Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BI5232

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
20-05-2009
Datum publicatie
28-05-2009
Zaaknummer
92282 / HA ZA 08-847
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil over bedrag dat door een partij in depot is gestort op de derdenrekening van het advocatenkantoor van de wederpartij. Verrekeningsbevoegdheid van de betreffende advocaat. Einde volmacht bij faillissement.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 72
Burgerlijk Wetboek Boek 3 111
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 127
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RI 2009, 84
JOR 2009/243
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 92282 / HA ZA 08-847

Vonnis van 20 mei 2009

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AANNEMERS- EN STAALCONSTRUCTIEBEDRIJF AAN DE STEGGE B.V.,

gevestigd te Goor,

2. de naamloze vennootschap

FRIESLAND BANK N.V., h.o.d.n. BANK BERCOOP,

gevestigd te Leeuwarden,

3. MR. T.E.A. DETMAR Q.Q., handelende in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PIETER DE BOER METAAL II B.V.,

kantoorhoudende te Drachten,

eisers in conventie,

verweerders in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. J.B. Dijkema, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

1. de stichting

STICHTING BEHEER DERDENGELDEN [X] C.S. ADVOCATEN,

zetelende te [woonplaats],

2. MR. F. [X],

wonende te [woonplaats],

3. MR. DRS. [Y],

wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

eisers in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. drs. M.R. van der Pol, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Partijen zullen hierna gezamenlijk Aan de Stegge c.s. en de stichting c.s. worden genoemd.

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Pieter de Boer Metaal II B.V. zal verder als Pieter de Boer worden aangeduid.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in voorwaardelijke reconventie;

- de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie;

- het proces-verbaal van comparitie van 7 april 2009.

Partijen hebben producties overgelegd.

Bij gelegenheid van de comparitie is de voorwaardelijke eis in reconventie verminderd.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Mr. [X] heeft in de periode 2004-2005 als advocaat werkzaamheden verricht voor Pieter de Boer. Hij heeft hiervoor facturen verstuurd tot een totaalbedrag van EUR 30.347,03, die onbetaald zijn gebleven.

2.2. In de algemene voorwaarden van de maatschap [X] Advocaten is - voor zover hier van belang - bepaald:

“[X] Advocaten is gemachtigd betalingen ten behoeve van cliënt voor deze in ontvangst te nemen op rekeningnummer 32.09.54.692 ten name van de Stichting Beheer Derdengelden [X] alsmede betalingen ten behoeve van de cliënt door de Stichting Derdengelden [X] in ontvangst te (laten) nemen. De Stichting Derdengelden [X] is door cliënt gemachtigd om aldus ontvangen gelden aan de maatschap Van der Hoef Advocaten te betalen teneinde te worden verrekend met door deze maatschap aan cliënt verzonden declaraties, ook indien daarvan de betalingstermijn nog niet is verstreken.”

2.3. Mrs. [X] en [Y] zijn de bestuurders van de Stichting Beheer Derdengelden [X] (verder: de stichting).

2.4. Aan de Stegge heeft op 13 juli 2004 als hoofdaannemer aan Pieter de Boer opdracht gegeven om in onderaanneming werkzaamheden te verrichten met betrekking tot de metaalconstructie ten behoeve van het project gemeentehuis Hof van Twente.

2.5. Tijdens de bouw zijn tussen Aan de Stegge en Pieter de Boer een aantal geschillen gerezen, waarbij beide partijen zich op het standpunt stelden dat zij een vordering op de andere partij hadden. Een en ander heeft ertoe geleid dat Pieter de Boer het werk uiteindelijk heeft stilgelegd.

2.6. Aan de Stegge heeft vervolgens aangeboden om, voor het geval mocht blijken dat Pieter de Boer daadwerkelijk een vordering op haar (Aan de Stegge) zou hebben, een depot van EUR 130.000,00 aan te leggen door storting van dat bedrag op de derdengeldrekening van [X] Advocaten. Pieter de Boer heeft dit voorstel geaccepteerd.

2.7. Aan de Stegge heeft op 22 november 2005 EUR 130.000,00 naar de stichting overgemaakt.

2.8. Aan de Stegge en Pieter de Boer zijn voorts overeengekomen dat zij ter beslechting van hun geschil een bindend advies zullen laten uitbrengen.

