Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BI6760

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
03-06-2009
Datum publicatie
05-06-2009
Zaaknummer
96947 - FA RK 09-896
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Wet tijdelijk huisverbod: beroep en voorlopige voorziening. Geen griffierecht verschuldigd. Beroep ongegrond verklaard en voorlopige voorziening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaak-/rekestnummers: 96946 / KG 09-148 (voorlopige voorziening) en 96947 / FA RK

09-896 (beroep)

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak naar aanleiding van het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, tevens mondelinge uitspraak in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gedaan op 3 juni 2009

inzake

[de man],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, hierna ook te noemen de man,

gemachtigde mr. H.A. de Boer, kantoorhoudende te Sneek,

tegen

de burgemeester van de GEMEENTE LITTENSERADIEL,

verweerder, hierna ook te noemen de burgemeester,

zetelende te Littenseradiel,

in welke zaak belanghebbende is:

[de vrouw]

wonende te [woonplaats],

echtgenote van verzoeker, hierna ook te noemen de vrouw.

Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2009 heeft de hulpofficier van justitie namens de burgemeester aan de man een huisverbod opgelegd op grond van artikel 2 van de Wet tijdelijk huisverbod, voor de periode van 27 mei 2009 14.00 uur tot 6 juni 2009 14.00 uur.

Tegen dit besluit heeft de man bij brief van 28 mei 2009 beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

Het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 3 juni 2009.

De man is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De burgemeester heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer J.A. Bakker, beleidsmedewerker integrale veiligheid bij de gemeente Littenseradiel. Tevens is verschenen mevrouw M. de Ruiter-Abma, hulpofficier van justitie.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de voorzieningenrechter direct mondeling uitspraak gedaan.

De beslissing en de gronden van de beslissing luiden als volgt.

Mondelinge uitspraak

Algemeen

Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Op grond van artikel 8:86, eerste lid, Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit in onderhavige zaak het geval. De voorzieningenrechter zal daarom onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

Op 1 januari 2009 is de wet Regels strekkende tot het opleggen van een tijdelijk huisverbod aan personen van wie een ernstige dreiging van huiselijk geweld uitgaat (Wet tijdelijk huisverbod; Stb. 2008, 421) (hierna: Wth) in werking getreden. Op grond van artikel 2 van deze wet kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat.

De rechtbank overweegt dat, nu artikel 2 Wth aan de burgemeester een discretionaire bevoegdheid verleent, de gebruikmaking van die bevoegdheid door de burgemeester in een concreet geval slechts terughoudend door de rechter kan worden getoetst. Dit betekent dat die gebruikmaking slechts dan rechtens onaanvaardbaar moet worden geacht, indien geoordeeld moet worden dat de burgemeester bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid geen gebruik van die bevoegdheid heeft kunnen maken.

Griffierechten

De man heeft aangegeven dat uit artikel 5 Wth alsmede de toelichting van de gemeente op het huisverbod volgt dat de burgemeester zorg draagt dat de man, binnen 24 uur nadat hij die wens te kennen heeft gegeven, voor de duur van de behandeling van zijn verzoek om voorlopige voorziening, wordt bijgestaan door een raadsman. Zijn inziens volgt hieruit dat zowel de kosten voor zijn gemachtigde als de griffierechten voor rekening van de burgemeester behoren te komen. Mocht dit niet het geval zijn, dan zullen de griffierechten door zijn gemachtigde gedragen moeten worden.

De burgemeester heeft het standpunt van de man niet onderschreven. Slechts de kosten voor de gemachtigde komen voor rekening van de burgemeester. De man dient zelf de griffierechten te betalen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit artikel 5 Wth niet volgt dat de griffierechten voor rekening van de burgemeester komen. Uit de stelling van de man dat zijn gemachtigde de griffierechten zal moeten dragen, leidt de voorzieningenrechter af dat de man financieel niet in staat is deze kosten te betalen. De voorzieningenrechter acht het onwenselijk dat de gemachtigde van de man met kosten wordt geconfronteerd, die - als deze niet worden voldaan - de man mogelijk het recht op vrije toegang tot de rechter onthoudt.

Bij brief van 24 april 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie hieromtrent aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal als volgt geschreven:

"Abusievelijk is de verschuldigdheid van griffierecht voor het vragen van een voorlopige voorziening of het instellen van beroep tegen het huisverbod niet uitgesloten in de Wet tijdelijk huisverbod. In de in voorbereiding zijnde nota van wijziging bij het voorstel van de Wet griffierechten burgerlijke zaken (31 758) zal dit worden hersteld door alsnog twee aanvullende bepalingen in de Wet tijdelijk huisverbod op te nemen waarin expliciet een uitzondering wordt gemaakt op de artikelen 8:41, eerste lid, en 8:81, eerste lid, van de Awb alsook de artikelen 40 en 41 van de Wet op de Raad van State in die zin dat geen griffierecht geheven zal worden.(Eerste Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 700 VI, I 3)"

Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding te anticiperen op deze wetswijziging en bepaalt dat de man in de onderhavige zaken geen griffierecht verschuldigd is.

Mandaatbesluit

De man heeft de geldigheid van het door de burgemeester genomen mandaatbesluit in twijfel getrokken, door te stellen dat dit besluit slechts van toepassing is op de situatie dat sprake is van kindermishandeling, of een ernstig vermoeden daarvan (artikel 2 Besluit mandaatverlening).

