Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BH7611

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
19-03-2009
Datum publicatie
24-03-2009
Zaaknummer
AWB 08/1067
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bijzondere bijstand. Onredelijk beleid. Compensatie inkomensachteruitgang voormalig alleenstaande ouder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 08/1067

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2009 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[naam],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde: W.T. van der Leij,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerenveen,

verweerder,

gemachtigde: E.J. Olthof, werkzaam bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij brief van 15 april 2007, verzonden 21 april 2007, heeft verweerder (hierna: het college) eiseres mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Wet Werk en Bijstand (WWB).

Tegen dit besluit heeft eiseres beroep aangetekend.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 16 januari 2009. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en H. Douma. Het college is bij bovengenoemde gemachtigde verschenen.

Motivering

Feiten

1.1 Eiseres ontvangt een uitkering ingevolge de WWB naar de norm van alleenstaande ouder.

1.2 Bij besluit van 16 augustus 2007 heeft het college de norm van de uitkering van eiseres gewijzigd omdat haar dochter op 24 augustus 2007 18 jaar is geworden. Met ingang van de laatstgenoemde datum geldt voor eiseres de norm alleenstaande. Het bijbehorende uitkeringsbedrag bedraagt € 623,10 per maand. De toeslag blijft ongewijzigd € 294,24 per maand. Verder wordt de voorlopige teruggave alleenstaande ouder van € 119,75 per maand van de Belastingdienst vanaf 24 augustus 2007 in mindering gebracht op de uitkering. Als gevolg van de wijziging van de bijstandsnorm wordt de aflossing van de lening van de GKB met ingang van genoemde datum vastgesteld op € 89,45 per maand.

1.3 Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.

1.4 Bij het thans bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Het college heeft daartoe verwezen naar de eerdere besluitvorming en het advies van de commissie bezwaarschriften.

Geschil

2.1 Eiseres heeft naar voren gebracht dat de wijziging van de bijstandsnorm een inkomensachteruitgang van € 271,18 per maand tot gevolg heeft. Eiseres heeft verder gesteld dat in haar geval sprake is van bijzondere omstandigheden. Zij woont sinds november 2002 in Nederland en zij heeft op dat moment leningen moeten afsluiten ten behoeve van het inrichten van haar woning en de afkoop van het AOW-tekort. Tot op heden lost zij maandelijks af op deze leningen. Haar dochter woont sinds 15 januari 2004 in Nederland. Zij zit in de vierde klas HAVO en kan naast haar school geen arbeid verrichten. Eiseres heeft het college verzocht de voorlopige belastingteruggave niet in mindering te brengen op haar uitkering. Zij is van mening dat zij geheel of gedeeltelijk gecompenseerd dient te worden voor haar inkomensachteruitgang.

2.2 Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de WWB volgt dat personen vanaf 18 jaar geacht worden zelf in hun onderhoud te voorzien. De ouder ontvangt daarom vanaf het moment dat het jongste kind 18 jaar is geworden een bijstandsuitkering gebaseerd op de norm voor een alleenstaande en eventueel een gemeentelijke toeslag. Conform het gemeentelijk beleid ontvangt eiseres een toeslag van 20%. Het college heeft voorts als beleid dat er geen bijzondere bijstand wordt verleend ter compensatie van de inkomensachteruitgang. Daartoe heeft het college toegelicht dat in de bijstandsnorm (norm + toeslag - verlaging) reeds rekening is gehouden met het feit dat het kind met een laag inkomen niet (optimaal) bij kan dragen aan de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.

Beoordeling van het geschil

3.1 Ingevolge artikel 4, onderdeel b, van de WWB wordt onder alleenstaande ouder verstaan de ongehuwde die de volledige zorg heeft voor één of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander. Onderdeel d van dit artikel bepaalt dat onder ten laste komend kind moet worden verstaan het kind jonger dan 18 jaar voor wie de alleenstaande ouder of de gehuwde aanspraak op kinderbijslag kan maken. Op grond van artikel 35, eerste lid, van de WWB heeft de alleenstaande of het gezin, onverminderd het bepaalde in paragraaf 2.2, recht op bijzondere bijstand voorzover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voorzover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking worden genomen.

