Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BI6332

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
04-06-2009
Datum publicatie
04-06-2009
Zaaknummer
17/880042-08 VEV
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraakverweren, gebruik medicijnen, schietpartij, veroordeling.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 289
Wetboek van Strafrecht 45
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector straf

parketnummer 17/880042-08 VEV

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 4 juni 2009 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in PI Noord, locatie De Marwei te Leeuwarden.

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 21 augustus 2008, het tussenvonnis van 1 september 2008 en de ter terechtzitting gehouden onderzoeken van 22 januari 2009 en 11 mei 2009.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.M. Westerhuis, advocaat te Drachten.

Telastelegging

Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het onder 1., 2. en 3. telastegelegde, waarbij wordt bewezenverklaard, respectievelijk moord, poging moord en poging moord;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van dertig jaren met aftrek van voorarrest.

Ontvankelijkheid openbaar ministerie

De raadvrouw heeft gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Zij refereert daarbij aan het arrest van de Hoge Raad van 19 december 1995, het zogenaamde Zwolsman-arrest. Zij voert daartoe het volgende aan.

Het openbaar ministerie heeft in een persbericht verklaard dat de oorzaak van de schietpartij vermoedelijk gelegen zou zijn in de relationele sfeer. Door een dergelijke opmerking heeft het openbaar ministerie de toon gezet. Bovendien heeft het openbaar ministerie in een persbericht vermeld dat verdachte zou hebben verklaard gehandeld te hebben uit jaloezie, terwijl verdachte dit nooit heeft verklaard.

Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat op de dvd-opnames van het verhoor te zien is dat de politie, terwijl verdachte de uitgeprinte tekst van de concepten van de processen-verbaal van verhoor doorlas, de tekst op de computer heeft gewijzigd. Verdachte is door de politie te kennen gegeven dat hij de verbeterde verklaringen niet hoefde te lezen omdat die dezelfde tekst hadden.

Verder heeft de raadsvrouw gesteld dat het vooronderzoek niet objectief is geweest. Het onderzoek was duidelijk gericht op het verkrijgen van een bekennende verklaring, wat uit de dvd-opnames van de verhoren blijkt. Terwijl verdachte tijdens de verhoren steeds heeft gesteld dat hij zich het gebeurde niet kon herinneren, drong de politie aan om toch over diverse feiten te verklaren en, zo begrijpt de rechtbank het betoog van de raadsvrouw, zijn verdachte woorden in de mond gelegd. De raadsvrouw heeft in haar pleitnotitie een aantal citaten weergegeven en verwijst daarbij naar de betreffende dvd-opnames.

Ten slotte stelt de raadsvrouw dat uit het requisitoir van de officier van justitie blijkt dat het openbaar ministerie niet objectief is. De officier zou ter zitting onjuistheden hebben verkondigd, een eigen invulling aan de feiten hebben gegeven en aan sfeermakerij hebben gedaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

Voor zover het openbaar ministerie zich in persberichten al onjuist zou hebben uitgelaten, dan brengt dat nog niet met zich mee dat het openbaar ministerie daarmee haar recht op vervolging verwerkt zou hebben. Van strijdigheid met de wet of een beginsel van een goede procesorde is geen sprake. In het bijzonder is ook niet gebleken dat hierdoor de processuele positie van verdachte schade heeft opgelopen.

Ten aanzien van de vermeende aanpassingen in de conceptteksten van het proces-verbaal van verhoor wordt door de raadsvrouw niet gesteld dat haar uit de dvd-opnames gebleken is dat de door verdachte gelezen tekst afwijkt van de tekst die hij ondertekend heeft. Toch gaat de raadsvrouw er blijkbaar vanuit dat de betreffende politiefunctionaris op de computer wijzigingen in de tekst heeft aangebracht. Dat dit het geval geweest zou zijn kan niet worden vastgesteld. Het is net zo goed mogelijk dat het niet ging om wijzigingen de inhoud van de verklaring betreffend, zoals aanpassingen in de lay-out, het maken van een sluitpagina, het verbeteren van taalfouten of iets dergelijks. De enige die een eventueel inhoudelijk verschil heeft kunnen vaststellen was verdachte zelf, maar deze heeft geen aanleiding gezien om de verklaringen niet te ondertekenen. Daarbij is het de rechtbank bij het bekijken en beluisteren van de dvd-opnames ook niet gebleken dat de verklaringen welke door de rechtbank bij de beoordeling van het bewijs worden betrokken, afwijken van de beluisterde tekst. De rechtbank ziet geen reden om ervan uit te gaan dat de tekst van de ondertekende verklaring niet overeenstemt met de door verdachte gelezen verklaring.

Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het opsporingsonderzoek niet objectief is geweest. Het opsporingsonderzoek heeft als belangrijk doel de waarheidsvinding.

Daarbij is ten opzichte van een verdachte uit de aard van een verhoorsituatie geen sprake van een gelijkwaardig partnerschap. Op grond van de verdenking beschikken de politie en justitie over dwangmiddelen, onder andere het dwangmiddel om een verdachte van zijn vrijheid te beroven.

Hierbij hoort uitdrukkelijk dat de verhorende ambtenaar zich onthoudt van alles wat de strekking heeft een verklaring te krijgen waarvan niet gezegd kan worden dat deze in vrijheid is verkregen. Uit geen der door de raadsvrouw opgetekende citaten, afkomstig uit de dvd-opnames, heeft de rechtbank kunnen vaststellen dat het zogenaamde pressieverbod is overtreden. Op 13 februari 2008 zijn de politieverhoren begonnen. De verhoren hadden een oriënterend karakter en gingen over zaken als medicijngebruik, contacten met politie en justitie, persoonlijke omstandigheden, etc. Op 14 februari 2009 heeft het verhoor zich toegespitst op de dag van het delict. Verdachte heeft daarbij op vragen antwoordend een bekennende verklaring afgelegd. Van enige ontoelaatbare druk blijkt niets. Na deze bekennende verklaring hebben de verhorende politiefunctionarissen door middel van vraagstelling getracht meer details boven water te krijgen. Verdachte heeft daarbij meerdere malen aangegeven dat hij zich veel details niet meer kon herinneren. De vraagstelling is op meerdere momenten zeker confronterend geweest, maar naar het oordeel van de rechtbank kan ook op die momenten niet gesproken worden van een ontoelaatbare drukuitoefening op de verdachte.

Ten aanzien van het requisitoir stelt de raadsvrouw dat hierin uitlatingen zijn gedaan die tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie moeten leiden.

Bij de vraag naar de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dient de vraag gesteld te worden of de officier van justitie destijds gerechtigd was een vervolging in te stellen en vervolgens of zij in redelijkheid, dat wil zeggen in overeenstemming met beginselen van een goede procesorde, tot die vervolging heeft kunnen besluiten. Onder "vervolging" dient in dit verband te worden verstaan de situatie dat de strafrechter door de dagvaarding betrokken wordt in het strafproces. De beslissing om tot vervolging over te gaan moet dus worden beoordeeld naar de stand van zaken zoals die ten tijde van het nemen van die beslissing bestond. Dit is slechts anders in bijzondere situaties waarvan de rechtbank niet is gebleken. Alleen al om die reden kunnen uitlatingen gedaan in het requisitoir geen invloed hebben op de rechtsgeldigheid van de eerder genomen vervolgingsbeslissing. Dit ware slechts anders indien uit het requisitoir zou blijken van feiten en omstandigheden die reeds ten tijde van het nemen van de vervolgingsbeslissing bestonden en zich tegen vervolging zouden verzetten, maar dit is door de raadsvrouw niet gesteld en is de rechtbank ook ambtshalve niet gebleken. Ditzelfde geldt ook voor de door de raadsvrouw gestelde waarschuwing van 20 maart 2009 van de officier van justitie waarbij zij mededeelde dat zij overwoog een klacht tegen haar in te dienen. Ook dit raakt niet de rechtsgeldigheid van de eerder jegens verdachte genomen vervolgingsbeslissing.