2.9. Pieter de Boer heeft bij mr. Van Werven - die volgens Pieter de Boer door partijen tot bindend adviseur was benoemd - een memorie van eis ingediend. Aan de Stegge heeft afgezien van het nemen van een memorie van antwoord omdat zij van mening was dat er nog geen bindend adviesprocedure aanhangig was. Zij heeft de overeenkomst met mr. Van Werven dienaangaande - voor zover daar sprake van zou zijn - nadien opgezegd.

2.10. Mr. [X], althans de stichting, stelde zich vervolgens op het standpunt dat het geschil tussen Aan de Stegge en Pieter de Boer door de handelwijze van Aan de Stegge is geëindigd in het voordeel van Pieter de Boer, zodat de stichting het geld vanaf dat moment (uitsluitend nog) voor Pieter de Boer hield.

2.11. Mr. [X] heeft bij brief van 19 april 2006 aan Pieter de Boer - voor zover hier van belang - bericht:

“Tevens heb ik inmiddels telefonisch contact gehad met mr. Ter Mors (toenmalig advocaat van Aan de Stegge, toevoeging rechtbank) waarbij deze aangaf de bindend adviseur heden nog schriftelijk te zullen bevestigen dat Aan de Stegge geen medewerking zal verlenen aan de verdere voortgang van de bindend adviesprocedure.

Vooralsnog ga ik er vanuit dat, gelet op deze handelwijze, binnenkort het in depot gestorte bedrag à € 130.000,00, op grond van de eerder gemaakte afspraken, aan u kan worden uitbetaald. Voor het geval dit mogelijk is zal ik dit bedrag aan u over maken onder aftrek van mijn openstaande declaraties.”

2.12. Pieter de Boer is bij vonnis van deze rechtbank van 20 april 2006 in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. T.E.A. Detmar als curator (verder: de curator).

2.13. Bank Bercoop had reeds voor het uitspreken van het faillissement van Pieter de Boer een brief aan Aan de Stegge geschreven, waarin zij openbaar maakte pandhouder te zijn van vorderingen van Pieter de Boer op debiteuren. Bank Bercoop heeft Aan de Stegge verzocht om uit dien hoofde een bedrag van EUR 173.222,16 aan haar te betalen, hetgeen laatstgenoemde heeft geweigerd.

2.14. Mr. Ubbens, advocaat van Bank Bercoop, heeft bij brief van 6 juni 2006 aan mr. [X] - voor zover hier van belang - meegedeeld:

“Refererend aan ons telefoongesprek van heden, bevestig ik gaarne namens de bank en de boedel (mr. Detmar) het navolgende:

Ik verzoek u mij per kerende post te willen bevestigen dat het bedrag dat u onder u houdt, dat - zo deelde u mij mede - na aftrek van uw kosten ten minste de somma van

€ 100.000,-- beloopt, door u onder u wordt gehouden louter en alleen voor uw cliënte Pieter de Boer Metaal II.”

2.15. De curator en Bank Bercoop hebben vervolgens onderling een afspraak gemaakt over de verdeling van het door Aan de Stegge in depot gestorte bedrag. Hierbij is afgesproken dat Bank Bercoop hiervan een bedrag van EUR 75.000,00 zou ontvangen, de curator EUR 25.000,00 en dat mr. [X] zijn onbetaald gebleven declaraties tot een bedrag van EUR 30.347,03 zou mogen verrekenen alvorens het restant aan Bank Bercoop en de curator uit te keren. Een kantoorgenoot van mr. Ubbens, mr. Eshuis, heeft met het oog op de uitvoering van deze afspraak bij faxbericht van 22 juni 2006 aan mr. [X] bericht dat een bedrag van EUR 100.000,00 overgemaakt kan worden naar de faillissementsrekening van de curator.

2.16. Op 23 juni 2006 heeft Aan de Stegge onder de Coöperatieve Rabobank Burgum-Oostermeer U.A. conservatoir derdenbeslag laten leggen op de rekening van de stichting, die zij aldaar aanhoudt. Voorts heeft Aan de Stegge op 7 juli 2006 een kort geding-dagvaarding aan de stichting c.s. laten betekenen, waarbij zij onder meer vorderde (onder I) dat de stichting zou worden geboden om het door Aan de Stegge gestorte bedrag ter beschikking te houden voor Aan de Stegge, Bank Bercoop en de curator en voorts (onder II) dat de stichting zou worden verboden om - kort gezegd - enig bedrag uit het depot uit te keren zonder dat zij daartoe (op in het petitum omschreven gronden) gerechtigd zou zijn.

