Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BH9777

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
02-04-2009
Datum publicatie
02-04-2009
Zaaknummer
17/880109-08 VEV
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

wederrechtelijke vrijheidsberoving, zwaar lichamelijk letsel, luchtbuks, intimidatie

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 36f
Wetboek van Strafrecht 47
Wetboek van Strafrecht 282
Wetboek van Strafrecht 300
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector straf

parketnummer 17/880109-08

verkort vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 2 april 2009 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 19 maart 2009.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B.P.M. Canoy, advocaat te Leeuwarden.

Telastelegging

Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Op schriftelijke vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 19 juni 2008 is de telastelegging gewijzigd, zoals in die vordering staat omschreven. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van die vordering is aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan moet als hier ingevoegd worden beschouwd.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- vrijspraak van hetgeen onder 2. primair met betrekking tot artikel 282a van het Wetboek van Strafrecht is telastegelegd.

- veroordeling voor het onder 1. primair en 2. primair met betrekking tot het overige telastegelegde;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van twee jaren;

- oplegging van de bijzondere voorwaarde van verplicht reclasseringstoezicht, ook indien de aanwijzingen van de reclassering een behandeling bij de Ambulante Forensische Psychiatrie (AFP) inhouden;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot een bedrag van € 1.000,00;

- oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor een bedrag van € 1.000,00.

Partiële vrijspraak

Onder 1. primair wordt verdachte verweten dat hij op verschillende tijdstippen heeft geprobeerd om het slachtoffer [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met een luchtbuks op hem te schieten.

Uit de stukken blijkt het volgende.

Verdachte heeft in de woning op korte afstand tweemaal op het slachtoffer [slachtoffer] geschoten met een luchtbuks. De afstand tussen verdachte en het slachtoffer was ongeveer één tot drie meter. Verdachte richtte op het lichaam van het slachtoffer. Uit de medische verklaring blijkt dat het slachtoffer hierdoor een tweetal blauwe plekken en huidbeschadiging op de linkerzijde van zijn lichaam heeft opgelopen.

Vervolgens heeft verdachte vanuit het raam van de flatwoning een aantal malen op het slachtoffer geschoten, terwijl deze wegfietste. Verdachte heeft hierbij op de jas van het slachtoffer gericht en de afstand tussen verdachte en het slachtoffer was ongeveer tien meter. Het slachtoffer heeft verklaard dat hij tikjes op zijn jas voelde.

Verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de kogels op een afstand van ongeveer tien meter weinig kracht hebben en dat hij ervaring had met het afvuren van de luchtbuks.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de kans erg klein was, dat de schoten die door verdachte in de woning zijn afgevuurd, zwaar lichamelijk letsel zouden veroorzaken. Verdachte had ervaring met het schieten met de luchtbuks en hij richtte vanaf een zeer korte afstand op het lichaam van het slachtoffer. De kans dat de kogels het slachtoffer zouden raken op een plek anders dan waar verdachte op richtte was derhalve zo klein, dat niet kan worden gesproken van een aanmerkelijk kans op zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank is tevens van oordeel dat de kans dat verdachte het slachtoffer op een afstand van ongeveer tien meter met de luchtbuks zwaar lichamelijk letstel zou toebrengen erg klein is. De kogels verliezen op een afstand als deze veel van hun kracht. Naar het oordeel van de rechtbank zouden de kogels op een dergelijke afstand alleen zwaar lichamelijk letstel kunnen veroorzaken wanneer zij in de ogen of de oren van het slachtoffer terecht waren gekomen. Verdachte richtte niet op het hoofd van het slachtoffer. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat de kans op zwaar lichamelijk letsel te klein was om te kunnen spreken van een aanmerkelijk kans. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het onder 1. primair telastegelegde, omdat zij dit niet bewezen acht.

De verdachte moet van hetgeen hem onder 2. primair is telastegelegd met betrekking tot artikel 282a van het Wetboek van Strafrecht worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit -even als de officier van justitie en de raadsman- niet bewezen acht.

Bewijsoverweging

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting ten aanzien van het onder 2. primair telastegelegde ondermeer bepleit dat er geen sprake was van opzet op de wederrechtelijke vrijheidsberoving bij verdachte en zijn mededader en dat verdachte derhalve van het primair telastegelegde dient te worden vrijgesproken.