Op grond van bovenstaande overwegingen komt de rechtbank tot het oordeel dat er niet gebleken is van schending van de wet dan wel van zodanig ernstige schendingen van de beginselen van goede procesorde waarbij met grove veronachtzaming van verdachtes belangen te kort is gedaan aan diens recht op een behoorlijke behandeling van zijn zaak.

De rechtbank verwerpt het niet-ontvankelijkheidverweer.

Gebruik van het medicijn paroxetine en vrijspraakverweren

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem onder 1., 2. en 3. is telastegelegd. Hiertoe heeft zij - kort gezegd - aangevoerd dat noch de opzet, noch de voorbedachte raad in de opgenomen delictsomschrijvingen kan worden bewezen, nu verdachte de handelingen heeft verricht onder invloed van paroxetine.

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Verdachte heeft vanaf een uur of vier in de middag, met een onderbreking voor de avondmaaltijd, café's bezocht en daar bier gedronken. In totaal heeft verdachte, volgens eigen zeggen, zo'n vijf uur in café's doorgebracht, waarbij de nodige alcohol is genuttigd.

Verdachte heeft na vertrek uit de laatste café, rond 23.30 uur, de auto van zijn ex-partner [slachtoffer 3] op de oprit van de woning van [slachtoffer 2] zien staan. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij 'des duivels' werd. Verdachte heeft verder verklaard dat hij 'gek werd' en dat er 'iets in hem knapte'. [slachtoffer 3] had hem de middag ervoor nog verteld dat zij geen contact had met [slachtoffer 2] en nu liggen ze al bij elkaar in bed, zo dacht verdachte volgens zijn verklaringen bij de politie.

Verdachte is doorgereden naar zijn woning en heeft [slachtoffer 3] opgebeld, waarbij hij heeft gevraagd of 'het lekker was'. Verdachte heeft een pistool, patronen en een voorhamer gepakt en is vervolgens teruggereden naar de woning van [slachtoffer 2]. Hier heeft hij eerst met de voorhamer geprobeerd de voordeur open te krijgen. Toen dit niet lukte heeft hij door het raam naast de voordeur geschoten en de glasresten verwijderd. Verdachte is vervolgens de woning binnengedrongen waar hij vervolgens (meermalen) zowel op [slachtoffer 2] als [slachtoffer 3] heeft geschoten. Verdachte heeft daarbij [slachtoffer 2] het pistool op het voorhoofd gezet en geschoten.

Nadat verdachte de woning van [slachtoffer 2] had verlaten, heeft hij het pistool opnieuw geladen en is hij naar [plaats] gereden en is hij de woning van [slachtoffer 1] binnengedrongen. Daar is hij op het geluid afgegaan en heeft getracht [slachtoffer 1] te vinden in de woning. Verdachte vond [slachtoffer 1] op het moment dat zij bezig was uit een raam het dak op te vluchten. Hierop heeft verdachte door het raam meerdere malen geschoten op [slachtoffer 1], waarbij zij om het leven kwam.

De rechtbank stelt vast dat het juridische uitgangspunt is dat uit de uiterlijke verschijningsvorm van gedragingen opzet kan worden afgeleid. Door te handelen als hiervoor omschreven, waarbij op drie personen, meerdere malen, gericht is geschoten met een pistool, kan van opzet op de dood van deze personen worden gesproken. Dit is enkel anders wanneer bij verdachte ieder inzicht in de reikwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan zou hebben ontbroken. De rechtbank is van oordeel dat van die uitzonderlijke situatie in dit geval geen sprake is. Gelet op de achtereenvolgende gedragingen van verdachte, het hierin gelegen tijdsverloop en de verklaringen hierover van verdachte -zowel tegenover de politie als ter terechtzitting van 21 augustus 2008- waarbij hij een beschrijving heeft gegeven van het verloop van deze gebeurtenissen, komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte inzicht heeft gehad in de reikwijdte en de mogelijke gevolgen van het gericht schieten op de drie genoemde personen.

De rechtbank is van oordeel dat in het geval van verdachte tevens sprake is van voorbedachte raad. Verdachte is, nadat hij op de hoogte raakte van de omstandigheid dat [slachtoffer 3] zich in de woning van [slachtoffer 2] bevond en hij 'des duivels' werd niet op dat moment het huis van [slachtoffer 2] is binnengegaan, maar eerst naar zijn eigen woning gereden, waar hij het pistool en de voorhamer heeft opgehaald.

Ook heeft hij nog gebeld met [slachtoffer 3]. Op grond van deze gang van zaken komt de rechtbank tot de vaststelling dat verdachte meerdere momenten heeft gehad waarop hij zich behoorlijk rekenschap kon geven van datgene wat hij ging doen.

Voor wat betreft het doodschieten van [slachtoffer 1] geldt het voorgaande onverminderd, waarbij de rechtbank nog betrekt dat na de gewelddadigheden in [plaats 1], verdachte het pistool opnieuw heeft geladen, naar de woning van [slachtoffer 1] is gereden, zijn auto iets verder dan deze woning heeft geparkeerd waarop -na met geweld de woning te zijn binnengedrongen- een zoekslag door de woning is gevolgd. Hierbij is verdachte volgens eigen zeggen op het schreeuwen van [slachtoffer 1] afgegaan en op de bovenverdieping van de woning terechtgekomen. In deze reeks van handelingen heeft verdachte zonder meer momenten gehad waarop hij zich behoorlijk rekenschap kon geven van datgene wat hij ging doen.

De rechtbank is van oordeel dat zo er al sprake was van medicijngebruik, uit de hierboven genoemde opeenvolgende handelingen kan worden afgeleid dat er meerdere momenten zijn geweest waarop hij zich voldoende rekenschap kon geven van datgene wat hij ging doen.

Uit het voorgaande volgt dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van opzettelijk en met voorbedachte raad handelen door verdachte. De verweren van de verdediging dienaangaande worden dan ook verworpen.

Bewijsmiddelen

De rechtbank past met betrekking tot de telastegelegde feiten de volgende bewijsmiddelen toe:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris op 15 februari 2008, onder meer inhoudende:

Ik blijf bij de verklaringen die ik bij de politie reeds heb afgelegd. Dat betekent dat ik inderdaad op deze drie mensen heb geschoten.

2. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, nr. 2008011405-AH-042, d.d. 21 mei 2008, bevattende diverse processen-verbaal, verklaringen en geschriften, waaronder:

2.1 het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verbalisanten (pag 123-125), onder meer inhoudende als verklaring van verbalisanten:

Wij, verbalisanten hebben de bandopname van de gesprekken van de Meldkamer politie Fryslân beluisterd. Het betreft de gesprekken welke betrekking hebben op bovengenoemd proces-verbaalnummer.

Waar voor de zin een M is geplaatst, wordt bedoeld Meldkamer politie Fryslân

Waar voor de zin NN 1 is geplaatst, wordt bedoeld een onbekende vrouwspersoon (zeer waarschijnlijk is dit [slachtoffer 3])

Waar voor de zin NN2 is geplaatst, wordt bedoeld een onbekende manspersoon (zeer waarschijnlijk is dit [slachtoffer 2])

Waar voor de zin NN3 is geplaatst, wordt bedoeld een onbekende manspersoon (zeer waarschijnlijk is dit verdachte [verdachte])

Op 01-02-2008 23:59:03 uur, gespreksduur 1 minuut en 58 seconden. Er wordt gebeld naar het alarmnummer 112.

M: Alarmcentrale.

NN1: Ga weg! (Schreeuwend)

Op de achtergrond is glasgerinkel en gestommel te horen.

NN1: Ga hier weg [verdachte]! (Schreeuwend) Ga hier weg! (Schreeuwend) Laat mij. (Schreeuwend) Hij is binnen. (Schreeuwend)

Op de achtergrond is een bonk te horen.

NN1: Hij is binnen. (Schreeuwend)

NN2: Ik.

NN1: Ga hier weg. (Schreeuwend)

NN2: Ik ben in de voet geschoten!

NN1: Nee! Nee!

NN2: Hij heeft mij in de poot geschoten!

