Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BI0857

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
14-04-2009
Datum publicatie
14-04-2009
Zaaknummer
17/754566-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Coffeeshop, handelsvoorraad hasjiesj en hennep, veroordeling.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 11
Opiumwet 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector straf

parketnummer 17/754566-08 VEV

verkort vonnis van de politierechter d.d. 14 april 2009 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

De politierechter heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 1 april 2009.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.A.C. Beckers, advocaat te Maastricht.

Telastelegging

Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- vrijspraak van het onder 2. telastegelegde;

- veroordeling voor het onder 1. telastegelegde;

- oplegging van een werkstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis;

- oplegging van een geldboete ten bedrage van 10000 euro subsidiair 200 dagen vervangende hechtenis.

Partiële vrijspraak

De verdachte moet van het onder 2. telastegelegde worden vrijgesproken, omdat de politierechter dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

Bespreking verweer

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1. telastegelegde. Alle bewijsmiddelen die op basis van de onrechtmatige handelingen zijn aangetroffen moeten buiten beschouwing worden gelaten, evenals de bij de politie afgelegde verklaring van verdachte. Gehele vrijspraak dient te volgen wegens onvoldoende wettig bewijs.

De raadsman heeft het volgende aangevoerd.

- Er was geen redelijk vermoeden dat in de schuur van verdachte in strijd met de Opiumwet werd gehandeld, derhalve moet het binnentreden van de schuur, het zoekend rondkijken en de inbeslagneming als onrechtmatig worden beoordeeld.

- Bij de gewichtsvaststelling van de hasjiesj en hennep is geen rekening gehouden met het gewicht van de verpakking. Het gewicht van de gripzakjes dient in mindering worden gebracht op het totaal.

Bewijsoverweging

Met betrekking tot het redelijk vermoeden van schuld aan overtreding van de Opiumwet overweegt de politierechter het volgende.

Bij de politie is het redelijk vermoeden ontstaan dat in een schuur aan [adres schuur] te [plaats] de Opiumwet werd overtreden. Dit vermoeden is ontstaan naar aanleiding van een melding Meld Misdaad Anoniem, een uittreksel uit het handelsregister, een opgevraagde historie van verbruik elektriciteit en een warmtemeting.

Omstreeks 15 januari 2008 is er een melding binnengekomen via Meld Misdaad Anoniem over een in werking zijnde hennepkwekerij gevestigd in een schuur aan [adres schuur] te [plaats]. Deze melding is specifiek, gedetailleerd en actueel. Naar aanleiding van de melding is er een nader onderzoek ingesteld. Bij de afdeling Fraude van de Nuon is het stroomverbruik opgevraagd van het desbetreffende perceel over het jaar 2006 en 2007. Uit de stukken blijkt dat het verbruik tussen 21 april 2006 en 2 mei 2007 17413 kWh bedroeg en tussen 2 mei 2007 en 21 maart 2008 7457 kWh. Uit het handelsregister is gebleken dat op 21 maart 2008 geen bedrijf was gevestigd in perceel [adres schuur] te [plaats]. Er is echter niet gecontroleerd of er in de jaren daaraan voorafgaand bedrijven gevestigd zijn geweest in het betreffende perceel. Uit onderzoek ter terechtzitting is aannemelijk geworden dat tot het einde van het jaar 2006 een bedrijf waarin meubels werden vervaardigd gevestigd is geweest in het perceel. De aanwezigheid van dit bedrijf kan deels het hoge stroomverbruik tussen 21 april 2006 en 2 mei 2007 verklaren. Na 2 mei 2007 is het stroomverbruik aanzienlijk gedaald. Indien er sprake geweest zou zijn van een in werking zijnde hennepkwekerij zou het stroomverbruik juist gestegen moeten zijn. Gezien het voorgaande is niet aannemelijk dat op basis van de bij de Nuon opgevraagde historie van verbruik elektriciteit het vermoeden kan zijn ontstaan dat in een schuur aan de [adres schuur] te [plaats] een hennepkwekerij in werking was. Ter terechtzitting is door getuige [naam getuige] verklaard dat er op 21 maart 2008 een warmtemeting is gedaan met behulp van een warmtecamera. Deze getuige die deze meting zelf heeft verricht heeft ter terechtzitting tevens verklaard dat de uitslag van deze meting niet concreet is. Er is wel een afwijkend warmtepatroon geconstateerd, maar niet kon worden benoemd om welke warmtebronnen het precies ging. De warmtemeting vormt derhalve geen aanleiding om te vermoeden dat er wellicht sprake was van een in werking zijnde hennepkwekerij.

