Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BH7609

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
19-03-2009
Datum publicatie
24-03-2009
Zaaknummer
AWB 08/823
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bijzondere bijstand. Proceskostenveroordeling. Beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 08/823

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2009 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[naam],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde: W.T. van der Leij,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerenveen,

verweerder,

gemachtigde: E.J. Olthof, werkzaam bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij brief van 11 maart 2008, verzonden op 17 maart 2008, heeft verweerder eiseres mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Wet Werk en Bijstand.

Tegen dit besluit heeft eiseres beroep aangetekend.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 16 januari 2009. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is bij bovengenoemde gemachtigde verschenen.

Motivering

Feiten

1.1 Eiseres heeft op 22 juni 2007 een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend ter vergoeding van de door haar gemaakte kosten voor de aanschaf van woordenboeken.

1.2 Bij besluit van 19 juli 2007 (hierna: besluit A) heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen. De reden voor afwijzing is gelegen in het feit dat de onderwijsinstelling waar eiseres een taaltraject volgt, het Friesland College, heeft aangegeven dat geen sprake is van noodzakelijke studiekosten.

1.3 Op 8 augustus 2007 is namens eiseres bezwaar gemaakt tegen voornoemd besluit.

1.4 Bij besluit van 19 oktober 2007 (hierna: besluit B) heeft verweerder na heroverweging van de aanvraag besloten de kosten alsnog te vergoeden tot een bedrag van € 110,00. Daarbij heeft verweerder eiseres in overweging gegeven het bezwaarschrift in te trekken.

1.5 Namens eiseres is bij brief van 25 oktober 2007 aangegeven dat ervan uit wordt gegaan dat voornoemd besluit B met toepassing van artikel 6:18 van de Awb is genomen. Met dit besluit is deels tegemoet gekomen aan het bezwaar van eiseres. Bij het bezwaar is echter ook een verzoek om proceskostenvergoeding ingediend. Nu op dit verzoek niet is beslist ziet eiseres geen aanleiding het bezwaar in te trekken.

1.6 Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder eiseres niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Geschil

2.1 Namens eiseres is bepleit dat zij ontvankelijk dient te worden verklaard in haar bezwaar. Eiseres is in dat kader van mening dat zij voldoende procesbelang heeft bij de beoordeling van het verzoek om proceskostenveroordeling. Met betrekking tot de proceskosten is namens eiseres gesteld dat, nu sprake is van het herroepen van een onrechtmatig besluit, deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen.

2.2 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Eiseres had niet voldaan aan de voorwaarden om voor vergoeding van de studieboeken in aanmerking te komen. Het feit dat de boeken uit coulance alsnog zijn vergoed, maakt niet dat besluit A onrechtmatig is. Met betrekking tot de vergoeding van de proceskosten heeft verweerder voorts gesteld dat, nu de gemachtigde van eiseres niet aangemerkt kan worden als een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, de proceskosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Beoordeling van het geschil

3.1 De rechtbank constateert dat verweerder de aanvraag om bijzondere bijstand voor woordenboeken bij besluit A heeft afgewezen. Eiseres heeft daarop bezwaar gemaakt. Vervolgens heeft verweerder bij besluit B de bijzondere bijstand alsnog toegekend. De rechtbank is van oordeel dat het in de rede had gelegen dat verweerder de toekenning in een beslissing op bezwaar had neergelegd en niet met toepassing van artikel 6:18 Awb in een nieuw dan wel gewijzigd primair besluit. Nu eiseres heeft aangegeven dat met besluit B niet geheel tegemoet is gekomen aan het bezwaar vanwege het feit dat verweerder geen beslissing heeft genomen over het verzoek om proceskostenvergoeding, had verweerder hierover, gelet op het bepaalde in artikel 7:11 van de Awb, in het bestreden besluit alsnog een beslissing moeten nemen. Verweerder heeft eiseres dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar tegen besluit B, hetgeen met zich brengt dat het beroep gegrond dient te worden verklaard en het bestreden besluit moet worden vernietigd. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb beoordelen of de proceskosten in bezwaar voor vergoeding in aanmerking komen.