NN1: Nee! Neeeeee! (Hierna is een bijna huilend en diep ademhalende stem te horen van NN1.)

- Er is een kleine storing in de verbinding te horen waarop een telefoon overgaat op de meldkamer.

NN3: Ik wil je dood maken godverdomme!

NN1: Hou op! (Schreeuwend)

- Er is gestommel te horen waarbij NN2 en NN3 door elkaar schreeuwen, hoorbaar is:

Nu is het gebeurd, nu is het gebeurd, nu ben je mooi stom geweest.

- Er is te horen dat iets of iemand valt, wat klinkt als legoblokjes die op de grond worden gegooid.

NN2 of NN3: Godverdomme.

- Direct hierop volgend is een schot te horen.

NN1: Aaaah (gillend) [slachtoffer 2] Aaaaaah nee nee! (Schreeuwend)

NN3: Nee?

NN1: Nee! Nee!

NN3: Jij gaat er ook aan, wat dacht je dan!

NN1: Nee! Aaah!

- Er is een schot te horen-

- Er wordt op de toetsen van het telefoontoestel gedrukt

NN3: Godverdomme, ik zal je hier het dak opendoen. (Bijna onverstaanbaar)

- Er klinkt een metaalachtig geluid, mogelijk het geluid van het doorladen van het wapen.

NN1: Aaah. (Kreunend)

NN3: Jij bent in ieder geval dood!

NN1: Aaaah.

NN1: Waaah, hij heeft mijn hart geraakt, ik ga dood, ik red het niet.

NN3: Ja, ga maar dood. (Door de woorden van NN1 heen)

NN1: Aaah.

NN3: Jij krijgt mij niet meer. [slachtoffer 2] krijg je niet! Die is dood!

NN1: Aaah.

M: Ik kom hier niet door, hallo!

M: Hallo, hallo.

NN3: En straks nog meer.

- Glasgerinkel, de meldkamer probeert nog een aantal keer in contact te komen en de verbinding wordt verbroken.

Om 00:01:23 belt NN1 nogmaals de meldkamer.

p. 126-127:

M: En u zegt dat u bent neergeschoten? Klopt dat?

NN1: Ja

M: En wie heeft dat gedaan?

NN1: Mijn ex man.

2.2 het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (pag. 148-150), onder meer inhoudende als verklaring van verbalisanten:

Op zaterdag 2 februari 2008, omstreeks 00:28 uur kregen wij de opdracht om te gaan naar de [adres] te [plaats]. Wij kregen de melding dat de buren, de [adres] ruzie en schoten hadden gehoord vanaf genoemd perceel, [adres] te [plaats]. (...) Op zaterdag 2 februari 2008, omstreeks 00:32 uur, waren wij, verbalisanten ter plaatse op de [adres] te [plaats 1]. Wij zagen dat het bovenste raam van de voordeur vernield was. Deze deur bestond uit twee afzonderlijke ramen. Wij zagen tevens bloedsporen op het kozijn en het gebroken raam/glas van deze deur.

Wij, [naam], hoorden dat verbalisant [naam] een slachtoffer had aangetroffen in de dakgoot aan de achterzijde van de woning. Dit was direct onder het raam welke wij geopend hadden aangetroffen. Wij verbalisanten, [naam], zagen genoemd slachtoffer liggen. Ik, verbalisant [naam], zag dat er een schotwond in het hoofd van de vrouw zichtbaar was. Tevens zag ik dat er ook nog een schotwond zichtbaar was in de buik/maag streek van deze vrouw.

2.3 het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (pag 185-186), onder meer inhoudende als verklaring van verbalisanten:

Op 3 februari 2008 werd in aanwezigheid van ons een gerechtelijke sectie uitgevoerd op het lijk van [slachtoffer 1].

[slachtoffer 1] was op zaterdag 2 februari 2008 in haar woning te [plaats] door geweld om het leven gebracht.

2.4 Een bijlage bij het onder 2.2 genoemde proces-verbaal, inhoudende een deskundigenrapport van het Ministerie van Justitie, Nederlands Forensisch Instituut, afdeling Pathologie (blz 187-190), onder meer inhoudende als verklaring van de arts-patholoog:

Voorlopige bevindingen van de sectie op het lijk van:

Naam: [slachtoffer 1]

A. 2.

b. Er was een inschot in de linkerflank, letsel C, eindigend in een kogel ter hoogte van de rechterheup.

B. 2. Er was bloed in de luchtpijp en takken daarvan; er was een vlekkige verkleuring van de rechterlong.

Er waren bij sectie aan het lichaam tekenen van doorgemaakt uitwendig mechanisch perforerend geweld gezien, passend bij 1 doorschot en 1 inschot. De letsels waren, gezien de onderhuidse en omgevende bloeduitstortingen bij leven ontstaan. Het doorschot aan het hoofd ging gepaard met onder andere verbrijzeling van de hersenstam en de rechter grote hersenhelft, waarmee het intreden van de dood zonder meer wordt verklaard door weefselschade en functieverlies van de hersenen in combinatie met bloedverlies en inademing van bloed. Bevindingen sub B2 duiden op ingeademd bloed. In relatie met het inschot letsel C waren er geen vitale structuren geraakt, doch heeft dit letsel gezien de bijdrage aan het bloedverlies een bijdrage geleverd aan het intreden van de dood. (...) Er waren macroscopisch geen ziekelijke afwijkingen die het intreden van de dood zouden kunnen verklaren of hiervoor van betekenis geweest zouden kunnen zijn.

2.5 een schriftelijk stuk, inhoudende een geneeskundige verklaring, d.d. 4 april 2008, (pag 197-198) onder meer inhoudende als verklaring van de arts:

Medische informatie betreffende:

Naam : [slachtoffer 3]

Voornamen : [slachtoffer 3]

Omschrijving van het letsel.

A. Uitwendig waargenomen letsel:

1. Schotverwonding rechter onderarm met een in- en uittrede plaats.

2. Intrede plaats kogel rechter (thorax) borsthelft.

2.6 een schriftelijk stuk, inhoudende een geneeskundige verklaring, d.d. 6 mei 2008, (pag 203-204) onder meer inhoudende als verklaring van de neuroloog en behandelend arts:

Betreft

[slachtoffer 2]

Reden van opname en samenvatting verblijf op de ICB:

Schotverwonding op 01-02-2008, waarna:

1. Multipele en zeer uitgebreide aangezichts- en schedel(basis)fracturen.

2. Uitgebreide intracerebrale contusiehaarden rechts basaal temporaal en frontobasaal bdz.

3. Irreversibel letsel van de n. opticus rechts

4. Schotwond rechter scheenbeen.

2.7 het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van politie (pag 232-234), onder meer inhoudende als verklaring van [slachtoffer 3]:

Ik doe hierbij aangifte tegen [verdachte]. Dit is mijn ex-man. Ik doe aangifte van het feit dat mijn ex man [verdachte] mij heeft neergeschoten op vrijdag 1 februari 2008 tegen middernacht in de woning aan de [adres] te [plaats 1].

2.8 het in wettelijk vorm opgemaakte proces-verbaal van politie (pag 235-237), onder meer inhoudende als verklaring van [slachtoffer 3]:

Ik zal verklaren over wat er vrijdag 1 februari 2008 gebeurd is. Ik ben omstreeks 21:30 naar [slachtoffer 2] toe gegaan. Dit was min of meer al afgesproken met [slachtoffer 2]. Ik had hem 's middags gesproken door de telefoon. (...) Ik ben in mijn auto naar [slachtoffer 2] toe gereden. De auto parkeerde ik bij de woning van [slachtoffer 2]. Ik heb die avond gezellig bij [slachtoffer 2] op de bank gezeten. We hebben wat met elkaar gesproken en TV gekeken. Zijn zoontje [naam] lag al op bed toen ik bij [slachtoffer 2] aankwam. We hebben de gordijnen van de woonkamer dicht. Dat heeft [slachtoffer 2] 's avonds eigenlijk altijd. Vanaf de weg kon je ons dus niet zien in de woning. [verdachte] belde mij toen op mijn GSM zo tussen 23:00 uur en 23:30 uur.

