Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BI0681

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
08-04-2009
Datum publicatie
09-04-2009
Zaaknummer
86656 / HA ZA 07-994
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanbesteding. Overeenstemmen van wil en verklaring van de inschrijver bij het doen van de inschrijving. Gerechtvaardigd vertrouwen van de aanbesteder. Aanpassing inschrijving slechts in geval van een voor iedereen kenbare vergissing.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 33
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAAN 2009/39
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 86656 / HA ZA 07-994

Vonnis van 8 april 2009

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BEENS GROEP B.V.,

gevestigd te Genemuiden,

eiseres,

advocaat: mr. A.E. Broesterhuizen te Enschede,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE PROVINCIE FRYSLÂN,

zetelende te Leeuwarden,

gedaagde,

advocaat: mr. Th. Dankert te Leeuwarden.

Partijen zullen hierna "Beens" en "de provincie" genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek tevens houdende akte wijziging van eis

- de conclusie van dupliek tevens houdende antwoordakte wijziging van eis.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

In deze procedure zal van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.1. De provincie heeft op 26 juli 2007 een aanbestedingsprocedure aangekondigd voor de selectie van gegadigden voor de leverantie van circa 1400 ton aan stalen damplanken in lengten van 6 en 8 meter. Er is sprake van een Europese openbare aanbestedingsprocedure als bedoeld in artikel 1.4.1. lid a van het ARW 2005, met als gunningscriterium de laagste prijs.

2.2. De termijn van inschrijving eindigde op 31 augustus 2007 te 11.00 uur. Zeven dagen voor de aanbesteding is een nota van inlichtingen ter inzage gelegd bij de provincie. De nota van inlichtingen is tevens gepubliceerd op de aanbestedingskalender.

2.3. Volgens het bestek 07-36-V had de aan te besteden leverantie betrekking op:

• 334 stalen damplanken met een lengte van 6 m te leveren en op te slaan op het provinciale steunpunt aan het Prinses Margrietkanaal te Sumar (bestekspost 1)

• 377 stalen damplanken met een lengte van 8 m te leveren en op te slaan op het provinciale steunpunt aan het Prinses Margrietkanaal te Sumar (bestekspost 2)

• 584 stalen damplanken met een lengte van 6 m te leveren en op te slaan op het provinciale steunpunt te Uitwellingerga (bestekspost 3)

• 790 stalen damplanken met een lengte van 8 m te leveren en op te slaan op het provinciale steunpunt te Lemmer (bestekspost 4)

2.4. In de nota van inlichtingen is het bestek ten aanzien van de beschrijving van de te leveren stalen damplaten gewijzigd. Bestekspost 2 is wat het aantal betreft gewijzigd van 377 naar 544 stuks. Voorts is er een nieuwe bestekspost 5 toegevoegd: de levering van 584 stalen damplanken met een lengte van 5 meter te leveren en op te slaan op het provinciale steunpunt aan het Prinses Margrietkanaal te Sumar.

2.5. De damplanken bij de besteksposten 1 en 3 zijn identiek. Ook de damplanken bij de besteksposten 2 en 4 zijn identiek.

De damplanken behorende tot de posten 1 en 3 zijn in het bestek als volgt gespecificeerd:

Hoeveelheidsbepaling: aantal stuks dubbele damplanken type Larssen 601

Damplanklengte: 6,00 m

Staalkwaliteit: SP240GP NEN-EN 10248 (St.Sp.37)

Damplanken samengevoegd tot dubbele damplank d.m.v. ponzen."

De damplanken behorende tot de posten 2 en 4 zijn in het bestek als volgt gespecificeerd:

Hoeveelheidsbepaling: aantal stuks dubbele damplanken profiel Larssen 601

Damplanklengte: 8,00 m

Staalkwaliteit: SP240GP NEN-EN 10248 (St.Sp.37)

Damwandoppervlak conserveren over de bovenste 4,00 m d.m.v. buitencoating, laagdikte totaal

200 µm, aanbrengen op beide zijden van het plankoppervlak.