2.17. Mr. [X] heeft in reactie hierop bij brief van 13 juli 2006 meegedeeld dat hij, althans de stichting, zich zal gedragen overeenkomstig het onder I en II gevorderde. Het kort geding is daarop door Aan de Stegge ingetrokken. De afspraak als bedoeld in rechtsoverweging 2.15. is niet geëffectueerd.

2.18. Aan de Stegge, Bank Bercoop en de curator hebben vervolgens ter voorkoming van een procedure met betrekking tot de vraag wie van hen geheel of gedeeltelijk rechthebbende is op het in depot gestorte bedrag, een overeenkomst gesloten die inhoudt dat het saldo ad EUR 130.000,00 volgens de volgende verdeelsleutel over de drie partijen verdeeld zal worden: Aan de Stegge ontvangt een bedrag van EUR 77.500,00 (vermeerderd met de inmiddels over dit bedrag gekweekte rente), Bank Bercoop ontvangt EUR 37.500,00 (plus rente) en de curator ontvangt EUR 15.000,00 (eveneens met rente). Voorts zijn zij overeengekomen dat het volledige bedrag overgemaakt dient te worden naar de derdengeldrekening van KienhuisHoving N.V., het kantoor van de huidige advocaat van Aan de Stegge mr. Poelenije, en dat zij alledrie moeten meewerken aan het verkrijgen van gehele saldo.

2.19. Mr. Poelenije heeft per e-mailbericht van 17 april 2008 mr. [X] verzocht om het gehele saldo, vermeerderd met rente, over te maken naar de derdenrekening van zijn kantoor.

2.20. Mr. [X] heeft vervolgens bij faxbericht van 13 mei 2008 aan mr. Poelenije meegedeeld dat hij zich op verrekening wenst te beroepen voor zover het gaat om betaling van een bedrag van EUR 45.000,00 dat aan Bank Bercoop uit hoofde van haar pandrecht toekomt.

2.21. Mr. [X], althans de stichting, heeft nadien in totaal EUR 92.500,00 naar de derdengeldrekening van KienhuisHoving N.V. overgemaakt. Enige tijd later is ook de over dit bedrag gekweekte rente betaald. Aan de Stegge, Bank Bercoop en de curator hebben deze bedragen naar rato van de door hen overeengekomen verdeelsleutel onderling verdeeld.

2.22. Mr. [X], althans de stichting, heeft ook na aanmaning geweigerd om het restant van het depot ad EUR 37.500,00, vermeerderd met rente, aan Aan de Stegge c.s. te betalen.

2.23. Mr. [X] heeft na het faillissement van Pieter de Boer in opdracht van Bank Bercoop werkzaamheden verricht die verband hielden met de uitwinning van zekerheden welke door Pieter de Boer aan Bank Bercoop waren verstrekt.

3. De vordering in conventie

De vordering strekt ertoe dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I de stichting gebiedt het thans nog resterende deel van het onverdeelde saldo op de door haar aangehouden derdengeldrekening ad EUR 37.500,00, vermeerderd met de daarover gekweekte rente vanaf 22 november 2005 tot en met de dag der voldoening, over te maken naar de derdengeldrekening van KienhuisHoving N.V.;

II de stichting verbiedt enig bedrag aan mr. [X] ter beschikking te stellen ter betaling/verrekening van zijn declaraties met het bedrag dat aan Aan de Stegge c.s. toekomt;

III mrs. [X] en [Y] verbiedt om enige handeling te verrichten die ertoe kan leiden dat de stichting in strijd handelt met het onder I genoemde gebod respectievelijk het onder II genoemde verbod;

IV mrs. [X] en [Y] gebiedt aan de uitvoering van het onder I genoemde mee te werken;

V de stichting veroordeelt tot betaling van een dwangsom van EUR 150.000, althans een door de rechtbank te bepalen dwangsom, voor elke dag of deel daarvan dat de stichting niet voldoet aan het gevorderde onder II, nadat het vonnis aan haar is betekend;

VI mrs. [X] en [Y], hoofdelijk, des de een betalende de ander zal zijn gekweten, veroordeelt tot betaling van een dwangsom van EUR 150.000,00, althans een door de rechtbank te bepalen dwangsom, voor elk dag of deel daarvan dat mrs. [X] en [Y] niet aan het gevorderde onder III en IV voldoen, nadat het vonnis aan hen is betekend;

VII de stichting c.s. veroordeelt in de kosten van het geding.

