J. Nijenhuis, advocaat te Heerenveen,

en

de gemeenteraad van Skarsterlân,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2007 heeft de gemeenteraad van Skarsterlân (hierna: de raad) een verzoek van eiseressen om vergoeding van planschade afgewezen. Bij besluit van 28 mei 2008 heeft de raad het daartegen door eiseressen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit hebben eiseressen beroep aangetekend.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 10 april 2009. Namens eiseressen zijn hun echtgenoten verschenen, bijgestaan door mr. Nijenhuis. De raad is zonder kennisgeving niet verschenen.

Motivering

Feiten

1.1 Het verzoek om vergoeding van planschade heeft betrekking op het perceel kadastraal bekend [kadastrale aanduiding] (voordien bekend als [eerdere kadastrale aanduiding]). Eiseressen hebben het perceel op 31 maart 1995 gekocht van hun vader, met dien verstande dat zij op 5 oktober 1998 een klein gedeelte van het perceel aan derden hebben verkocht.

1.2 Vast staat dat voor wat betreft het noordelijke deel van het perceel een vergelijking gemaakt moet worden tussen het regime van het "Uitbreidingsplan voor Heerenveen en bijbehorende dorpen" (hierna: het uitbreidingsplan), op 27 maart 1947 vastgesteld door de gemeenteraad van Heerenveen en op 12 april 1948 goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Fryslân (GS), en dat van het bestemmingsplan "Buitengebied", op 28 februari 2001 vastgesteld door de raad en op 7 maart 2003 goedgekeurd door GS. Dit bestemmingsplan is bij uitspraak van 7 april 2004 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) onherroepelijk geworden. Vast staat verder dat voor wat betreft het zuidelijke deel van het perceel een vergelijking gemaakt moet worden tussen het regime van het uitbreidingsplan en dat van het bestemmingsplan "Nieuwebrug", op 20 juli 1981 vastgesteld door de gemeenteraad van Heerenveen en op 10 september 1982 (gedeeltelijk) goedgekeurd door GS. Dit bestemmingsplan is onherroepelijk geworden bij Koninklijk besluit van 25 juni 1985.

Beoordeling

2.1 Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), zoals dat gold ten tijde hier in geding en voor zover hier van belang, kent de gemeenteraad, voor zover een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2 Voor het recht op een planschadevergoeding is een vereiste dat een belanghebbende op het tijdstip van inwerkingtreding van het gewijzigde planologische regime rechthebbende van de onroerende zaak is. Zoals hiervoor is aangegeven, is het bestemmingsplan "Nieuwebrug" in werking getreden in september 1982, dus bijna 13 jaar voordat eiseressen eigenaar van het zuidelijke deel van het perceel zijn geworden. De rechtbank is daarom met de raad van oordeel dat een planologische vergelijking ten aanzien van het zuidelijke deel van het perceel niet gemaakt hoeft te worden.

2.3 Met betrekking tot het noordelijke deel van het perceel staat vast dat eiseressen door het bestemmingsplan "Buitengebied", vergeleken met het voorheen ter plaatse geldende planologische regime, in een nadeliger planologische positie zijn geraakt en dat zij dientengevolge schade hebben geleden. De raad heeft het verzoek, voor zover betrekking hebbend op het noordelijke deel, echter afgewezen op de grond dat -samengevat weergegeven- het voor eiseressen voorzienbaar was dat de bouwmogelijkheden op hun perceel zouden komen te vervallen en dat zij desondanks geen poging hebben ondernomen om deze bouwmogelijkheden te benutten. De raad heeft dit standpunt bij het bestreden besluit gehandhaafd.

2.4 Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van aanvaarding door eiseressen van het risico dat de bouwmogelijkheden op het perceel zouden vervallen, is van belang of de voortekenen van de voor hen nadelige planwijziging reeds enige tijd zichtbaar waren. Om risicoaanvaarding te mogen aannemen, is het voldoende dat er, bezien vanuit de positie van een redelijk denkende en handelende eigenaar, aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie op het perceel in een voor hem negatieve zin zou gaan veranderen (vgl. LJN: BH2569).

2.5 Het voorontwerp-bestemmingsplan "Buitengebied" is op 19 maart 1998 ter inzage gelegd. Vanaf dat moment kon het eiseressen duidelijk zijn dat op termijn de bouwmogelijkheden ten einde zouden lopen. Aangezien een voorontwerp nog geen voorbereidingsbescherming biedt, zouden bouwaanvragen van eiseressen, passend binnen de toen nog geldende bestemming "klasse J, industriële bebouwing", hebben kunnen leiden tot het verlenen van bouwvergunningen. Deze periode heeft zich uitgestrekt tot 26 mei 2000. Op die datum is het ontwerp-bestemmingsplan "Buitengebied" ter inzage gelegd. Duidelijk is dat eiseressen in de periode van 19 maart 1998 tot 26 mei 2000 geen concrete bouwplannen hebben ingediend. Door deze handelwijze hebben eiseressen het risico van de voor hen nadelige bestemmingswijziging aanvaard. Daarom behoort de schade die zij hierdoor lijden voor hun rekening te blijven.

2.6 Uit het voorgaande volgt dat de raad het verzoek van eiseressen om vergoeding van planschade terecht en op goede gronden heeft afgewezen. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

Schadevergoeding en proceskosten

3.1 Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraken van 24 december 2008 (JB 2009, 42) en 4 maart 2009 (JB 2009, 82) mag in gevallen zoals deze, waarin in beroep bij de rechtbank is aangevoerd dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), is geschonden, de behandeling van het bezwaar en de behandeling van het beroep tezamen niet meer dan drie jaar duren, met dien verstande dat een vertraging bij één van beide behandelingen kan worden gecompenseerd door voortvarendheid bij de andere behandeling. Het betoog van eiseressen dat gerekend moet worden vanaf de datum van indiening van het verzoek om vergoeding van planschade faalt derhalve en getuigt van een onjuiste lezing van voormelde uitspraken.

3.2 Eiseressen hebben op 22 juni 2007 bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van hun verzoek om vergoeding van planschade. Bij uitspraak van heden is de beroepsprocedure afgehandeld. Dit betekent dat de behandeling van het bezwaar en het beroep tezamen bijna twee jaar heeft geduurd. Van schending van de redelijke termijn is dus geen sprake. Het verzoek van eiseressen om vergoeding van immateriële schade zal daarom worden afgewezen.

3.3 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.

Aldus gegeven door mr. G.C. Koelman, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Leegsma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2009.

w.g. J.R. Leegsma

w.g. G.C. Koelman

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.