2.6. Bij de inschrijving d.d. 31 augustus 2007 heeft Beens gebruik gemaakt van de door de provincie aangeleverde en gedeeltelijk al (door de provincie) ingevulde inschrijvingsstaat. Hierbij heeft Beens zelf de kolommen "prijs per eenheid in euro" en "totaalbedrag in euro" met de pen ingevuld. De inschrijving van Beens ziet er dan als volgt uit:

Bestekspostnummer omschrijving eenheid hoeveelheid resultaatsverplichting prijs per eenheid in euro totaalbedrag in euro

1 leveren stalen damplanken (6,00 m) st 334,00 510,- 170.340,-

2 leveren stalen damplanken (8,00 m) st 544,00 485,- 263.840,-

3 leveren stalen damplanken (6,00 m) st 584,00 517,- 301.928,-

4 leveren stalen damplanken (8,00 m) st 790,00 701,- 553.790,-

5 leveren stalen damplanken (5,00 m) st 584,00 445,- 259.880,-

SUBTOTAAL 1.549.778,-

STAARTPOSTEN

6 Eenmalige kosten EUR 0,- 1,- 0,-

7 Uitvoeringskosten EUR 10.000,- 1,- 10.000,-

8 Algemene Kosten EUR 77.222,- 1,- 77.222,-

9 Winst en Risico EUR 0,- 1,- 0,-

Aannemingssom, de omzetbelasting niet inbegrepen EUR 1.637.000,- 1,- 1.637.000,-

2.7. De drie inschrijvingen die op 31 augustus 2007 waren ingediend, zijn kort na 11.00 uur in aanwezigheid van de drie inschrijvers geopend, waarbij de inschrijfsommen zijn voorgelezen. Daaruit bleek de navolgende rangorde:

Beens Groep € 1.637.000,-

Arcelor Projects € 1.841.133,-

Sterk Heiwerken € 1.894.200,-

2.8. Bij brief van 5 september 2007 heeft de provincie aan Beens laten weten dat zij voornemens was om de opdracht aan Beens -als laagste inschrijver- te gunnen. De definitieve gunning aan Beens heeft plaatsgevonden bij brief van 20 september 2007. Beens is op 21 september 2007 begonnen met de uitvoering van de opdracht.

2.9. Bij brief van 15 oktober 2007 heeft Beens de provincie medegedeeld dat zij een kennelijke fout heeft gemaakt bij het invullen van het inschrijfbiljet, door -kort gezegd- de wijziging in hoeveelheid van bestekspost 2 niet juist door te voeren in de begroting. Het bij post 2 opgevoerde totale bedrag heeft volgens Beens slechts betrekking op de oorspronkelijke 377 stuks damplanken, en dient gecorrigeerd te worden naar 544 stuks, waardoor er volgens Beens een prijsverschil is ontstaan van € 116.160, exclusief 5% AK en BTW. Beens heeft de provincie verzocht om bijbetaling van dit bedrag. De provincie heeft Beens bij e-mailbericht van 23 oktober 2007 laten weten niet aan dit verzoek te zullen voldoen.

3. Het geschil

3.1. Beens vordert na wijziging van eis - dat de rechtbank, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

I. voor recht verklaart dat het gedeelte van de overeenkomst tussen partijen d.d. 25 september 2007 dat betrekking heeft op bestekspost 2 van het bestek 07-36-V nietig is;

II. het nietige gedeelte van de overeenkomst converteert in een overeenkomst inhoudende dat Beens zich verplicht om bestekspost 2 uit te voeren conform de nietige overeenkomst waartegenover de provincie zich verplicht om € 380.000,- te betalen, te vermeerderen met 5% Algemene Kosten en met BTW en te verminderen met een bedrag groot € 263.840,- althans de provincie veroordeelt tot teruglevering aan Beens van de reeds geleverde damplanken zoals omschreven in bestekspost 2;

subsidiair:

III. voor recht verklaart dat de overeenkomst tussen partijen d.d. 25 september 2007 nietig is;

IV. de overeenkomst converteert in een overeenkomst inhoudende dat Beens zich verplicht om uitvoering te geven aan alle besteksposten van de oorspronkelijke overeenkomst waartegenover de provincie zich verplicht om € 1.759.235,- te betalen te vermeerderen met BTW, althans bepaalt dat het reeds uitgevoerde gedeelte van de overeenkomst niet ongedaan kan worden gemaakt en de provincie veroordeelt tot betaling van € 700,- per stuk voor de reeds geleverde damplanken van bestekspost 2, te vermeerderen met 5% Algemene Kosten en met BTW;

meer subsidiair:

V. de provincie veroordeelt om vanwege de leverantie van 167 stalen damplanken van 8 meter lengte te leveren en op te slaan op het Provinciale Steunpunt aan het Prinses Margrietkanaal te Sumar € 116.960,- aan Beens te betalen, te vermeerderen met 5% Algemene Kosten en met BTW;

primair, subsidiair en meer subsidiair:

VI. de provincie veroordeelt om over de door haar aan Beens te betalen bedragen de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW te vergoeden met ingang van de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

VII. de provincie veroordeelt in de kosten van het geding;

althans een zodanige uitspraak doet als de rechtbank juist acht.

3.2. De provincie concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Beens, met veroordeling van Beens -uitvoerbaar bij voorraad- in de kosten van het geding.

4. Het standpunt van Beens

4.1. Beens stelt dat haar begroting al gereed was op het moment dat de nota van inlichtingen bekend werd gemaakt. Beens heeft vervolgens bij het invullen van de -naar aanleiding van de nota van inlichtingen- gewijzigde inschrijfstaat een fout gemaakt en heeft de wijziging in de hoeveelheid van bestekspost 2 niet doorgevoerd in haar prijs voor deze bestekspost en daarmee evenmin in haar inschrijfsom. De eenheidsprijs van de onder bestekspost 2 aangegeven stalen damplanken (lengte 8 meter) was bepaald op € 700,-. Het bij bestekspost 2 opgevoerde bedrag van € 263.840,- had voor en na de wijziging van het bestek bij nota van inlichtingen slechts betrekking op de oorspronkelijke 377 stuks. Het juiste bedrag had moeten zijn 544 x € 700,- = € 380.800,-. Er is derhalve een miscalculatie geweest van € 116.960,-. Door deze miscalculatie is bij bestekspost 2 de eenheidsprijs voor planken van 8 meter uitgekomen op € 485,-, dit terwijl identieke stalen damplanken van 8 meter onder bestekspost 4 € 701,- per eenheid kosten en de stalen damplanken van 6 meter van bestekspost 1 € 510,- per eenheid.

4.2. Volgens Beens was haar wil niet gericht op het aangaan van een overeenkomst, waarbij als eenheidsprijs voor bestekspost 2 voor de levering van 544 stalen damplanken

€ 485,- per eenheid had te gelden. Deze prijs is ver beneden de kostprijs van de damplanken. Beens had juist de wil om te verklaren dat de eenheidsprijs voor bestekpost 2 gelijk zou zijn aan die van bestekspost 4. De provincie mocht er naar de mening van Beens niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat Beens de betreffende damplanken heeft willen leveren voor een prijs van € 485,- per eenheid. De provincie zal zich hebben gerealiseerd dat deze uitzonderlijk lage eenheidsprijs onjuist was, aldus Beens. Dit is door medewerkers van de provincie ook toegegeven. Niet valt aan te nemen dat Beens de damplanken onder bestekspost 2 voor een lagere eenheidsprijs wilde leveren dan de identieke damplanken onder bestekspost 4, en onder de kostprijs. Bovendien hadden de twee andere inschrijvers voor ruim € 200.000,- meer ingeschreven. De provincie mocht er volgens Beens dan ook niet zonder meer van uitgaan dat de begrote prijs juist was en had nader onderzoek daarnaar moeten instellen, hetgeen onder de ARW 2005 is toegestaan. Dit geldt te meer nu Beens, wanneer zij aan haar verklaring inzake bestekspost 2 wordt gehouden, een verlies zal lijden van € 116.600,-.

4.3. Nu wil en verklaring van Beens bij de inschrijving niet overeenstemden, is Beens primair van mening dat er met betrekking tot bestekspost 2 geen overeenkomst tussen haar en de provincie tot stand is gekomen. Dit gedeelte van de overeenkomst is nietig, aldus Beens. Beens verzoekt de rechtbank om dit nietige gedeelte van de overeenkomst te converteren in een andere als geldig aan te merken overeenkomst, inhoudende dat Beens zich verplicht om bestekspost 2 uit te voeren conform de oorspronkelijke overeenkomst, en dat de provincie zich verplicht om een bedrag van € 380.000,- te betalen, vermeerderd met 5% Algemene Kosten en BTW.