Namens de burgemeester is de stelling van de man gemotiveerd betwist.

De voorzieningenrechter stelt vast dat uit artikel 1 van het Besluit mandaatverlening van 9 maart 2009, gepubliceerd in Nijs fan 'e keatsebaen, nummer 6, maart 2009, blijkt dat mandaat is verleend aan de hulpofficier van justitie (belast met de uitvoering van een huisverbod) (hierna: hulpofficier), voor het nemen van het besluit tot het opleggen van een huisverbod. Niet is bepaald dat het besluit slechts van toepassing is op de door de man gestelde situatie. Artikel 2 van het Besluit mandaatverlening machtigt de hulpofficier om een aantal (andere) handelingen te verrichten en bepaalt niets over het nemen van het besluit tot het opleggen van het tijdelijk huisverbod. Het betoog van de man faalt derhalve.

Besluit huisverbod

De man heeft primair aangevoerd dat gegronde redenen voor het opleggen van het huisverbod ontbreken. Volgens hem zijn er onvoldoende feiten om te concluderen dat van een crisissituatie sprake is geweest. Uit het Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld (hierna: risicotaxatierapport) blijkt dat de bedreiging verbaal is geweest. Letterlijk staat in het risicotaxatierapport vermeld: 'zag die vrouw en ging uit mijn dak'. De man heeft hier echter mee bedoeld dat hij zijn stem heeft verheven, hetgeen gebruikelijk is in [de cultuur van de man].

Voorts wordt volgens de man op geen enkele manier onderbouwd dat sprake is geweest van lichamelijk geweld, dat hij 'toevallige' wapens heeft gebruikt en dat er gerede vrees bestaat voor toekomstig geweld. Aan het feit dat de man het contact van de vrouw met een

moslim-gezin afkeurt, liggen persoonlijke motieven ten grondslag, hetgeen geen rol mag spelen bij het al dan niet opleggen van een huisverbod. Daarnaast blijkt uit het proces-verbaal van de hulpofficier dat de vrouw heeft verklaard 'het beter te vinden dat de man nu even niet thuis is'. De man heeft ter zitting erkend dat hij last heeft van stress en dat er mogelijk zelfs sprake is van problemen in de relationele sfeer, maar heeft daartegenover aangevoerd dat een eenzijdige verklaring als die van de vrouw het opleggen van een huisverbod niet rechtvaardigt. Tot slot heeft de man aangegeven dat hij van meet af aan open heeft gestaan voor iedere vorm van hulp. Tot nu toe is de hulpverlening aan hem echter niet op gang gekomen.

Namens de burgemeester is aangevoerd dat er wel degelijk sprake was van fysiek geweld, hetgeen ook blijkt uit genoemd proces-verbaal, waarin vermeld staat dat de vrouw gewond is geraakt. Daarnaast kan de constatering dat sprake is geweest van verbaal geweld niet worden afgedaan met de stelling dat er slechts met stemverheffing zou zijn gesproken. Voorts is aangegeven dat er op 4 juni 2009 gesproken zal worden over de eventuele verlenging van het huisverbod. Alvorens het zover is, zal overleg met de hulpverlenende instanties plaatsvinden. Dat hulpverlening tot nu toe niet tot stand is gekomen, komt doordat de man moeilijk (telefonisch) bereikbaar is.

Anders dan de man heeft betoogd, dragen - naar het oordeel van de voorzieningenrechter - de in voormeld proces-verbaal van 27 mei 2009 genoemde feiten het risicotaxatierapport wel. De voorzieningenrechter heeft geen aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal. Bovendien blijkt uit dit proces-verbaal dat de man op 26 mei 2009 door de politie is aangehouden en ingesloten naar aanleiding van een melding/incident huiselijk geweld. De voorzieningenrechter leidt hieruit af dat er - hoewel de man en de vrouw ieder een andere lezing geven van de gebeurtenissen - zeer duidelijke aanwijzingen zijn geweest dat de aanwezigheid van de man in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor de veiligheid van de vrouw. Voorts blijkt uit meergenoemd proces-verbaal dat de vrouw gewond is geraakt aan haar pols. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester onder de hierboven geschetste omstandigheden bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit kunnen komen om een tijdelijk huisverbod op te leggen.

De man heeft subsidiair aangevoerd dat er op dit moment geen reden is om het opgelegde huisverbod langer te laten voortduren. Namens de burgemeester is aangegeven dat gesteld noch gebleken is van omstandigheden die aanleiding zouden moeten zijn tot het op dit moment intrekken van het tijdelijk huisverbod.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester in redelijkheid als zodanig heeft kunnen besluiten.

Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter het beroep ongegrond verklaren en het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig om een partij te veroordelen in proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Tegen de uitspraak in de hoofdzaak staat voor belanghebbenden binnen zes weken na de datum van verzending van dit proces-verbaal beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Tegen de uitspraak in het verzoek om een voorlopige voorziening kan geen rechtsmiddel worden aangewend.

Waarvan proces-verbaal.

mr. J. Zomer, mr. M.S. van der Kuijl,

griffier voorzieningenrechter

Afschrift aangetekend verzonden op:

(fn: 505)