De stichting c.s. hebben verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, ingegaan.

4. De vordering in voorwaardelijke reconventie

Na vermindering van eis vorderen de stichting c.s. dat (de rechtbank leest) de rechtbank de stichting machtigt om een bedrag van EUR 7.152,97 te betalen aan mr. [X] respectievelijk de maatschap [X] Advocaten bij wijze van voorschotbetaling op de declaraties van mr. [X] ten behoeve van werkzaamheden die door hem zijn verricht in opdracht van Bank Bercoop. Voorts is gevorderd om Aan de Stegge c.s., voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten te veroordelen.

Aan de Stegge c.s. hebben verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, ingegaan.

5. De beoordeling

in conventie

5.1. Aan de Stegge c.s. leggen aan hun vordering ten grondslag dat (ook) het restant van het in depot gestorte bedrag door de stichting aan hen moet worden uitgekeerd omdat de door mr. [X] c.q. de stichting gepretendeerde verrekeningsbevoegdheid volgens Aan de Stegge c.s. niet bestaat en de stichting derhalve het geld zonder recht of titel onder zich houdt. Wat betreft de positie van de beide bestuurders van de stichting is door Aan de Stegge c.s. gesteld dat zij bevorderen, althans toelaten, dat de stichting haar verplichtingen jegens Aan de Stegge c.s. niet nakomt, hetgeen volgens Aan de Stegge c.s. een onrechtmatige daad oplevert.

5.2. De stichting heeft zich tegen de vordering verweerd en daartoe in essentie aangevoerd dat als gevolg van de eenzijdige beëindiging van de bindend adviesprocedure door Aan de Stegge, het geschil met Pieter de Boer in het voordeel van laatstgenoemde is geëindigd. Het in depot gestorte bedrag kwam daarom aan Pieter de Boer toe. Op grond van de algemene voorwaarden van de maatschap [X] Advocaten, die op de overeenkomst(en) van opdracht tussen Pieter de Boer en mr. [X] van toepassing zijn, mocht de maatschap, althans mr. [X], vervolgens het bedrag van de openstaande declaraties die verband hielden met de werkzaamheden voor Pieter de Boer, met het in depot gestorte bedrag verrekenen. Deze verrekeningsbevoegdheid is door mr. [X] bij brief van 19 april 2006 jegens zijn toenmalige cliënte ingeroepen en is nadien door Bank Bercoop en de curator ook onderschreven, gelet op het feit dat zij instemden met uitkering van het depot aan hen onder aftrek van het bedrag dat was gemoeid met de hiervoor bedoelde openstaande declaraties. Het staat de stichting dan ook niet vrij om het deel van het depot dat ziet op het bedrag waarop Bank Bercoop volgens de door Aan de Stegge c.s. overeengekomen verdeelsleutel recht heeft, aan Aan de Stegge c.s. uit te betalen nu mr. [X] uit hoofde van zijn verrekeningsbevoegdheid tot een bedrag van EUR 30.347,03 hierop aanspraak maakt, welke aanspraak Bank Bercoop in haar hoedanigheid van pandhouder van vorderingen van Pieter de Boer tegen zich moet laten gelden, aldus nog steeds de stichting. Zij heeft hier nog aan toegevoegd dat Aan de Stegge en de curator geen vordering meer hebben, nu deze twee partijen reeds hun deel met rente uitgekeerd hebben gekregen.