4.4. Subsidiair, indien conversie van het nietige gedeelte van de overeenkomst niet mogelijk is, vordert Beens ongedaanmaking van het reeds uitgevoerde gedeelte van bestekspost 2, door teruglevering van de onder deze bestekspost reeds geleverde damplanken.

4.5. Meer subsidiair stelt Beens dat de gehele overeenkomst nietig is. In dat geval verzoekt Beens de rechtbank om de overeenkomst te converteren in een als geldig aan te merken overeenkomst, inhoudende dat Beens zich verplicht om alle besteksposten uit te voeren conform de oorspronkelijke overeenkomst, en de provincie zich verplicht om een bedrag van € 1.759.235,- te betalen.

4.6. Nog meer subsidiair, indien conversie niet mogelijk is en voor zover herstel in de oude toestand dient plaats te vinden, stelt Beens dat ongedaanmaking van het reeds uitgevoerde gedeelte van de overeenkomst bezwaarlijk is, en verzoekt zij de rechtbank om naar analogie van de artt. 3:53 lid 2 en 3:54 BW aan de nietigheid gedeeltelijk haar werking te ontzeggen, ofwel met toepassing van artikel 6:2 lid 2 BW de naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbare gevolgen van de nietigheid te beperken door te bepalen dat het uitgevoerde deel van de overeenkomst niet ongedaan gemaakt behoeft te worden en dat de provincie de verplichting opgelegd krijgt om voor de reeds geleverde damplanken van bestekspost 2 € 700,- per stuk te betalen, vermeerderd met Algemene Kosten en BTW.

4.7. Uiterst subsidiair vordert Beens betaling van het verschil tussen het bedrag waarmee zij op bestekspost 2 heeft ingeschreven en het bedrag van € 380.800,-, zijnde een bedrag van € 116.960,-, te vermeerderen met 5% Algemene Kosten en BTW.

5. Het standpunt van de provincie

5.1. De provincie stelt -onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis van artikel 3:33 BW- dat, indien de wil en verklaring van Beens niet zouden overeenstemmen, er geen sprake is van een nietige overeenkomst, maar van een niet tot stand gekomen overeenkomst. De door Beens gedane verzoeken om conversie zijn reeds daarom niet toewijsbaar, aldus de provincie. Voor het geval er wel sprake zou zijn van een (partieel) nietige overeenkomst, voert de provincie aan dat conversie alleen mogelijk is bij van rechtswege intredende nietigheden uit Boek 3 BW. Artikel 3:33 BW valt daar niet onder. Verder is conversie niet meer mogelijk, omdat de overeenkomst al is uitgevoerd, en kan conversie alleen zien op het aanbod van Beens. Daarmee is de overeenkomst van partijen evenwel nog niet gewijzigd, omdat de provincie een gewijzigd aanbod van Beens eerst nog dient te aanvaarden. Ook volgt uit de inschrijving van Beens niet de strekking dat Beens eigenlijk bedoelde voor bestekpost 2 een eenheidsprijs van € 700,- te offreren. Ten slotte zou conversie van de rechtshandeling van Beens onredelijk zijn jegens de provincie, omdat de provincie dan achteraf een niet begroot en overeengekomen bedrag aan Beens zou moeten voldoen.

5.2. Naar de mening van de provincie is de stelling van Beens dat haar wil en verklaring bij het doen van de inschrijving niet overeenstemden ongeloofwaardig. Tussen het aanbod van Beens en de aanvaarding door de provincie (door middel van de gunning) zaten liefst 25 dagen, waarin Beens nog over haar aanbod kon nadenken. Bij de aanbesteding op 31 augustus 2007 wist Beens al dat haar aanbod ruim € 200.000,- lager was dan dat van de andere inschrijvers. Niet voorstelbaar is dat Beens in genoemde 25 dagen de "fout" in haar aanbod niet zou hebben ontdekt. Beens was op 5 september 2007 ook al op de hoogte van de voorlopige gunningsbeslissing. Zij is daarna in de loop van september 2007 met de uitvoering van de opdracht begonnen, waardoor de conclusie gerechtvaardigd is dat Beens de litigieuze damplanken al in voorraad had, zodat zij deze voor een lagere prijs kon aanbieden. Dat wil en verklaring van Beens met elkaar overeenstemden ten tijde van het doen van haar aanbod, wordt volgens de provincie ook bevestigd door de omstandigheid dat de eenheidsprijzen door Beens met de hand zijn ingevuld op de inschrijfstaat. Het laat zich niet wel denken dat op de oude inschrijfstaat (van vóór de nota van inlichtingen) de oude eenheidsprijs van € 700,- stond en op de nieuwe inschrijfstaat een aangepaste eenheidsprijs van € 485,-. Gezien het vorenstaande was bij het doen van het aanbod door Beens haar wil om voor een eenheidsprijs van € 485,- per stuk in te schrijven aanwezig, aldus de provincie.