Toen [verdachte] mij dan tussen 23:00 en 23:30 uur belde, was hij ronduit agressief. Hij zei onder andere: 'Heb je het naar de zin en heb je lekker geneukt'. Ik weet niet zo precies meer wat hij zei. Ik zei vervolgens tegen [verdachte] dat dit hem niets aanging en heb daarna mijn telefoon uitgedaan. Ik kon aan de manier waarop [verdachte] tegen mij praatte merken dat hij kwaad was en dat hij drank had gehad. [verdachte] hoeft maar 1 woord te zeggen en dan weet ik al of hij drank heeft gehad. Door mijn ervaring met [verdachte] kon ik aan zijn stem horen dat hij had gedronken en dat hij dronken was. Ook hoorde ik dat hij agressief was. Hij schreeuwt dan door de telefoon, hij is dan boos.

Volgens mij zat er ongeveer een half uur tussen het telefoongesprek met [verdachte] en dat [verdachte] bij de woning van [slachtoffer 2] kwam. Ik hoorde dat er toen iemand met een dikke moker op de deur sloeg. Ik kon dit niet zien, maar wel horen. [slachtoffer 2] en ik liepen naar de deur toe en toen zagen we dat het [verdachte] was die daar tegen de deur en het glas ernaast liep te slaan. Hij was dwars door alles heen. Ik had eerst niet eens gezien dat hij een pistool bij zich had. Maar hij schoot meteen [slachtoffer 2] in zijn voet. [verdachte] zelf was toen nog buiten. De voordeur is nooit open geweest. [verdachte] is door het kapotte raam naast de voordeur naar binnen gekomen. [verdachte] heeft ook door dit kapotte raam op [slachtoffer 2] zijn voet geschoten. Ik zag toen dat hij een pistool had, omdat ik vuur eruit zag komen, op het moment dat hij schoot. Dit raam was kapotgeslagen door [verdachte] met die hamer.

[slachtoffer 2] en ik gingen samen terug naar de woonkamer en probeerden de deur tussen de hal en de woonkamer dicht te houden voor [verdachte]. Dit lukte echter niet. Ik moest het namelijk alleen doen want [slachtoffer 2] had last van zijn been waarin hij was geschoten. Wat er daarna gebeurd is, dat ging allemaal zo snel. Ik heb moeite om dat goed te kunnen vertellen. Ik heb nog tegen [verdachte] gezegd dat hij weg moest gaan. [verdachte] zei tegen [slachtoffer 2] en mij dat hij ons dood zou maken.

Toen ik probeerde de deur dicht te houden tussen de woonkamer en het halletje, stond [slachtoffer 2] voor de bank. Het lukte [verdachte] toen toch om de woonkamer in te komen.

Het gaat daarna zo snel. Ik hoorde [slachtoffer 2] wel zeggen: 'Je hebt me neergeschoten'. Ik weet zo niet meer wat [verdachte] daarop geantwoord heeft. Toen zei [verdachte] nog wat en toen is [slachtoffer 2] [verdachte] aangevlogen. Het is zo snel gegaan, ik weet dat niet precies meer. Er was een hele korte worsteling tussen [slachtoffer 2] en [verdachte]. Volgens mij heeft [verdachte] tijdens die worsteling ook op [slachtoffer 2] geschoten. Hierna viel [slachtoffer 2] op de grond en toen is [verdachte] achter mij aangegaan. Ik liep namelijk naar de hal om hulp te roepen. [verdachte] heeft mij in de hal neergeschoten. Ik viel ook op de grond. [verdachte] is toen over mij heengestapt en is weggegaan. Ik voelde overal bloed en was helemaal warm, dat was heel vreemd.

2.9 Een schriftelijk stuk, bevattende een tapverslag (pag 173-175), onder meer inhoudende:

Tijdstip: 02-02-08 04:25:07

Beller: [verdachte]

Gebelde: [naam1]

Inhoud

[verdachte] belt uit met [naam1]

I: Maar ik denk in ieder geval dat ik twee dood gemaakt heb.

T: Nou één sowieso.

I: Ja dat weet ik sowieso wel want die heb ik het revolver op het hoofd gehad dus ehh.

I: Ah jonge, ik ben gewoon doorgedraaid jonge, ik zag haar auto bij hem staan en zij zaten mooi samen op de bank nou jonge toen ben ik naar huis gereden en nou je weet het wel.

T: Ja, maar waarom ben je nog naar de [adres] ([plaats]) geweest [verdachte]?

I: Dat mens had er ook mee te maken, dat mens heeft haar gek gemaakt met de kop.

T: Ja. En jij gebruikte die medicijnen ook niet meer wel?

I: Nee, jonge die gebruik ik ook niet meer jonge. Ik sta hier te schudden en te beven ja dat dat van thuis af al, toen ik daarheen gegaan ben. Het is hier ook allemaal bloed trouwens.

T: Heb je jezelf wel wat aangedaan?

I: Nee jonge, ik ben door de ruiten heen gekomen he.

(...)

T: Van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] weet ik nog niets.

I: En [slachtoffer 1] dan?

T: Dat jongetje?

I: Nee, [slachtoffer 1], die in de [adres].

T: Die is dood.

I: Nou [slachtoffer 2] heb ik het revolver op de kop gehad, dus volgens mij moet die dood zijn, maar [slachtoffer 3] niet, [slachtoffer 3] niet.

T: Nou die in [plaats], [slachtoffer 3] niet?

I: Nee [slachtoffer 3] niet, die heb ik gespaard volgens mij. Ja, die heeft wel twee kogels gekregen denk ik maar....

T: Maar dat weet je niet 100%.

I: Nee jonge dat weet ik niet.

2.10 het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van politie, (pag 452-466) onder meer inhoudende als verklaring van verdachte:

Ik schat dat het omstreeks 23:30 uur was toen ik het café [naam ] heb verlaten. Ik was niet van plan om er nachtwerk van de maken.

V: Waar ben je toen heen gegaan?

A: Ik ben toen naar [plaats 1] gereden. Ik reed nog steeds in mijn Renault. Ik wilde naar huis. Ik wilde slapen.

V: Wat was de route die je reed?

A: Ik ga er in eerste instantie vanuit dat ik via Surhuisterveen naar [plaats 1] ben gereden. Dat lijkt mij het meest logische. Ik weet dat echter niet zeker. Ik begrijp van u dat u hier ook met de kroeghouder [naam] over hebt gesproken. [naam] is in mijn ogen wel een eerlijk en betrouwbaar persoon. Ik ga er niet vanuit dat [naam] tegen mij en tegen de politie de waarheid niet spreekt. Als [naam] zegt dat ik vanuit het café links af ben gereden in de richting van de rotonde van [straatnaam] dan zal dat wel zo zijn.

V: Hoe ben je naar het adres [adres] gereden?

A: Ik ben volgens mij via het dorp [plaats 1] gekomen. Ik weet mij nog te herinneren dat ik toen ik de eerste keer bij het huis van [slachtoffer 2] aan de [adres] langsreed het huis van [slachtoffer 2] vanuit mijn positie gezien aan de rechterkant stond. Toen ik voor de woning van [slachtoffer 2] langsreed zag ik dat onze auto, de Peugeot 206, bij [slachtoffer 2] op de oprit stond. De auto van [slachtoffer 2], een Audi A6, stond daar nog voor geparkeerd.

Ik zag dat er bij [slachtoffer 2] in huis licht brandde. De rolgordijnen waren naar beneden. Ik werd des duivels. De middag daarvoor had ik nog met [slachtoffer 3] gesproken. Ik heb haar toen gevraagd of ze ook al weer contact had gehad met [slachtoffer 2]. Ze zei dat ze alleen met de kinderen verder wilde en dat ze geen contact meer met [slachtoffer 2] had.

