Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BI6280

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
08-04-2009
Datum publicatie
04-06-2009
Zaaknummer
273978 \ VZ VERZ 09-62
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op LJN: BI6268 (kort geding waarin is geoordeeld dat geen sprake is van overgang van onderneming).

Nieuwe werkgever dient voorwaardelijk ontbindingsverzoek in voor het geval in een bodemzaak toch zou komen vast te staan dat sprake is van overgang van onderneming, met als gevolg dat werkneemster een aanmerkelijke loonvordering op de nieuwe werkgever heeft.

De kantonrechter wijst het verzoek op deze grond af, omdat dit tot gevolg zou hebben dat de werkneemster haar rechten ex art. 7:662 BW niet meer kan effectueren jegens de nieuwe werkgever, terwijl de oude werkgever weigert het loon door te betalen, stellende dat er wél sprake is van een overgang van onderneming. Werkneemster dreigt hierdoor tussen wal en schip te raken.

Ook overigens is niet gebleken van een verandering in de omstandigheden die de gevraagde ontbinding kunnen rechtvaardigen. Nieuwe werkgever kan het de werkneemster niet verwijten dat zij niet heeft ingestemd met een verslechtering van haar rechtspositie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0436
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector kanton

Locatie Heerenveen

zaak-/rolnummer: 273978 \ VZ VERZ 09-62

beschikking van de kantonrechter d.d. 8 april 2009

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Meulen & Baarsma B.V.,

hierna te noemen: Meulen & Baarsma,

gevestigd te Dokkum,

verzoekster,

gemachtigde: mr. E.A. Siegrist,

tegen

[werkneemster],

hierna te noemen: [werkneemster],

wonende te [woonplaats],

verweerster,

gemachtigde: mr. G. van Eupen.

Procesverloop

1.1 Meulen & Baarsma heeft bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 20 februari 2009, voor het geval dat tussen haar en [werkneemster] een arbeidsovereenkomst bestaat, verzocht deze te ontbinden op grond van gewichtige redenen in de zin van artikel 7:685 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

1.2 Het verweerschrift van [werkneemster] is binnengekomen op 18 maart 2009.

1.3 De mondelinge behandeling is gehouden op 25 maart 2009. Het verzoek is gelijktijdig behandeld met het door Meulen & Baarsma jegens [werkneemster 2] ingediende voorwaardelijke ontbindingsverzoek (zaaknr. 273967). Van het verhandelde ter zitting zijn aantekeningen gemaakt. Door [werkneemster] zijn producties in het geding gebracht.

Motivering

de feiten

2.1 In deze procedure geldt het volgende als vaststaand.

2.2 Meulen & Baarsma exploiteert een beddenzaak in het pand aan de Marconiweg 9 te Joure. Aldaar huurt Meulen & Baarsma vanaf 1 december 2008 een verkoopruimte van circa 1.372 m² en een magazijn van circa 42 m². Voordien was op deze locatie gevestigd een beddenzaak van De Wrede's Beddorama B.V. te Joure (hierna: De Wrede). [werkneemster] is sedert 14 februari 1994 in dienst bij De Wrede in de functie van verkoopster, voor 19,04 uren per week tegen een loon van € 1.025,99 bruto per vier weken, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten.

2.3 [werkneemster] heeft Meulen & Baarsma en De Wrede gedagvaard in kort geding, waarbij zij zich primair op het standpunt heeft gesteld dat zij van rechtswege in dienst is gekomen van Meulen & Baarsma omdat sprake is van een overgang van onderneming. [werkneemster] heeft daarom wedertewerkstelling en loondoorbetaling gevorderd, primair bij Meulen & Baarsma, subsidiair bij De Wrede.

