Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BH9976

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
25-03-2009
Datum publicatie
03-04-2009
Zaaknummer
84067 / HA ZA 07-601
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Non-conformiteit en dwaling bij koop van een paard. Schending onderzoeksplicht koper.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 84067 / HA ZA 07-601

Vonnis van 25 maart 2009

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. P.R. van den Elst,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. A. Kroondijk.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- het proces-verbaal van comparitie van 4 februari 2008

- de akte na comparitie van [eiseres]

- de akte na comparitie van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] is woonachtig in Tsjechië. Op 2 december 2006 is [eiseres] samen met mevrouw [a] en de heer [b] naar Nederland gekomen om een Fries paard aan te schaffen.

2.2. Dezelfde avond heeft [eiseres] een bezoek gebracht aan de stal van [gedaagde], waar zij te woord werd gestaan door de dochter van [gedaagde].

2.3. [eiseres] is met [gedaagde] overeengekomen dat zij een vier jaar oude Friese hengst genaamd Heino, levensnummer 200201121 en chipnummer 9851200006368206, (hierna: het paard) zou kopen voor een bedrag van EUR 7.000,--. Op 3 december 2006 heeft [eiseres] de koopprijs voldaan en het paard meegenomen.

2.4. [eiseres] heeft het paard noch zelf bereden, noch bekeken terwijl het bereden werd. De dochter van [gedaagde] heeft op 2 december 2006 aan [eiseres] medegedeeld dat het paard pas kort bij [gedaagde] op stal was en dat het daarvoor bij merries in de wei had gelopen.

2.5. Rond 19 februari 2007 heeft [eiseres] aan [gedaagde] telefonisch medegedeeld dat het paard kreupel was en dat uit röntgenologisch onderzoek was gebleken dat bij beide voorbenen sprake was van artrose in de kootgewrichten, in het rechtervoorbeen van het paard eveneens sprake was van artrose, in het linkervoorbeen in het hoefgewricht sprake was van fragmenten, het hoefkatrol van de linkervoorbeen ingedeeld was in klasse 4 en in de voorbenen van het paard sprake was van oude fracturen in de straalbenen.

2.6. [eiseres] heeft op 2 april 2007 en 16 juli 2007 [gedaagde] aangeschreven om een ontbinding van de koopovereenkomst te bewerkstelligen. [gedaagde] heeft hierop niet gereageerd

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert samengevat - primair ontbinding van de overeenkomst tussen haar en [gedaagde] en subsidiair vernietiging van voornoemde overeenkomst. Zowel bij de primaire vordering als de subsidiaire vordering, vordert [eiseres] veroordeling van [gedaagde] tot betaling van EUR 8.597,50, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 24 juli 2007 tot aan de dag van algehele voldoening, alsmede veroordeling van [gedaagde] in de buitengerechtelijke incassokosten en de kosten van het geding. Verder vordert [eiseres] dat haar schade nader zal worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet, gelet op het feit dat de omvang van de vordering nog niet bepaald kon worden ten tijde van het opstellen van de dagvaarding.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiseres] vordert primair ontbinding van de koopovereenkomst met betrekking tot het paard, alsmede schadevergoeding, nu het paard volgens haar niet beantwoordt aan de overeenkomst. Subsidiair vordert [eiseres] schadevergoeding en vernietiging van de overeenkomst op grond van dwaling, nu zij het paard bij een juiste voorstelling van zaken nooit zou hebben gekocht. [eiseres] voert ter onderbouwing van beide vorderingen aan dat zij voor het sluiten van de koopovereenkomst aan [gedaagde] heeft medegedeeld dat zij een gezond paard wilde dat geschikt was voor de dressuursport en het 'barok' rijden. Volgens [eiseres] hebben [gedaagde] en de dochter van [gedaagde] hierop te kennen gegeven dat het paard volledig gezond was en dat het uitermate geschikt was voor het doel waarvoor [eiseres] het paard wilde aanschaffen. Volgens [eiseres] vertoonde het paard korte tijd na het sluiten van de koopovereenkomst kreupelheid en bleek uit röntgenologisch onderzoek dat het leed aan een groot aantal gebreken. De dierenarts, die het betreffende onderzoek had uitgevoerd, concludeerde dat:

'the horse is absolutely not able to carry out equestrian activities.'