Ik werd gek. Er knapte iets in mij. Ik vond het vreemd. Ik dacht: '[slachtoffer 3] zei tegen mij dat ze geen contact had met [slachtoffer 2] en nu liggen zal al samen in bed'. Het was mij tot op dat moment nog nooit eerder opgevallen dat de auto van [slachtoffer 3] bij [slachtoffer 2] op het erf stond. Ik kon niet zien dat er personen daar in huis zaten

Ik ben naar huis gereden. Wanneer u mij vraagt waarom ik niet meteen naar de woning van [slachtoffer 2] ben gegaan dan kan ik daar geen antwoord op geven. Ik ben naar huis gereden.

Volgens mij ben ik toen eerst mijn woning binnen gegaan en heb vanuit de woning een sleutel van de loods gepakt. Ik ben vervolgens de loods binnen gegaan en heb het pistool van de spant afgepakt. De patronen waren er ook bij. Ik moest de trap op om het vuurwapen te pakken. Wanneer u mij vraagt wat ik dacht toen ik het wapen pakte, dan kan ik u vertellen dat ik dat niet weet.

Ik ben toen in de auto gaan zitten en heb het wapen geladen. Ik weet niet meer of ik dit van de zogenaamde strippen heb gedaan of dat ik ze er los stuk voor stuk in heb gedrukt. Het geladen vuurwapen heb ik op de passagierszitting neergelegd. De resterende munitie zal in de plastic zak achtergebleven zijn.

Ik had de Renault op de oprit geparkeerd toen ik het vuurwapen op heb gehaald. Ik ga ervan uit dat ik de motor heb afgezet. De huissleutel zit namelijk aan dezelfde bos.

Toen ik het wapen al in de auto had neergelegd ben ik de loods weer naar binnen gegaan. Ik heb toen een grote voorhamer gepakt. Dit is een vrij zware hamer met een stok van een lengte van ongeveer 1 meter. Deze hamer heb ik bewust meegenomen. Met deze hamer wilde ik mij de toegang tot de woning van [slachtoffer 2] verschaffen. Ik heb het vuurwapen meegenomen om [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] bang te maken. Waneer u mij vraagt waarom ik het vuurwapen dan had geladen dan kan ik u zeggen dat ik dat niet weet. Volgens mij heb ik het vuurwapen doorgeladen op het moment dat ik op de oprit van de woning van [slachtoffer 2] was.

U vraagt mij of ik ook nog iets anders heb gedaan in de tijd tussen dat ik de eerste keer over [adres] reed en het moment dat ik daar later weer naartoe ben gegaan.

Dit klopt. Ik heb [slachtoffer 3] gebeld. Ik belde met mijn mobiele toestel. Ik weet nog dat [slachtoffer 3] de telefoon op nam. Ik vroeg haar: ''Was het lekker?''. [slachtoffer 3] zei: 'Ik weet het niet.' Ik had wel het idee dat [slachtoffer 3] wel door had dat dit op seks sloeg wat zij mogelijk met [slachtoffer 2] gehad zou hebben. Ik weet nog dat ik op het moment dat ik belde net thuis was en vlak voor het moment dat ik de loods binnen stapte. Het was in ieder geval nog voor het moment dat ik het pistool pakte. Het telefonisch contact dat ik met [slachtoffer 3] had, was een spontane reactie van mij. Ik ben hierna met de Renault weer naar de [adres] gereden. Ik had de voorhamer ook in de auto binnen handbereik neergelegd.

V: Waar heb je de auto geparkeerd?

A: Ik ben via de [adres] gereden. De Peugeot stond nog bij [slachtoffer 2] op de oprit. Ik ben het huis van [slachtoffer 2] voorbij gereden en ben links afgeslagen. In deze straat heb ik de auto aan de linkerkant van de rijbaan geparkeerd. Ik ben uitgestapt en ben met de voorhamer en het pistool naar de woning van [slachtoffer 2] gelopen. Ik had nog steeds dezelfde kleding aan. Ik droeg dus nog mijn fleecejas en pet.

V: Wat zag je toen je aankwam op de [adres] te [plaats 1]?

A: Ik ben het huis voorbij gelopen en ben de oprit opgelopen. De voordeur zit aan de zijkant van het huis. Ik zag dat er nog licht in de woning brandde. Ik denk dat ik niet heb aangebeld. ik ben meteen met de voorhamer op de deur gaan beuken.

V: Waarmee heb je op de deur en ramen geslagen?

A: Ik heb met de voorhamer op de deur gebeukt. Dit is een zware hamer en ik heb hem dan ook ongetwijfeld met beide handen vastgehad toen ik tegen die deur beukte. Ik weet niet meer hoe vaak ik met de voorhamer op deze voordeur heb geslagen. Volgens mij draait deze voordeur normaal gesproken van binnen naar buiten open en daarom lukte het mij niet om de deur open te slaan.

[slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] kwamen de hal binnen lopen. Het licht in de hal brandde. Ik weet niet of er ook een buitenlamp bij de voordeur brandde.

V: Wie van de beiden zag je als eerst?

A: Ik zag [slachtoffer 3] als eerst. [slachtoffer 2] kwam net even later de hal binnen lopen. Ik zag dit door een raam wat naast de voordeur is gesitueerd. Ik zag dat [slachtoffer 3] op het moment dat zij de hal binnenliep haar truitje nog naar beneden trok.

V: Wat dacht je toen?

A: ik dacht die moesten zich eerst nog aankleden. Dit schoot mij door het hoofd. Ze zullen misschien wel iets gezegd of geroepen hebben, maar dat weet ik mij niet te herinneren.

V:Wat heb je vervolgens gedaan?

A: Ik heb mijn pistool gepakt. Volgens mij had ik het pistool in mijn zak van de fleecejas gestopt. De hamer zal ik daar hebben achtergelaten. Ik weet wel dat ik later, toen ik in [plaats] bij [slachtoffer 1] naar binnen ben gegaan, geen gebruik heb gemaakt van mijn voorhamer.

Ik heb hoogstwaarschijnlijk het pistool doorgeladen meteen nadat ik het uit mijn fleecejas had gepakt. Ik bevond mij toen voor de voordeur van de woning van [slachtoffer 2]. Ik heb toen een kogel door het raam naast de voordeur geschoten. Dit betreft een lang staand raam aan de rechterzijde van de voordeur. Het raam ging kapot. ik heb met mijn handen de restanten van het glas verwijderd. Hierna ben ik door dit kapotte raam de woning binnen gegaan. Ik hoorde toen dat [slachtoffer 2] riep: 'ik ben in mijn voet geschoten'

Toen [slachtoffer 2] riep dat hij in de voet was geschoten had ik nog maar een schot gelost. Waarschijnlijk is [slachtoffer 2] dus geraakt door de kogel waarmee ik het raam naast de voordeur van zijn woning kapot had geschoten. Ik was op dat moment in de hal van de woning van [slachtoffer 2]. Ik ben toen naar de kamer doorgelopen. Ik ben in de woonkamer geweest, want ik weet nog dat ik de bank in de kamer heb zien staan.

V: Wat is er over en weer allemaal gezegd?

A: Ik weet nog dat [slachtoffer 2] zei dat hij in zijn poot was geschoten. Ook weet ik nog dat [slachtoffer 2] tegen mij zei: 'Nu heb ik mijn nocht'. [slachtoffer 2] pakte mij vast. Ik weet niet meer waar hij mij vastpakte. Dit is in de kamer gebeurd in de buurt van de kast die daar staat. Ook weet ik nog dat [slachtoffer 2] op enig moment op de grond lag. Volgens mij was dit in de kamer. Als u mij vraagt hoe [slachtoffer 2] daar terecht is gekomen, dan kan ik u zeggen dat ik dat niet weet. Toen [slachtoffer 2] op de grond lag heb ik op hem geschoten.

V: Hoe heb je op [slachtoffer 2] geschoten?

A: Ik stond naast [slachtoffer 2]. Hij lag op de grond.

V: Waar heb je hem geraakt.