5.3. De provincie betwist dat zij, zoals Beens stelt, in de inschrijving een miscalculatie zou hebben opgemerkt. De provincie mocht er onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat het aanbod van Beens om de opdracht uit te voeren voor een totale som van € 1.637.000,- een deugdelijk aanbod was. Het aanbod van Beens kwam nagenoeg overeen met de door de provincie voorafgaand aan de aanbesteding geraamde begroting, van € 1.649.474,21. Het saldo van de inschrijfstaat en het inschrijfbiljet stemden ook overeen. Uit de inschrijfstaat van Beens zijn geen verschrijvingen of telfouten op te maken. De omstandigheid dat Beens verschillende eenheidsprijzen rekende voor identieke damwanden hoefde de provincie ook niet aan het twijfelen te brengen. Direct na de aanbesteding heeft de directeur van Beens nog contact opgenomen met de provincie en daarbij gemeld dat zij desgewenst nog meer damplanken kon leveren.

5.4. De provincie was naar eigen zeggen niet verplicht om Beens in de gelegenheid te stellen haar inschrijving te verduidelijken. Daarnaast is het volgens de provincie in strijd met de geest van het aanbestedingsrecht dat inschrijvers na aanbesteding in staat worden gesteld om eventuele omissies in hun inschrijving te herstellen. Herstel van fouten veronderstelt namelijk een wijziging in de inschrijving. In dit geval is er sprake van een wezenlijke wijziging van de inschrijving, nu bij verhoging van de inschrijfsom het economisch evenwicht van de overeenkomst wijzigt ten opzichte van de oorspronkelijke opdracht.

5.5. De provincie voert verder aan dat de eenheidsprijs van € 700,- per stuk ongeloofwaardig is. Voorts betwist de provincie dat het door Beens geoffreerde "bruto-bedrag" van € 1.549.778,- is vermeerderd met 5% Algemene Kosten. Uit niets blijkt dat het vermeerderen van het "bruto-bedrag" met een bedrag van € 77.222,- aan Algemene Kosten het resultaat is van een verhoging van het bruto geoffreerde bedrag met 5% AK. 5% van het bruto geoffreerde bedrag is namelijk € 77.488,90 en geen € 77.222,-, aldus de provincie.

6. De beoordeling

6.1. De rechtbank stelt voorop dat een aanbesteder in beginsel mag uitgaan van de juistheid van de aan hem in de inschrijving verstrekte gegevens. Dit is slechts dan anders indien de verstrekte gegevens kennelijk onjuist zijn, zoals bij een miscalculatie. Doel en strekking van het aanbestedingsrecht brengen naar het oordeel van de rechtbank met zich dat aanpassing van een inschrijving slechts aan de orde kan zijn indien er sprake is van voor een ieder kenbare vergissing, waarbij aanpassing van de inschrijving niet tot vervalsing van de concurrentie tussen de inschrijvers leidt. Een voor een ieder kenbare vergissing dient objectief te kunnen worden vastgesteld. Daarvan is bijvoorbeeld sprake wanneer er een onjuiste optelling van bedragen heeft plaatsgevonden, of er in een bedrag een punt of een komma verkeerd is geplaatst. In een dergelijk geval kan een inschrijver zich jegens de aanbesteder beroepen op het niet overeenkomen van wil en verklaring in de zin van artikel 3:33 BW en kan de aanbesteder zich er niet op beroepen dat hij gerechtvaardigd mocht vertrouwen op de verklaring van de inschrijver.