5.3. Wat betreft de vraag of de vordering moet worden afgewezen voor zover het om Aan de Stegge en de curator gaat, is de rechtbank van oordeel dat dit verweer dient te falen nu Aan de Stegge c.s. - om hen moverende redenen - zijn overeengekomen dat zij gezamenlijk aanspraak kunnen maken op het totale bedrag dat in depot is gestort en dat het uit te keren bedrag volgens een bepaalde verdeelsleutel tussen hen zal worden verdeeld. Nu vaststaat dat de stichting nog een deel van het in depot gestorte bedrag onder zich houdt, kunnen Aan de Stegge en de curator naast Bank Bercoop als gezamenlijke deelgenoten vorderen dat uitbetaling van dit restant aan hen gezamenlijk dient plaats te vinden. De rechtbank tekent hierbij nog aan dat de hiervoor bedoelde afspraken tussen Aan de Stegge, de curator en Bank Bercoop - wat daar verder ook van zij - de stichting niet regarderen.

5.4. Inhoudelijk bezien betreft de kern van het geschil de vraag of mr. [X] zich jegens Bank Bercoop (en, naar tussen partijen niet in geschil is, daarmee jegens Aan de Stegge c.s.) voor een bedrag van EUR 30.347,03 op verrekening kan beroepen, als gevolg waarvan de stichting in zoverre niet gerechtigd zou zijn om over te gaan tot uitbetaling van het restant van het in depot gestorte bedrag. De rechtbank beantwoordt deze vraag om meerdere redenen ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

5.5. De rechtbank is allereerst van oordeel dat de stichting niet op toereikende wijze heeft gesteld dat in de onderhavige situatie is voldaan aan de voorwaarden voor verrekening zoals omschreven in de algemene voorwaarden die door de maatschap [X] Advocaten worden gebruikt. Immers, uit het hiervoor in rechtsoverweging 2.2. weergegeven citaat blijkt dat het moet gaan om “betalingen ten behoeve van cliënt”. De stichting heeft evenwel niet voldoende gemotiveerd gesteld dat het door Aan de Stegge op 22 november 2005 gestorte bedrag ad EUR 130.000,00 een betaling ten behoeve van Pieter de Boer betrof. Tussen partijen staat immers vast dat dit bedrag destijds is gestort tot zekerheid voor betaling door Aan de Stegge voor het geval in een bindend adviesprocedure zou worden beslist dat Aan de Stegge dit bedrag aan Pieter de Boer verschuldigd zou zijn, terwijl voorts vast staat dat er geen bindend advies is uitgebracht waarin een dergelijk oordeel ligt besloten. Nu gesteld noch gebleken is dat Pieter de Boer ook gerechtigd zou zijn tot het in depot gestorte bedrag indien uiteindelijk géén bindend advies zou worden uitgebracht, valt niet in te zien dat het in depot gestorte bedrag ineens een betaling ten behoeve van (uitsluitend) Pieter de Boer zou betreffen. De rechtbank wijst in dit verband bovendien op het bepaalde in art. 3:111 BW, waaruit voortvloeit dat als iemand krachtens een bepaalde rechtsverhouding voor een ander is gaan houden, hij daarmee onder dezelfde titel voortgaat, zolang niet blijkt dat hierin verandering is gebracht. Een houder kan zichzelf derhalve niet tot houder voor een ander maken, tenzij een van de uitzonderingssituaties van art. 3:111 BW zich voordoet. De enkele (en bovendien: betwiste) omstandigheid dat Aan de Stegge eenzijdig de bindend adviesprocedure zou hebben beëindigd betreft evenwel niet een van die situaties. De stichting is het geld dan ook nimmer voor Pieter de Boer gaan houden.

5.6. De stichting heeft bij gelegenheid van de comparitie (voor het eerst in deze procedure) opgemerkt dat de storting door Aan de Stegge mede was bedoeld om het bouwproject gemeentehuis Hof van Twente af te ronden zodat een substantieel deel hoe dan ook aan Pieter de Boer toekwam. Deze stelling - die door Aan de Stegge c.s. bovendien uitdrukkelijk is weersproken - is evenwel niet nader toegelicht en vindt ook niet op enigerlei wijze steun in de gedingstukken, zodat zij als zijnde te vaag wordt gepasseerd.

5.7. Gelet op het vorenstaande kan in het midden blijven of op de contractuele relatie tussen mr. [X] (althans de maatschap [X] Advocaten) en Pieter de Boer de algemene voorwaarden van [X] Advocaten van toepassing waren en/of deze aan Pieter de Boer ter hand waren gesteld, zoals de stichting c.s. hebben gesteld en Aan de Stegge c.s. hebben betwist.