A: Ik richtte het pistool op [slachtoffer 2] zijn hoofd. Ik heb vervolgens de trekker van mijn pistool overgehaald. Het pistool bevond zich dus op zeer geringe afstand van [slachtoffer 2] zijn hoofd. Ik weet niet of ik daarbij ook nog iets tegen [slachtoffer 2] heb gezegd. Ook weet ik niet meer of [slachtoffer 2] ook nog iets tegen mij heeft gezegd. Ik weet mij ook niet te herinneren dat het wapen knalde en dus ook goed functioneerde. Ik ga daar wel vanuit want vlak daarvoor schoot ik er ook mee door het raam.

V: Wat zag je toen?

A: Ik zag dat [slachtoffer 3] toen bij de trap lag. Ik zal haar daarvoor waarschijnlijk al met een kogel hebben geraakt. Ik weet niet waar ik [slachtoffer 3] geraakt heb. Ze lag op de grond dus ik ga er van uit dat ik [slachtoffer 3] heb aangeschoten. Ik weet niet hoe vaak ik op [slachtoffer 3] heb geschoten en hoe vaak ik haar geraakt heb.

V: Hoe vaak heb je op [slachtoffer 2] geschoten?

A: Eén in zijn poot en één in het hoofd. Dat weet ik zeker.

V: Waarom ging je op weg naar [slachtoffer 1].

A: Ik was van plan om dat mens ook aan te schieten. Ik noem haar dit mens, omdat ik het idee heb dat [slachtoffer 1] er deels verantwoordelijk voor is dat het huwelijk tussen mij en [slachtoffer 3] op de klippen is gelopen. [slachtoffer 1] heeft naar mijn idee 'reclame' voor [slachtoffer 2] gemaakt bij [slachtoffer 3]. Ik heb geen goede ervaringen met [slachtoffer 1]. Eigenlijk heb ik helemaal geen ervaringen met haar en heb ik dit mij zelf ingeprent. Ik voelde helemaal niets voor [slachtoffer 1].

V: Waar ben je langsgereden?

A: Ik weet niet meer precies waar ik langs ben gereden. Ik weet nog wel dat ik als een gek heb gereden. Ik kan er dan in vijf minuten zijn geweest.

V: Wat voor handelingen heb je nog met het pistool gedaan?

A: In [plaats] heb ik de auto ergens aan de kant gezet. Ik heb het pistool toen gepakt en bijgeladen.

V: Waar heb je je auto geparkeerd?

Ik heb de auto geparkeerd op [straatnaam]. Even verder als haar woning. Ik zag haar auto bij de woning staan. Ik weet dat [slachtoffer 1] in het bezit was van een zwarte Volkswagen Golf met een cijfercombinatie 13 in het kenteken.

V: Hoe wist je waar zij woonde?

A: Het adres stond bij ons thuis op een kaartje. Hier stond het adres [adres].

V: Hoe ben je naar de woning gelopen?

A: Mijn auto stond voor de woning van de buren van [slachtoffer 1]. Ik ben meteen naar de zijkant van haar woning gelopen. Daar zit volgens mij de voordeur van haar woning. Dit was aan de zijde van de woning waar de auto stond geparkeerd.

V: Wat zag je toen je bij de woning aankwam?

A: Haar auto stond daar onder de carport geparkeerd. Ik weet niet zeker maar ik denk dat er een buitenlamp brandde. In de woning brandde geen licht. Ik heb niet op het huisnummer gelet. Ik ging er vanuit dat [slachtoffer 1] wel thuis was. De auto was thuis.

V: Wat heb je vervolgens gedaan?

A: Ik heb voor de deur gestaan. Ik had het pistool bij mij omdat ik haar ook wat aan wilde doen. Ik heb daar bij de woning van [slachtoffer 1] aangebeld. Ik denk dat [slachtoffer 1] dit gehoord heeft want ik hoorde op een gegeven moment dat zij iets riep. Ik zag haar echter niet.

V: Hoe ben je binnen gekomen?

A: Ik heb hier ook een raam ingeschoten. Volgens mij het raam rechts naast de voordeur. Ik ben rechtshandig. Door het schot raakte de ruit kapot en sloeg gedeeltelijk uit het kozijn. De rest van het glas heb ik er met mijn handen uitgeslagen.

V: Wanneer zag je [slachtoffer 1] voor het eerst?

A: Toen ze boven uit een raam hing. Ik zag toen volgens mij alleen haar benen nog.

V: Wat heb je gedaan nadat je binnen bent gekomen?

A: Ik ben naar boven gegaan. De trap zit volgens mij tegenover de voordeur. Ik ben op het geluid afgegaan. Ik hoorde dat [slachtoffer 1] boven was.

V: Wat hoorde je?

A: Ik hoorde [slachtoffer 1]. Ik hoorde haar wel schreeuwen maar ik weet niet wat ze hierbij zei.

V: Waarom ben je naar boven gegaan?

A: Omdat [slachtoffer 1] daar ook was.

V: Waar was [slachtoffer 1] op dat moment?

A: Volgens mij was ze bezig om uit het raam te klimmen. Dit raam zat volgens mij op de overloop. De trap is rechts en het raam waar [slachtoffer 1] doorheen probeerde te klimmen zat daar volgens mij vlakbij.

V: Waarom denk jij dat [slachtoffer 1] uit het raam klom?

A: Ze zal wel angstig zijn geweest. Ze heeft ongetwijfeld het schot door het raam gehoord.

A: Waar bevond [slachtoffer 1] zich toen jij voor het eerst op haar schoot?

A: [slachtoffer 1] was al door het raam geklommen. Ze stond op het dak. Ik weet nog dat er een scheef gedeelte was. Ik heb toen op [slachtoffer 1] geschoten. Ik zag [slachtoffer 1] staan. Ik schoot dus door het openstaande raam op [slachtoffer 1]. Ik stond aan de binnenzijde voor het geopende raam. [slachtoffer 1] stond vlakbij aan de buitenkant. Ik denk dat [slachtoffer 1] ongeveer vanuit mijn positie gezien 1 meter links van het raam stond. Ik heb twee keer op [slachtoffer 1] geschoten.

V: Waarom schoot je nog een keer?

A: Dat weet ik niet. Ik heb twee keer geschoten maar voor hetzelfde geld had ik één of drie keer op [slachtoffer 1] geschoten.

Ik heb twee keer in de richting van het lichaam van [slachtoffer 1] geschoten. Ik heb ook daadwerkelijk twee kogels op haar afgevuurd. Ik heb twee knallen gehoord.

Ik heb twee keer op [slachtoffer 1] geschoten en ben daar weer weggegaan.

De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat de plaatsen [plaats] en [plaats 1] zijn gelegen in de gemeente Achtkarspelen.

Bovenstaande wettige bewijsmiddelen -in onderling verband en samenhang beschouwd- houden de redengevende feiten en omstandigheden in waarop de beslissing van de rechtbank steunt dat verdachte de hierna bewezenverklaarde feiten heeft begaan.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1, 2 en 3 telastegelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 2 februari 2008, te [plaats], in de gemeente Achtkarspelen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool, kogels afgevuurd in de richting van het hoofd en in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 1], en welke kogels vervolgens in het hoofd en in het lichaam van die [slachtoffer 1] zijn binnengedrongen, waardoor schotwonden en bloedverlies zijn ontstaan, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2.

hij omstreeks 2 februari 2008, te [plaats 1], in de gemeente Achtkarspelen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool meermalen een kogel heeft afgevuurd op die [slachtoffer 2] en waarbij die [slachtoffer 2] door een kogel in het hoofd en in het been is geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij omstreeks 2 februari 2008, te [plaats 1], in de gemeente Achtkarspelen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 3] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool meermalen een kogel heeft afgevuurd op die [slachtoffer 3] en waarbij die [slachtoffer 3] door een kogel in het bovenlichaam is geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het bewezene levert op de misdrijven:

1. Moord.

2. Poging tot moord.

3. Poging tot moord.

Strafbaarheid verdachte

De raadsvrouw van verdachte heeft aangevoerd dat de hiervoor bewezenverklaarde handelingen niet aan verdachte kunnen worden toegerekend, omdat hij heeft gehandeld onder invloed van paroxetine. De raadsvrouw stelt dat bij verdachte bijwerkingen zijn opgetreden, die typisch zijn voor het gebruik van de SSRI paroxetine, waarbij als onderbouwing is verwezen naar de verklaringen -schriftelijk en ter terechtzitting afgelegd- van de getuige-deskundige Wolffers. Hieruit blijkt dat bijwerkingen van paroxetine, zoals onrust, akathisie en dwanggedachten over geweld niet ongebruikelijk zijn. Daar komt bij dat het gedrag van verdachte in de nacht van 1 op 2 februari 2008 kan worden bestempeld als 'out of character'. Op grond van voorstaande komt de verdediging tot de conclusie dat het -kort gezegd- niet anders kan dan dat verdachte heeft gehandeld in een gemoedstoestand die werd veroorzaakt door de paroxetine en dat hij daardoor aan de ontstane dwanggedachten geen weerstand kon bieden. Verdachte, zo stelt de verdediging, dient dan ook te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Vooropgesteld dient te worden dat het allerminst aannemelijk is geworden dat verdachte op de dag van de delicten paroxetine heeft ingenomen. Weliswaar is via de raadsvrouw van verdachte de verpakking met drie ontbrekende pillen ingeleverd, maar of verdachte twee van de pillen, zoals hij heeft verklaard, op de betreffende avond heeft ingenomen, is daarmee nog niet vastgesteld. Dit geldt te meer nu verdachte in het hierboven weergegeven telefoongesprek met zijn broer [naam1] heeft gezegd dat hij geen medicijnen meer gebruikte.

Ook wanneer hierover anders geoordeeld zou moeten worden dan geldt het volgende.

Ter terechtzitting van 22 januari 2009 is prof. Y. Wolffers, arts en hoogleraar gezondsheidszorg en cultuur aan de Vrije Universiteit Medisch Centrum te Amsterdam, als getuige-deskundige gehoord. Voorts zijn op de terechtzitting van 11 mei 2009 prof. dr. D.R.A. Uges, ziekenhuisapotheker, klinisch en forensisch toxicoloog-farmoloog, en prof. dr. R.J. van den Bosch, psychiater, als (getuige-)deskundige gehoord. Daarnaast is op deze laatste terechtzitting wederom prof. Wolffers als deskundige gehoord.

Uit de door deze drie deskundigen afgelegde verklaringen blijkt -zakelijk weergegeven- onder meer het volgende.

Uit de verklaring van Uges blijkt dat er geen enkele wetenschappelijke relatie gelegd kan worden tussen het gebruik van paroxetine en agressie dan wel dwanggedachten over geweld. Dat er agressie voorkomt bij gebruikers van paroxetine zou ook kunnen worden verklaard op grond van het feit dat onder gebruikers van paroxetine zich een grote groep mensen bevindt die rancuneus, depressief of ten einde raad zijn. Ook zonder paroxetine zouden mensen uit die groep anderen en/of zichzelf hebben kunnen vermoorden, zodat niet vast te stellen is of bij gebruik van paroxetine dit middel dan de oorzaak van de agressie zou zijn. Ook statistisch gezien is een verband onwaarschijnlijk omdat de overgrote meerderheid geen agressief gedrag vertoont, aldus Uges.

Van der Bosch heeft in dit verband verwezen naar de wetenschappelijke literatuur waaruit blijkt dat één à twee tabletten nauwelijks effect hebben. Uit diverse studies blijkt dat agressie door gebruik van SSRI juist wordt tegengegaan.

De rechtbank stelt vast dat er door de meeste wetenschappers bij de huidige stand van de wetenschap niet wordt uitgegaan van een causaal verband tussen het gebruik van paroxetine en agressie. Wolffers sluit dit causale verband echter niet uit en wijst op de beperkingen in de onderzoeksmogelijkheden voor wetenschappers, vanwege het feit dat de farmaceutische industrie om commerciële redenen niet bereid zou zijn om inzage in de werkelijke feiten en omstandigheden te verlenen.

Maar ook al zou er met Wolffers geoordeeld moeten worden dat farmacologisch gezien er een verband tussen paroxetine en agressie zou kunnen bestaan, dan brengt die mogelijkheid nog niet met zich mee dat het aannemelijk is dat die situatie zich in het onderhavige geval zou hebben voorgedaan en met name niet of dat mogelijke verband juridische relevantie heeft.

Immers, uitgaande van de hypothetische situatie van het causale verband, zal dat in gradaties variëren van een lichte agitatie tot - volgens sommigen - totaal niet meer weten wat men doet. De vraag dient dan te worden gesteld bij welke mate van het agressieverhogende effect het omslagpunt ligt, met dien verstande dat men niet meer verantwoordelijk zou kunnen worden gehouden voor wat men doet.

Uit de verklaringen van verdachte blijkt dat hij zich in de betreffende nacht van de delicten bewust is geweest van wat hij heeft gedaan en nergens blijkt uit dat hij gedreven werd door een kracht waaraan hij geen weerstand kon bieden. Eerder blijkt van frustratie, verdriet en machteloze woede die tot een uitbarsting kwamen op het moment dat hij die nacht zag dat zijn ex-partner zich in de woning van [slachtoffer 2] bevond, maar dat waren emoties die verdachte niet straffeloos maakten ten opzichte van de door hem gepleegde delicten.

In het hierboven aangehaalde gedeelte van de verklaring van verdachte heeft hij verklaard dat hij, zoals hij dat woordelijk uitdrukte, gek werd toen hij de auto van zijn vrouw bij de woning van [slachtoffer 2] zag staan. Dat was het moment waarop verdachte in woede ontstak -dat er iets bij hem knapte zoals hij dat aangaf - en hij naar huis reed om verhaal te halen. Verdachte werd naar het oordeel van de rechtbank gedreven door de woede van de ontdekking van de nachtelijke aanwezigheid van zijn ex-partner bij zijn rivaal en, gevoegd bij maandenlange boosheid en frustratie, was hiermee het sein tot geweld gegeven. Veelzeggend is in dit verband het telefoongesprek dat verdachte met zijn ex-partner voerde voordat hij zijn pistool pakte en haar vroeg: "Was het lekker?", daarmee doelend op het feit dat zijn ex-partner en [slachtoffer 2] samen seks zouden hebben gehad. Dat het hierop volgende geweld zou zijn ontstaan door de vermeende werking van paroxetine, zo al ingenomen, acht de rechtbank onaannemelijk. Ook uit de daarop volgende handelwijze van verdachte blijkt van een zodanig bewust optreden dat niet gesproken kan worden van handelen in een roes of in een vlaag of anderszins in een toestand waarin verdachte zijn denken en handelen niet meer onder controle kon hebben. De rechtbank verwijst hierbij naar hetgeen zij reeds overwogen heeft ten aanzien van verdachte bij de vrijspraakverweren. Voorts neemt de rechtbank nog de volgende feiten in aanmerking. Verdachte kan zich in grote lijnen herinneren wat er allemaal gebeurd is. Hij weet nog dat hij, voordat hij de sleutel van de loods pakte om zijn pistool te halen, met zijn ex-partner belde en wat hij heeft gezegd. Ook kan hij uit eigen wetenschap verklaren dat hij het pistool terwijl hij in de auto zat, heeft geladen en dat hij daarna nog een voorhamer uit de loods heeft gehaald. Verder weet hij dat hij naar de woning van [slachtoffer 2] is gereden en hoe hij de woning is binnengedrongen. Hij weet nog dat hij, toen hij met de voorhamer op de voordeur beukte, zag dat toen zijn ex-partner de hal binnenliep haar truitje rechttrok en dat hij daarbij dacht dat zij -zijn ex-partner en [slachtoffer 2] - zich eerst nog moesten aankleden. Ook dit beeld zal naar het oordeel van de rechtbank verdachte hebben bevestigd in zijn voorgenomen geweld. Verdachte herinnert zich verder wat daar gezegd en geroepen is, wie hij met zijn kogels geraakt heeft, dat hij het pistool van geringe afstand op het hoofd van [slachtoffer 2] heeft gericht en dat hij de trekker heeft overgehaald, terwijl het slachtoffer [slachtoffer 2] op de grond lag.