3.2 De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat de alleenstaande ouder moet worden aangemerkt als alleenstaande, zodra het jongste ten laste komende kind de leeftijd van 18 jaar bereikt. Tussen partijen is niet in geschil dat het jongste kind van eiseres op 24 augustus 2007 18 jaar is geworden. De rechtbank kan derhalve niet anders concluderen dan dat het college, gelet op de bepalingen in de WWB, gehouden was de uitkeringsnorm van eiseres te wijzigen naar de norm voor een alleenstaande. De vraag die vervolgens beantwoord dient te worden is of het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten eiseres niet te compenseren voor de inkomensachteruitgang die het gevolg is van deze wijziging.

3.3 Op basis van de gedingstukken, met name paragraaf 7.15 van het Handboek WWB, en het verhandelde ter zitting is voor de rechtbank vast komen te staan dat het college met betrekking tot inkomensachteruitgang in gevallen als het onderhavige geen compensatie verstrekt in de vorm van bijzondere bijstand. Nadrukkelijk wordt in het Handboek gesteld dat het college geen bijzondere bijstand verstrekt ter (gedeeltelijke) compensatie van de inkomensachteruitgang van het gezin van de voormalig alleenstaande ouder. De bijstandsnorm wordt door het college toereikend geacht voor de voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten.

3.4 De vraag of dit beleid redelijk is, beantwoordt de rechtbank ontkennend. De rechtbank overweegt daartoe dat het beleid van verweerder, waar het gaat om het niet verstrekken van compensatie van de inkomensachteruitgang van het gezin van de voormalig alleenstaande ouder, in strijd is met het uitgangspunt van de WWB.

In artikel 18 WWB is bepaald dat het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen afstemt op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. In de parlementaire geschiedenis wordt met betrekking tot dit artikel het volgende toegelicht: "Het individualiseringsbeginsel staat centraal in deze wet. Dit beginsel stoelt op verschillende uitgangspunten, die op verschillende plaatsen in de wet tot uitdrukking komen." (TK 2002-2003, 28870, nr. 3, p. 47). Vervolgens wordt in de Memorie van Toelichting bij artikel 35 het volgende toegelicht: "Degene die als gevolg van bijzondere individuele omstandigheden wordt geconfronteerd met noodzakelijke bestaanskosten waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaan, heeft recht op bijzondere bijstand. Welke kosten daarvoor in aanmerking komen hangt af van de omstandigheden in het individuele geval en kan dan ook slechts van geval tot geval worden beoordeeld." (TK 2002-2003, 28870, nr. 3, p. 64). Gelet op deze uitgangspunten van de WWB kan niet anders geconcludeerd worden dan dat een beleid waarbij een categorie personen, in deze de voormalig alleenstaande ouder, wordt uitgesloten van bijzondere bijstand in strijd is met de grondslag en systematiek van de wet. Het college dient gelet op het voorgaande in deze gevallen een individuele afweging te maken waarbij de omstandigheden van het geval beoordeeld dienen te worden. De rechtbank merkt ten aanzien van de hier aan de orde zijnde categorie personen op dat de verzamelbrief van de staatssecretaris van 26 april 2007 als aanwijzing moet worden gezien dat compensatie van de inkomensachteruitgang in bepaalde gevallen voorstelbaar is.

3.5 De rechtbank komt tot de conclusie dat het beleid van het college voor zover dat ziet op het niet verstrekken van bijzondere bijstand ter compensatie van de inkomensachteruitgang bij de overgang van alleenstaande ouder naar alleenstaande niet redelijk is. Het beroep van eiseres zal dan ook gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd, wegens strijd met de WWB.

Proceskosten

Met toepassing van art. 8:75 van de Awb veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van eiseres € 322,00 ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (verschijnen ter zitting 1 punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 322,00). De rechtbank wijst de gemeente Heerenveen aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar neemt, met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;

- bepaalt dat de gemeente Heerenveen het griffierecht van € 39,00 aan eiseres vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 322,00 aan eiseres te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. G.C. Koelman, rechter, in tegenwoordigheid van mr. E. Nolles als griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2009.

w.g. E. Nolles

w.g. G.C. Koelman

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.