5.8. Los van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat, indien er wel sprake zou zijn geweest van een verrekeningsbevoegdheid uit hoofde van de algemene voorwaarden, het bepaalde in art. 3:72 onder a BW aan het inroepen hiervan in de weg zou hebben gestaan. Aan de Stegge c.s. hebben er terecht opgewezen dat in het geval van een faillissement van de volmachtgever diens volmacht (dwingendrechtelijk) volledig eindigt, zodat de (in de aanvaarding van de algemene voorwaarden besloten liggende) volmacht met ingang van 20 april 2006 niet meer bestond en verrekening op grond van deze voorwaarden vanaf dat moment dus niet langer mogelijk was. De rechtbank kan de stichting in dit verband niet volgen in haar stelling dat aan de inhoud van de brief d.d. 19 april 2006 van mr. [X] aan Pieter de Boer het gevolg kan worden verbonden dat verrekening nog mogelijk was c.q. is. Uit de bewoordingen waarin deze brief is vervat kan enkel worden afgeleid dat mr. [X] hierin aankondigt dat indien Pieter de Boer aanspraak kan maken op het in depot gestorte bedrag (waar mr. [X] “vooralsnog” wel van uitgaat), dit bedrag aan haar (Pieter de Boer) zal worden uitbetaald onder aftrek van de openstaande declaraties. Voor zover deze brief al als een verrekeningsverklaring onder opschortende voorwaarde als bedoeld in art. 6:127 in samenhang met art. 3:38 BW kan worden beschouwd, overweegt de rechtbank dat de verrekening eerst haar volledige werking verkrijgt op het moment dat de desbetreffende gebeurtenis heeft plaatsgevonden. De gebeurtenis als omschreven in de hiervoor bedoelde brief van 19 april 2006 heeft evenwel

- zie het voorgaande - nooit plaatsgevonden, althans bestond slechts hierin dat mr. [X] zélf zich op enig moment kennelijk definitief op het standpunt is gaan stellen dat het bedrag volledig aan Pieter de Boer toekwam. Zelfs in het geval geoordeeld zou kunnen worden dat het eenzijdig innemen van dit standpunt als het intreden van de gebeurtenis kan worden beschouwd - hetgeen naar het oordeel van de rechtbank niet het geval is - blijkt niet uit de stukken dat dit heeft plaatsgevonden vóór het faillissement van Pieter de Boer. Gelet hierop was van een voltooide verrekening geen sprake op het moment dat de faillietverklaring werd uitgesproken en was verrekening nadien niet meer mogelijk in verband met het van rechtswege vervallen van de volmacht.

5.9. Het beroep op verrekening stuit ten slotte ook af op het bepaalde in art. 6:127 lid 2 BW, op grond waarvan de bevoegdheid tot verrekening alleen bestaat indien de schuldenaar een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld jegens dezelfde wederpartij en hij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van de betaling van de vordering. De stichting heeft immers geen vordering op Aan de Stegge c.s. dan wel (uitsluitend) Bank Bercoop, waarmee verrekend zou kunnen worden.

5.10. Het vorenstaande wordt niet anders door de omstandigheid dat mr. [X] met Bank Bercoop en de curator had afgesproken dat hij het door Aan de Stegge in depot gestorte bedrag onder aftrek van zijn openstaande declaraties aan hen zou uitkeren. Deze afspraak is immers gemaakt in de (onjuiste) veronderstelling dat dit bedrag aan Pieter de Boer zou toekomen en dat verrekening aldus mogelijk zou zijn. Uit het vorenstaande volgt dat die bevoegdheid ontbrak. Bovendien was Aan de Stegge - de rechthebbende op het depot - bij het maken van deze afspraak op geen enkele wijze betrokken.

5.11. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat het beroep op verrekening geen doel kan treffen, zodat de vordering onder I van het petitum volledig toewijsbaar is. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarnaast ook de vordering onder II toe te wijzen, nu het aldaar gevorderde in feite neerkomt op een herhaling van de vordering onder I. Dit brengt mee dat evenmin plaats is voor toewijzing van het onder V gevorderde nu dit onderdeel van het petitum een nevenvordering met betrekking tot de vordering onder II betreft.