2.4 In zijn vonnis van 10 maart 2009 (zaaknr. 270564) heeft de kantonrechter geoordeeld dat geen sprake is van een overgang van onderneming, zodat de rechten en verplichtingen uit hoofde van de arbeidsovereenkomst nog steeds op De Wrede rusten. De loonvordering op De Wrede is toegewezen, maar de vordering tot wedertewerkstelling is afgewezen omdat aannemelijk is geworden dat De Wrede haar onderneming heeft beëindigd. De vorderingen jegens Meulen & Baarsma zijn afgewezen.

de standpunten van partijen

2.5 Meulen & Baarsma verzoekt de arbeidsovereenkomst, voor zover in rechte zou komen vast te staan dat deze bestaat, te ontbinden op grond van gewijzigde omstandigheden. Meulen & Baarsma is van mening dat er tussen partijen geen arbeidsovereenkomst bestaat, omdat van een overgang van onderneming van De Wrede naar Meulen & Baarsma geen sprake is. Omdat een bodemprocedure over deze kwestie nog geruime tijd kan duren, heeft Meulen & Baarsma belang bij het beperken van een loonvordering van [werkneemster]. Meulen & Baarsma heeft [werkneemster] een contract voor een jaar aangeboden, maar dat heeft zij geweigerd. Inmiddels heeft Meulen & Baarsma nieuw personeel aangenomen voor de beddenzaak in Joure, zodat er voor [werkneemster] geen plaats meer is. Aldus is sprake van een verandering in de omstandigheden die rechtvaardigt dat de ontbinding wordt uitgesproken zonder toekenning van een vergoeding, aldus Meulen & Baarsma.

2.6 [werkneemster] volhardt in haar standpunt dat sprake is van een overgang van onderneming, zodat een bodemprocedure duidelijkheid zal moeten bieden. Zij blijft zich beschikbaar stellen voor de bedongen arbeid en maakt aanspraak op volledige loonbetaling tot het dienstverband rechtsgeldig is geëindigd. [werkneemster] betwist de door Meulen & Baarsma gestelde verandering in de omstandigheden en concludeert primair tot afwijzing van het verzoek, subsidiair tot toekenning van een vergoeding van (afgerond) achttienduizend Euro op basis van de kantonrechtersformule zoals die luidde tot 1 januari 2009 (c=1).

de beoordeling

2.7 De kantonrechter heeft zich ervan vergewist dat het verzoek geen verband houdt met het bestaan van een opzegverbod.

2.8 De kantonrechter stelt voorop dat de argumenten die over en weer naar voren zijn gebracht ten betoge dat er wel of niet sprake is van een overgang van onderneming, in deze procedure onbesproken zullen blijven. Of er tussen partijen met ingang van 1 december 2008 van rechtswege een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen, zal in een bodemprocedure moeten worden uitgemaakt. In het kader van dit voorwaardelijke ontbindingsverzoek wordt van de fictie uitgegaan dat er een arbeidsovereenkomst tussen partijen bestaat.

2.9 Toewijzing van het verzoek op de enkele grond dat Meulen & Baarsma dusdoende kan voorkomen dat de loonvordering van [werkneemster] -in afwachting van de uitkomst van een bodemprocedure- oploopt, acht de kantonrechter niet aangewezen. Een dergelijke beslissing zou immers tot gevolg hebben dat de effectuering van de rechten die [werkneemster] jegens Meulen & Baarsma meent te hebben op grond van art. 7:662 e.v. BW, grotendeels illusoir wordt. Dit geldt te meer in de onderhavige situatie waarin De Wrede zich op het standpunt stelt dat sprake is van een overgang van onderneming en op grond daarvan de claims van [werkneemster] afwijst en vooralsnog de loonbetaling niet heeft hervat, zodat de werkneemster tussen de wal en het schip dreigt te raken.

2.10 De vraag of er overigens sprake is van veranderingen in de omstandigheden, welke van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen, beantwoordt de kantonrechter ontkennend. Dat Meulen & Baarsma nieuw personeel heeft aangenomen voor haar winkel in Joure nadat [werkneemster] het haar aangeboden contract voor bepaalde tijd heeft geweigerd, is een omstandigheid die geheel voor rekening en risico van de werkgever komt. Het kan [werkneemster] immers niet worden verweten dat zij niet vrijwillig instemt met een verslechtering van de rechtspositie die zij jegens Meulen & Baarsma denkt te hebben, namelijk een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

2.11 Op grond van het vorenoverwogene komt de kantonrechter tot de slotsom dat het verzoek moet worden afgewezen.

2.12 De kantonrechter acht termen aanwezig om de proceskosten tussen partijen te compenseren.

Beslissing

De kantonrechter:

wijst het verzoek af;

compenseert de proceskosten in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gegeven te Heerenveen en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2009 door mr. R. Giltay, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.

c 209