De politierechter is van oordeel dat uit het bovenstaande onvoldoende blijkt van een redelijk vermoeden dat in een schuur gevestigd in perceel [adres schuur] te [plaats] een hennepkwekerij in werking was nu de melding Meld Misdaad Anoniem wel aanleiding kon geven tot het starten van een opsporingsonderzoek, maar op zichzelf niet de verdenking kon opleveren dat de Opiumwet was overtreden. De opsporingsambtenaren hadden derhalve geen dwangmiddelen mogen toepassen in het kader van de Opiumwet. Zij zijn de schuur binnengetreden, hebben zoekend rondgekeken en goederen in beslag genomen, terwijl zij hier niet voor bevoegd waren. Aan de opsporing kleeft hierdoor een gebrek dat niet kan worden hersteld. Het handelen van deze ambtenaren kan derhalve bestempeld worden als onrechtmatig. Gezien de ernst van deze normschending acht de politierechter het louter vaststellen van de onregelmatigheid onvoldoende nu er een inbreuk is gemaakt op het privé-domein en op het eigendomsrecht. De politierechter is dan ook van oordeel dat het bewijs dat is verkregen naar aanleiding van deze onrechtmatige opsporing moet worden uitgesloten.

Het vorenstaande neemt niet weg dat er toch voldoende bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen van het onder 1. telastegelegde. Zowel uit het proces-verbaal dat is opgemaakt door verbalisant [naam] als de verklaring van getuige [naam getuige] ter terechtzitting afgelegd blijkt dat de melding Meld Misdaad Anoniem specifiek, gedetailleerd en actueel was. Het adres wordt genoemd, het pand wordt omschreven en de verdenking wordt uitgesproken. De melding ziet voorts op de verdenking van een nog steeds in werking zijnde hennepkwekerij, hieruit blijkt dat de melding actueel is. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij in de periode van 1 april 2006 tot en met 21 maart 2008 opzettelijk hasjiesj en hennep aanwezig heeft gehad. De door de officier van justitie ter terechtzitting overlegde verklaring van verbalisant [naam] wijst uit dat er 20309 gram hennep en 2044 gram hasjiesj is gewogen. Hierbij is reeds rekening gehouden met het gewicht van de gripzakjes. Ter terechtzitting heeft verdachte de hoeveelheden hennep en hasjiesj niet betwist.

De melding en de verklaring van verdachte ter terechtzitting in verband met de hiervoor genoemde getuigeverklaring en de schriftelijke verklaring vormen voldoende bewijs voor hetgeen verdachte is telastegelegd. Dat de melding ziet op verdenking van hennepkwekerij en niet op verdenking van het aanwezig hebben van hasjiesj en hennep doet hier niet aan af.

Bewezenverklaring

De politierechter acht het onder 1. telastegelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 april 2006 tot en met 21 maart 2008 te [plaats], opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan [adres schuur] een hoeveelheid van 2044 gram hasjiesj en een hoeveelheid van 20309 gram hennep, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de politierechter dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het bewezene levert op het misdrijf:

1. Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid verdachte

De politierechter acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De politierechter neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van het gepleegde feit;

- de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister;

- de vordering van de officier van justitie;

- het pleidooi van de raadsman.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bezit van een aanzienlijke hoeveelheid hasjiesj en hennep. Het ging daarbij om de handelsvoorraad van een coffeeshop. De hoeveelheid hennepproducten die verdachte als bedrijfsleider van die coffeeshop in zijn bezit had, gaat ver uit boven de hoeveelheid die door de autoriteiten pleegt te worden gedoogd. Hennepproducten vormen een risico voor de volksgezondheid en zijn daarom verboden. Verdachte heeft dit verbod willens en wetens genegeerd. Dat het materiaal bestemd was voor een - volgens verdachte gedoogde - coffeeshop doet aan de strafwaardigheid van de gedraging niet af. Anderzijds brengt de politierechter in rekening dat uit niets blijkt dat verdachte een andere bedoeling had dan dat de hennepproducten zouden worden verkocht in een coffeeshop en met inachtneming van de voorwaarden die aan het zogeheten gedoogbeleid zijn verbonden, alsmede dat verdachte niet eerder is veroordeeld. De politierechter acht een werkstraf daarom een passende sanctie. Gelet op de omstandigheden waaronder het delict is gepleegd en het ontbreken van recidive is een gevangenisstraf niet nodig, ook niet in voorwaardelijke vorm. Een geldboete, zoals door de officier van justitie gevorderd, past wellicht bij de vervolging van een onderneming, maar niet bij die van een particulier die bij die onderneming in dienstbetrekking is.

Toepassing van wetsartikelen

De politierechter heeft gelet op de artikelen 22c (oud), 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3, 11 (oud) en 11 van de Opiumwet.

DE UITSPRAAK VAN DE POLITIERECHTER LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2. is telastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1. telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een werkstraf, bestaande uit het verrichten van 180 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 90 dagen zal worden toegepast.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H. Severein, politierechter, bijgestaan door mr. M.F. Alting, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 april 2009.