3.2 Voorafgaand aan deze beoordeling dient de rechtbank, eveneens met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb zich een oordeel te vormen over de bezwaren voor zover deze zijn gericht tegen besluit A. De rechtbank is evenwel van oordeel dat niet gesteld dan wel gebleken is dat eiseres nog een belang heeft bij deze beoordeling. Eiseres wordt derhalve niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar voor zover deze bezwaren zijn gericht tegen besluit A.

3.3 Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, eerste volzin, van de Awb worden kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

3.4 De rechtbank stelt voorop dat het vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (LJN AT 7365) is dat het naar aanleiding van een daartegen gemaakt bezwaar geheel of gedeeltelijk intrekken van een primair besluit wegens gebleken onrechtmatigheid voor de toepassing van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb op één lijn moet worden gesteld met het -met toepassing van artikel 7:11 van de Awb -geheel of gedeeltelijke herroepen van een primair besluit wegens gebleken onrechtmatigheid. De rechtbank is van oordeel dat niet anders geconcludeerd kan worden dan dat verweerder met het, met toepassing van artikel 6:18 van de Awb, nemen van besluit B gelijktijdig besluit A heeft ingetrokken dan wel herroepen. De onrechtmatigheid is in deze gelegen in het feit dat verweerder bij de eerste beoordeling van de aanvraag kennelijk niet alle mogelijkheden tot vergoeding heeft onderzocht. Eerst nadat door eiseres bezwaar is ingesteld heeft verweerder beoordeeld of vergoeding in het kader van de reïntegratie mogelijk was. Er is dan ook sprake van onrechtmatigheid die aan verweerder te wijten is.

3.5 De rechtbank dient tenslotte de vraag te beoordelen of de in bezwaar gemaakte kosten voor vergoeding in aanmerking komen. In dit kader wordt voorop gesteld dat namens verweerder ter zitting is erkend dat, indien eiseres geen bezwaar had ingediend, het besluit van 19 juli 2007 in stand was gebleven, zodat geen twijfel bestaat over de vraag of de kosten redelijkerwijs zijn gemaakt. Vervolgens heeft verweerder betwist dat de gemachtigde van eiseres een derde is die beroepsmatig rechtsbijstand verleent. In afwijking van eerdere uitspraken is de rechtbank thans van oordeel dat W.T. van der Leij als zodanig aangemerkt dient te worden. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat deze gemachtigde een cliëntenbestand van 30 tot 50 cliënten heeft en van zijn cliënten een vergoeding vraagt. Het verzoek om proceskostenvergoeding had derhalve gehonoreerd dienen te worden.

3.6 Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep van eiseres gegrond zal worden verklaard. Het bestreden besluit zal wegens strijd met de Awb worden vernietigd. De rechtbank ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien, waarbij het bezwaar van eiseres voor zover gericht tegen besluit A niet-ontvankelijk wordt verklaard en het bezwaar voor zover gericht tegen besluit B ontvankelijk wordt verklaard en verweerder wordt veroordeeld in de door eiseres gemaakte kosten van bezwaar, welke forfaitair op € 322,00 zijn vastgesteld.

3.7 Gelet op het bovenstaande en op het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb dient de gemeente Heerenveen het door eiseres gestorte griffierecht van € 39,00 te vergoeden.

Proceskosten

Met toepassing van artikel 8:75 van de Awb veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van eiseres € 644,00 ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (beroepschrift 1 punt; verschijnen ter zitting 1 punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 322,00). De rechtbank wijst de gemeente Heerenveen aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen besluit A;

- verklaart het bezwaar ontvankelijk voor zover gericht tegen besluit B;

- bepaalt dat de gemeente Heerenveen het griffierecht van € 39,00 aan eiseres vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van in totaal € 966,00 aan eiseres te vergoeden door de gemeente Heerenveen.

Aldus gegeven door mr. G.C. Koelman, rechter, in tegenwoordigheid van mr. E. Nolles als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2009.

w.g. E. Nolles

w.g. G.C. Koelman

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.