5.12. Nu de stichting c.s. in de conclusie van antwoord, tevens eis in voorwaardelijke reconventie, hebben gesteld dat indien in rechte wordt beslist dat de stichting is gehouden om het restant van het depot aan Aan de Stegge c.s. over te maken, mrs. [X] en de Jong hieraan hun medewerking zullen verlenen - een standpunt dat ook reeds in het preprocessuele stadium werd ingenomen, zie productie 3 bij voormelde conclusie - acht de rechtbank geen termen aanwezig om de vorderingen onder III, IV en VI toe te wijzen. De rechtbank gaat er van uit dat mrs. [X] en [Y] deze toezegging onverminderd na zullen komen.

5.13. De stichting zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij worden verwezen in de kosten van het geding. Weliswaar zal uitsluitend de vordering onder I jegens de stichting worden toegewezen, maar daar staat tegenover dat de stichting met betrekking tot de kern van het geschil volledig in het ongelijk is gesteld. De kosten die aan de zijde van Aan de Stegge c.s. tot op heden zijn gevallen zullen worden begroot op een bedrag van

EUR 896,90 voor de verschotten (EUR 825,00 + EUR 71,80) en EUR 1.158,00 voor het salaris van de advocaat (2 punten in tarief III), in totaal derhalve EUR 2.054,90.

5.14. De rechtbank zal Aan de Stegge c.s. veroordelen in de proceskosten van mrs. [X] en [Y]. Deze kosten zullen worden begroot op nihil nu gesteld noch gebleken is dat met het voeren van verweer namens de twee bestuurders van de stichting extra kosten waren gemoeid ten opzichte van de verweervoering door de stichting.

in reconventie

5.15. Nu de vordering in conventie gedeeltelijk zal worden toegewezen is de voorwaarde waaronder de vordering in reconventie is ingesteld, ingetreden en zal deze vordering - zoals deze na eisvermindering luidt - door de rechtbank worden beoordeeld.

5.16. De rechtbank overweegt hieromtrent dat de vordering kort gezegd strekt tot het verschaffen van een machtiging aan de stichting om van het bedrag dat zich momenteel nog in depot bevindt, een bedrag van EUR 7.152,97 uit te betalen aan mr. [X] dan wel de maatschap [X] Advocaten in verband met werkzaamheden voor Bank Bercoop. De vordering heeft derhalve betrekking op een rechtsbetrekking, waarbij de stichting geen partij is. Deze kwestie betreft immers een geschil tussen mr. [X], althans de maatschap, enerzijds en Bank Bercoop anderzijds. Deze rechtsbetrekking ligt in dit geding evenwel niet ter beoordeling voor. Weliswaar zijn gedaagden in conventie sub 2 en 3 ook partij bij het onderhavige geschil met Aan de Stegge c.s., maar zij zijn dat niet als leden van de maatschap, maar in hun hoedanigheid van bestuurders van de stichting. Van de zijde van de stichting c.s. is tijdens de comparitie ook erkend dat de vordering om de hiervoor uiteengezette redenen alleen hierom al niet toewijsbaar is.

5.17. De vordering zal worden afgewezen. De stichting c.s. zullen in de kosten van het geding worden veroordeeld, die tot op heden aan de zijde van Aan de Stegge c.s. zullen worden begroot op EUR 904,00 voor salaris van de advocaat (twee punten in tarief I).

De beslissing

De rechtbank

in conventie

gebiedt de stichting het thans nog resterende deel van het onverdeelde saldo op de door haar aangehouden derdengeldrekening ad EUR 37.500,00, vermeerderd met de daarover gekweekte rente vanaf 22 november 2005 tot en met de dag der voldoening, over te maken naar de derdengeldrekening van KienhuisHoving N.V.;

veroordeelt de stichting in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van Aan de Stegge c.s. begroot op EUR 2.054,90;

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde;

veroordeelt Aan de Stegge c.s. tot vergoeding van de proceskosten van mrs. [X] en [Y] en begroot deze kosten op nihil;

in reconventie

wijst de vordering af;

veroordeelt de stichting c.s. in de proceskosten van Aan de Stegge c.s. en begroot deze op EUR 904,00;

verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de proceskostenveroordeling betreft.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Telman en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2009.

fn 85