Uit de stukken blijkt het volgende.

Het slachtoffer heeft in zijn verklaring bij de rechter-commissaris diverse momenten aangegeven waarop hij de woning wenste te verlaten, maar hiervan werd weerhouden door de dreigende houding en het intimiderende gedrag van verdachte en zijn mededader. Deze verklaring wordt gesteund door de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2]. [getuige 1] heeft ondermeer bij de rechter-commissaris verklaard dat ze duidelijk het idee had dat het slachtoffer de woning wenste te verlaten maar dat hij hiervan werd weerhouden, omdat hij bang was. [getuige 2] heeft ondermeer verklaard dat hij op een bepaald moment het idee had dat het slachtoffer weg wilde gaan. Gelet op de sfeer in de woning had hij het idee dat verdachte hem hiervan heeft weerhouden.

Verdachte heeft bij de politie zelf ook verklaard dat het slachtoffer op diverse momenten de woning wilde verlaten en dat hij het slachtoffer hiervan heeft weerhouden. Hij heeft ondermeer aangegeven dat het slachtoffer -toen hij net binnen was- weg wilde gaan. Verdachte heeft toen tegen het slachtoffer gezegd dat hij eerst met verdachtes mededader moest praten. Het slachtoffer zou anders klappen krijgen. Tevens heeft verdachte verklaard dat het slachtoffer op een gegeven moment gezegd heeft dat hij moest gaan. Verdachte heeft toen tegen het slachtoffer gezegd dat hij eerst nog een biertje moest drinken.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de dreigende houding en het intimiderende gedrag van verdachte en zijn mededader het voor hen duidelijk moet zijn geweest dat het slachtoffer de flatwoning niet durfde te verlaten. De verdachte en zijn mededader hebben derhalve het slachtoffer hierdoor opzettelijk belet de woning te verlaten en te gaan en te staan waar hij wilde.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1. subsidiair en 2. primair telastegelegde bewezen, met dien verstande dat:

1. subsidiair

hij op 9 maart 2008, op verschillende tijdstippen, te Leeuwarden in de gemeente Leeuwarden, opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer], met een luchtbuks meerdere kogels heeft geschoten tegen het lichaam van die [slachtoffer], waardoor die [slachtoffer] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

2. primair

hij op 9 maart 2008 te Leeuwarden in de gemeente Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers heeft hij, verdachte tezamen en in vereniging met een ander, die [slachtoffer] medegedeeld dat hij kon kiezen tussen klappen krijgen of een fles met urine leegdrinken en -nadat die [slachtoffer] ervoor gekozen had om de fles met urine te drinken- die [slachtoffer] meegenomen naar de kelderbox en die [slachtoffer] aldaar een fles met urine laten kiezen en die [slachtoffer] vervolgens meegenomen naar boven toe en die [slachtoffer] op het balkon plaats laten nemen en aldaar die [slachtoffer] de urine laten opdrinken en vervolgens die [slachtoffer] medegedeeld dat hij een blikje bier moest leegdrinken, omdat hij anders een mep zou krijgen en in die woning die [slachtoffer] beschoten met een luchtbuks en met gebruikmaking van het numeriek overwicht wat verdachten op die [slachtoffer] hadden, een situatie voor die [slachtoffer] gecreëerd waardoor die [slachtoffer] belet werd het pand te verlaten en die [slachtoffer] belet werd zich te onttrekken aan de intimiderende en bedreigende invloedssfeer van verdachten en aldus die [slachtoffer] belet werd vrijelijk te gaan en te staan waar hij zelf wilde.

De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het bewezene levert op de misdrijven:

1. subsidiair Mishandeling, meermalen gepleegd.

2. primair Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Strafbaarheid verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van de gepleegde feiten;

- de omstandigheden waaronder deze zijn begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, het trajectconsult van de Forensische Psychiatrische Dienst (FPD) d.d. 9 april 2008, het voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland d.d. 29 april 2008 en het psychologisch rapport d.d. 3 juni 2008;

- de vordering van de officier van justitie;

- het pleidooi van de raadsman.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededader schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving van een nog maar zestien jaar jonge kennis. Daarnaast heeft verdachte deze jongen mishandeld. Verdachte wist dat het slachtoffer een verlegen en bangige jongen was.