Ook weet verdachte nog dat hij als "een gek" naar het slachtoffer De Vries is gereden, dat hij onderweg is gestopt om zijn pistool opnieuw te laden, hoe hij daar de woning is binnengedrongen en dat hij haar neergeschoten heeft. Over haar adres weet verdachte zich te herinneren dat dit bij hem thuis op een kaartje stond.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte ten tijde van het plegen van de delicten in staat van voldoende bewustzijn was om èn de strafbaarheid van zijn handelwijze in te zien èn, hoewel door woede overmand, in staat was om zich te onthouden van het plegen van de hier aan de orde zijnde zeer zware delicten en, zoals overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het niet aannemelijk is geworden dat verdachte onder invloed van paroxetine de delicten heeft gepleegd.

Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van een strafuitsluitende omstandigheid. In dit verband verwijst de rechtbank naar het rapport van het Pieter Baan Centrum.

Uit dit rapport blijkt dat de psycholoog komt tot de conclusie dat bij verdachte ten tijde van het plegen van de stafbare feiten sprake was van een aanpassingsstoornis. De psycholoog concludeert dat deze stoornis niet dermate ontwrichtend was dat verdachte werd beperkt in zijn handelingsvrijheid. De deskundigen van het Pieter Baan Centrum komen tot de conclusie dat er geen grond is voor enige vermindering van de toerekeningsvatbaarheid. De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt die tot de hare.

Op grond van het voorgaande verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsvrouw en komt tot het oordeel dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde handelingen.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van de gepleegde feiten;

- de omstandigheden waaronder deze zijn begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister en het rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum, d.d. 1 augustus 2008;

- de vordering van de officier van justitie;

- het pleidooi van de raadsvrouw.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan moord en twee pogingen tot moord. Deze delicten behoren tot de categorie van de zwaarste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. Verdachte meende dat zijn ex-partner, [slachtoffer 3], een relatie was aangegaan met een andere man, [slachtoffer 2], een van de latere slachtoffers, en had zich bovendien in zijn hoofd gezet dat een vriendin van zijn ex-partner, het slachtoffer [slachtoffer 1], de veroorzaker was van de relatiebreuk. Toen verdachte de auto van zijn ex-partner op de oprit van de woning van [slachtoffer 2] zag, heeft hij een pistool en een voorhamer van huis gehaald en is daarmee de betreffende woning binnengedrongen. Hij heeft vervolgens diverse kogels afgevuurd op [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] die daarbij levensgevaarlijk gewond raakten. Dat het slachtoffer [slachtoffer 2] in leven is gebleven is volgens de ter zitting gehoorde forensisch geneeskundige een wonder. Hij zal voor de rest van zijn leven gehandicapt blijven. Maar daarmee was de geweldsuitbarsting nog niet aan het eind gekomen, integendeel er zou nog een slachtoffer vallen. Nadat verdachte de woning van de eerste twee slachtoffers had verlaten, heeft hij [slachtoffer 1] in haar woning opgezocht en haar met zijn vuurwapen van het leven beroofd.

Het is moeilijk om zich een voorstelling te maken van de gruwelijke details van wat de slachtoffers hebben moeten meemaken. Door middel van de opnames die door de meldkamer van de politie zijn gemaakt via de openstaande 112-lijn wordt een aangrijpende inkijk gegeven in de totale paniek en ontreddering bij de eerste twee slachtoffers toen verdachte met veel geweld en schietend de woning was binnengedrongen. Op dat moment was ook nog een kind van acht jaar, het zoontje van een van de beide slachtoffers, in de woning aanwezig. Het buitensporige geweld met gebruikmaking van een vuurwapen heeft deze slachtoffers volkomen overdonderd en maakte hen bij voorbaat kansloos. Ook het slachtoffer [slachtoffer 1], die reeds in bed lag, moet volkomen verbijsterd zijn geweest door de gewelddadige confrontatie met verdachte. De laatste momenten van haar leven zijn afschuwelijk geweest; tijdens haar nachtrust is zij overvallen door bruut geweld, waarbij zij nog in een wanhopige poging om haar leven te redden door het dakraam is geklommen, maar dat mocht haar niet meer baten. Ook zij werd het slachtoffer van de woede van verdachte en zij heeft dat met haar leven moeten bekopen.

De gevolgen van verdachtes optreden zijn onbeschrijfelijk. Een kind van toen nog acht jaar heeft zijn moeder verloren en zijn vader is voor de rest van zijn leven gehandicapt. De ex-partner van verdachte is gewond geraakt en zal in haar verdere leven veel hinder van deze traumatische gebeurtenis ondervinden. De gemeenschappelijke kinderen zijn ten opzichte van verdachte in een onmogelijke positie komen te verkeren met alle loyaliteitsconflicten van dien. Dit alles omdat verdachte niet bereid was om op een adequate manier met de relatieproblematiek om te gaan.

De rechtbank zal verdachte tot een langdurige gevangenisstraf veroordelen, gezien de immens ernstige gevolgen voor de slachtoffers en hun nabestaanden. Bij de bepaling van de duur van de straf dient de rechtbank ook de persoonlijke omstandigheden van verdachte in haar oordeel te betrekken. Hierbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft zich nog nooit eerder schuldig gemaakt aan geweldsdelicten en heeft een blanco strafblad. Hoewel er sprake is van voorbedachte raad, moet de geweldsuitbarsting geplaatst worden in het kader van een periode van moeizame relatieproblematiek. Verdachte is onderzocht in het Pieter Baan Centrum en de conclusie was dat, hoewel verdachte ten tijde van de delicten volledig toerekeningsvatbaar was, hij wel in een toestand van psychische overspannenheid verkeerde, in de zin van een aanpassingsstoornis met depressieve symptomen. Bij een dergelijke aanpassingsstoornis is sprake van een heftige maar niet zozeer pathologische reactie op een stressveroorzakende factor. De verdachte heeft op de rechtbank de indruk gemaakt er niet de man naar te zijn om zijn persoonlijke problemen diepgaand met een vertrouweling of een professional te bespreken. Uit verklaringen van familieleden van verdachte en personen uit zijn omgeving blijkt dat men niet goed wist wat er ten tijde van de relatieproblemen in hem omging. Door niet op een adequate manier met zijn problemen om te gaan, groeide onder de oppervlakte de frustratie uit tot een nauwelijks te beheersen woede die alleen nog maar het beeld van de auto van zijn vrouw op de oprit van [slachtoffer 2] nodig had om tot een volledige uitbarsting te komen. Tegen deze achtergrond beschouwd, deelt de rechtbank niet de visie van de officier van justitie waar zij stelt dat verdachte koel en berekenend te werk is gegaan, terwijl de gevolgen voor de slachtoffers en nabestaanden hem nog steeds volstrekt koud zouden laten.

Gelet op dit verschil in visie zal de rechtbank de eis van de officier van justitie niet volgen en komt alles overwegende tot een gevangenisstraf voor de duur zoals hierna te bepalen.

Inbeslaggenomen goederen

De rechtbank acht de volgende inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen vatbaar voor teruggave aan verdachte nu het belang van strafvordering zich hiertegen niet langer verzet:

- pet met opschrift "[naam]"

- MP3-speler

- briefje met telefoonnummer van [slachtoffer 2]

- briefje met afspraken over de scheiding

- blauwe poetsdoek met bloedsporen

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 45, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.

Verklaart het onder 1., 2. en 3. telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig jaren.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven:

- pet met opschrift "[naam]"

- MP3-speler

- briefje met telefoonnummer van [slachtoffer 2]

- briefje met afspraken over de scheiding

- blauwe poetsdoek met bloedsporen

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. Dölle, voorzitter, mr. R. Baluah en mr. A. de Jong, rechters, bijgestaan door mr. E.M. Troost, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 juni 2009.