6.2. Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval geen sprake van een voor iedereen kenbare vergissing zoals hiervoor bedoeld. Daartoe wordt het navolgende overwogen:

(i) De hoogte van de inschrijfsom van Beens is niet dusdanig laag, vergeleken met die van de opvolgende inschrijvers, dat alleen al daaruit van een kennelijke fout blijkt. Een prijsverschil van € 200.000,- kan in relatie tot de aanzienlijke inschrijfsommen waar het bij deze inschrijving om gaat, niet als een fundamentele afwijking worden gezien;

(ii) De provincie heeft onweersproken gesteld dat haar eigen raming voorafgaand aan de aanbesteding uitkwam op een bedrag van € 1.649.474,21, een bedrag dat nauwelijks (circa € 12.000,-) afwijkt van de inschrijfsom van Beens;

(iii) Uit de inschrijfstaat van Beens vallen geen telfouten of verschrijvingen af te leiden.

(iv) Een lagere prijs voor een bestekspost hoeft, ook al wordt elders in het bestek voor identieke zaken een hogere prijs gerekend, niet per definitie te berusten op een kennelijke vergissing. Een inschrijver kan ook welbewust, bijvoorbeeld uit commercieel oogpunt, een lagere prijs voor de betreffende bestekspost hebben opgenomen.

(v) De stelling van Beens dat zij bij het invullen van de -naar aanleiding van de nota van inlichtingen- gewijzigde inschrijfstaat een fout gemaakt en de wijziging in de hoeveelheid van bestekspost 2 niet heeft doorgevoerd in haar prijs voor deze bestekspost en daarmee evenmin in haar inschrijfsom, overtuigt de rechtbank niet. De eenheidsprijzen zijn handmatig door Beens bijgeschreven op de uiteindelijke inschrijfstaat. Het komt de rechtbank niet aannemelijk voor dat op de oude inschrijfstaat van Beens (van vóór de nota van inlichtingen) de oude eenheidsprijs van € 700,- stond en op de nieuwe inschrijfstaat ineens een aangepaste eenheidsprijs van € 485,-.

(vi) De provincie heeft onweersproken gesteld dat Beens op 31 augustus 2007 op de hoogte was van de inschrijfsommen van de opvolgende inschrijvers, te weten

€ 1.841.333 en € 1.894.200,-, terwijl bij de inschrijving bleek dat Beens zelf voor

€ 1.637.000,- had ingeschreven. Indien Beens, zoals zij betoogt, met een hoger bedrag had willen inschrijven, is het opvallend dat zij pas anderhalve maand later (medio oktober 2007), -toen de uitvoering van de opdracht al was begonnen- bij de provincie meldt dat haar inschrijving een fout zou bevatten.

(vii) Voor zover Beens heeft aangevoerd dat medewerkers van de provincie aan haar hebben medegedeeld dat zij na de aanbesteding de inschrijving van Beens als opvallend laag hebben aangemerkt, overweegt de rechtbank dat deze stelling door de provincie uitdrukkelijk en gemotiveerd is bestreden, waarna Beens haar stelling in onvoldoende mate nader heeft onderbouwd. Nu Beens terzake onvoldoende heeft gesteld, zal zij ook niet tot bewijs worden toegelaten.

6.3. Nu er geen sprake is van een voor iedereen kenbare vergissing, mocht de provincie er gerechtvaardigd op vertrouwen dat, ten aanzien van de inschrijfsom, wil en verklaring van Beens overeenstemden bij het doen van de inschrijving. De inschrijving van Beens is op dat punt dus niet aantastbaar op de voet van artikel 3:33 BW. Reeds daarom dienen de vorderingen van Beens integraal te worden afgewezen.

6.4. De overige stellingen en weren van partijen behoeven tegen deze achtergrond geen bespreking meer.

6.5. Beens zal als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van de provincie als volgt vastgesteld:

- vast recht € 4.732,00

- salaris van de advocaat € 6.422,00 (2 x € 3.211,00, tarief VIII)

-------------

totaal € 11.154,00

7. De beslissing

De rechtbank:

wijst de vorderingen van Beens af;

veroordeelt Beens in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van de provincie vastgesteld op € 11.154,00;

verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Tangenberg en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2009.?

fn 343