Verdachte en zijn mededader hebben het slachtoffer zodanig geïntimideerd en bedreigd dat deze de woning niet durfde te verlaten. Ook is het slachtoffer er door de bedreigingen en intimidaties toegebracht om een fles met urine te drinken. Daarnaast heeft verdachte zowel in als vanuit de flatwoning met een luchtbuks op het slachtoffer geschoten. Door toedoen van verdachte en zijn mededader heeft het slachtoffer een angstig uur moeten doorstaan, waarvan hij nog lange tijd de psychische gevolgen heeft ondervonden.

Verdachte en zijn mededader hebben door hun gedrag ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van het niet weerbare jonge slachtoffer. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan.

Verdachte is eerder met justitie in aanraking geweest ter zake bedreiging en mishandeling. Dit is een strafverzwarende omstandigheid.

Over verdachte is door de psycholoog een rapport uitgebracht. De deskundige acht verdachte volledig toerekeningsvatbaar. De deskundige acht het wenselijk dat verdachte ambulant wordt behandeld, teneinde zijn impulsieve uitingen van agressie te leren beteugelen. Daarnaast acht de deskundige het raadzaam om aan verdachte een verplicht reclasseringscontact op te leggen, zodat verdachte kan blijven werken aan zijn doel om uit de problemen te blijven.

Ook de reclassering heeft over verdachte gerapporteerd. Verdachte heeft tegenover de reclassering aangegeven er alles aan te willen doen om er achter te komen wat hem die middag heeft bezield. Ook heeft verdachte aangegeven zijn excuses aan het slachtoffer te willen maken. De kans op recidive wordt als gemiddeld ingeschat. De reclassering acht reclasseringstoezicht en één of meer gedragsinterventies wenselijk. De reclassering is van mening dat een gecombineerde gevangenisstraf met een onvoorwaardelijk deel gelijk aan het voorarrest, een werkstraf en een verplicht reclasseringscontact de voorkeur verdient boven een onvoorwaardelijk gevangenisstraf. Ter terechtzitting heeft verdachte nog verklaard dat hij momenteel onder behandeling bij de GGZ is in verband met depressiviteit.

De rechtbank kan zich vinden in de conclusies van de psycholoog en de reclassering. De rechtbank zal verdachte derhalve veroordelen tot een onvoorwaardelijk gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest. Een nog langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf acht de rechtbank niet wenselijk gezien verdachtes persoonlijke situatie. Wel zal aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd, met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, hetgeen mede het volgen van een training cognitieve vaardigheden of een ambulante behandeling bij de AFP kan inhouden. Tevens zal aan verdachte de maximale werkstraf worden opgelegd teneinde de ernst van het gepleegde delict duidelijk te maken.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1.subsidiair en 2. primair telastegelegde en bewezenverklaarde feiten alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde immateriële schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met de door verdachte gepleegde strafbare feiten, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve voor zover gegrond en voor hoofdelijke toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering met betrekking tot gevorderde wettelijke rente, niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding, zodat de benadeelde partij voor dit deel van de vordering niet ontvankelijk moet worden verklaard.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 36f, 47, 57, 282 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1. primair is telastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1. subsidiair en 2. primair telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van honderdachtenzeventig (178) dagen.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot honderdtwintig (120) dagen niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te vermelden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde, dat de veroordeelde:

- zich bij het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland te Leeuwarden;

- ervoor zorgt dat hij gedurende de proeftijd bereikbaar is voor deze reclasseringsinstelling;

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens genoemde reclasseringsinstelling, ook indien de aanwijzingen inhouden dat veroordeelde moet deelnemen aan training cognitieve vaardigheden of zich moet laten behandelen bij de Ambulante Forensische Psychiatrie (AFP).

Draagt genoemde reclasseringsinstelling op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Een werkstraf, bestaande uit het verrichten van 240 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Benadeelde partij

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], wonende te [adres], toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.000,00 (zegge: éénduizend euro), in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededaders van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering, betrekking hebbende op de wettelijke rente, niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], te betalen een som geld ten bedrage van € 1.000,00 (zegge: éénduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededaders van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van € 1.000,00 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. de Jong, voorzitter, mr. H. van der Werff en mr. K. Bunk, rechters, bijgestaan door G.T. Zandstra-Alkema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 april 2009.

Mr. B.J. de Jong is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.