[eiseres] stelt zich op het standpunt dat zij heeft vertrouwd op de mededelingen van [gedaagde] over het paard en dat zij hier ook op mocht vertrouwen. [eiseres] voert hierbij tevens aan dat de mededelingsplicht van [gedaagde] prevaleert boven haar onderzoeksplicht. [eiseres] stelt verder dat het berijden van een paard normaal gebruik is in de zin van artikel 7:17 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), zodat zij, los van eventuele toezeggingen van [gedaagde], mocht verwachten dat het paard geschikt zou zijn voor de dressuur.

4.2. [gedaagde] heeft ten verwere onder andere aangevoerd dat niet met [eiseres] gesproken is over haar wens een gezond paard te hebben of over het gebruik van het paard voor de dressuursport. [gedaagde] stelt dan ook nimmer te hebben toegezegd dat het een gezond paard betrof dat geschikt was voor dressuursport. Volgens [gedaagde] heeft [eiseres] slechts aangegeven een paard te willen om mee te dekken, waarop de dochter van [gedaagde] te kennen heeft gegeven dat het paard daar geschikt voor was, aangezien reeds nakomelingen van het paard bekend waren. Verder voert [gedaagde] aan dat zijn dochter voor het sluiten van de koopovereenkomst uitdrukkelijk heeft aangegeven dat veterinaire gegevens met betrekking tot het paard niet voorhanden waren, aangezien het paard net op stal stond. Volgens [gedaagde] heeft [eiseres] hierop te kennen gegeven het paard absoluut te willen hebben en heeft zij, ondanks uitdrukkelijk advies van de dochter van [gedaagde], afgezien van het laten uitvoeren van een veterinaire keuring. [gedaagde] voert voorts aan dat hij heeft aangegeven dat voor export van het paard een keuring door een RVV dierenarts verplicht is. [eiseres] zou dit niet nodig hebben gevonden. [gedaagde] concludeert derhalve dat [eiseres] niet heeft voldaan aan haar onderzoeksplicht. [gedaagde] heeft voorts ten verwere ook gewezen op de omstandigheid dat de antedateringstermijn van artrose en hoefkatrol twee maanden is waardoor niet vaststaat dat het paard -zo er al sprake is van deze in het keuringsrapport van de door [eiseres] ingeschakelde dierenarts genoemde gebreken- deze gebreken al had ten tijde van de koop.

4.3. De rechtbank overweegt als volgt. In de onderhavige zaak stond [eiseres] een bijzonder gebruik voor ogen, te weten gebruik voor de dressuursport en in het bijzonder het 'barok' rijden. Vast staat dat het [eiseres] bekend was dat het paard nog maar kort bij [gedaagde] op stal stond en dat geen veterinaire gegevens voorhanden waren. Gesteld noch gebleken is dat voornoemde gegevens, die [gedaagde] heeft verstrekt, niet juist waren. Ook is gesteld noch gebleken dat [gedaagde] heeft nagelaten gegevens omtrent het paard, die maakten dat het paard niet geschikt was voor het door [eiseres] beoogde gebruik, te verstrekken die hem wel bekend waren. Het lag naar het oordeel van de rechtbank dan ook op de weg van [eiseres] nader onderzoek te doen naar de geschiktheid van het paard voor de dressuursport en het 'barok' rijden in het bijzonder door het paard te laten berijden en vervolgens te laten keuren. Nu zij zulks heeft nagelaten heeft [eiseres] -naar het oordeel van de rechtbank- haar onderzoeksplicht geschonden. Zelfs als vast zou staan dat [gedaagde] tegen [eiseres] heeft gezegd dat het een gezond paard betrof dat geschikt was voor het 'barok' rijden, zou dat in de gegeven omstandigheden niet afdoen aan de onderzoeksplicht van [eiseres]. Immers zij heeft moeten begrijpen dat een dergelijke mededeling niet meer was dan een mededeling van algemene aard en niet meer betekende dan dat aan [gedaagde] geen onzichtbare gebreken bekend waren.

Nu [eiseres] niet aan haar onderzoeksplicht heeft voldaan komt haar geen beroep op non-conformiteit toe. Omdat ook voor een geslaagd beroep op dwaling de koper moet hebben voldaan aan zijn onderzoeksplicht, komt [eiseres], op grond van het bovenstaande, ook geen beroep op dwaling toe.

4.4. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- vast recht 300,00

- salaris advocaat 1.152,00 (3,0 punt × tarief EUR 384,00)

Totaal EUR 1.452,00

4.5. De rechter, ten overstaan van wie de comparitie is gehouden, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen om organisatorische redenen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen van [eiseres] af,

5.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 1.452,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Jansen en in het openbaar uitgesproken op

25 maart 2009.?