Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BH7516

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
19-03-2009
Datum publicatie
24-03-2009
Zaaknummer
AWB 08/1852
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vrijstelling en bouwvergunning. Uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Zienswijzen. Belanghebbenden. Bekendmaking ontwerp-besluiten. Artikel 6:13 Algemene wet bestuursrecht. Ontvankelijkheid. Rechtstreeks beroep. Doorzending.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 08/1852

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2009 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

1. Vereniging van Eigenaars complex Raadhuisplein 9 t/m 39, 45 t/m 67 (oneven nummers), 2 t/m 96, 124 t/m 140 en 150 t/m 200 (even nummers) te Drachten, handelend onder de naam "VVE Complex Raadhuisplein te Drachten",

2. Vereniging van Eigenaars woningen Raadhuisplein 98 t/m 114, 124 t/m 140 en 150 t/m 200 (even nummers) te Drachten,

3. Vereniging van Eigenaars woningen Raadhuisplein 2 t/m 96 (even nummers) te Drachten,

allen gevestigd te Drachten,

4. Woon-Winkel Fonds Bewaarbedrijf B.V.,

gevestigd te Alkmaar,

eisers,

gemachtigde: mr. Y.H. van Ballegooijen, advocaat te Breda,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Smallingerland,

verweerder,

gemachtigde: mr. J. Boersma, werkzaam bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij brief van 1 juli 2008 heeft verweerder eisers mededeling gedaan van zijn besluit betreffende de toepassing van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en de Woningwet.

Tegen dit besluit hebben eisers een bezwaarschrift ingediend.

Onder de overweging dat het bestreden besluit met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb is voorbereid heeft verweerder dit bezwaarschrift ter behandeling als (rechtstreeks) beroep aan de rechtbank doorgezonden.

Op grond van art. 8:26, eerste lid, van de Awb is Winkelcentrum Raadhuisplein Drachten B.V. (hierna: de vergunninghoudster) door de rechtbank in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Zij heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en door haar is een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 5 februari 2009. Eisers hebben zich daar laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde en [naam]. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. De vergunninghoudster heeft zich niet ter zitting doen vertegenwoordigen.

Motivering

Feiten

1.1 Op 7 november 2007 heeft de vergunninghoudster verweerder verzocht haar vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO en bouwvergunning te verlenen voor het bouwen van een parkeergarage, commerciële ruimten, woningen en de daarbij behorende ruimten op percelen aan het Raadhuisplein te Drachten.

1.2 Bij besluit van 22 april 2008 heeft verweerder besloten alle aanvragen om bouwvergunning die strijdig zijn met het bestemmingsplan en waarvoor alleen medewerking kan worden verleend nadat een vrijstellingsprocedure is gevoerd op basis van artikel 17 of 19 van de WRO vanaf 15 april 2008 voor te bereiden overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb.

1.3 De ontwerpvrijstelling en ontwerpbouwvergunning hebben met ingang van 25 april 2008 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Hiervan is op 24 april 2008 in de Breeduit kennis gegeven. Er zijn geen zienswijzen ingediend.

1.4 Bij het thans bestreden besluit van 1 juli 2008 heeft verweerder vervolgens de verzochte vrijstelling en bouwvergunning verleend. Onder het besluit is een beroepsclausule opgenomen.

1.5 Tegen dit besluit hebben eisers bezwaar ingediend. Dit bezwaar heeft verweerder met toepassing van artikel 6:15 van de Awb ter behandeling doorgezonden naar de rechtbank.

Standpunten van partijen

2.1 Eisers stellen zich op het standpunt dat afdeling 3.4 van de Awb in het onderhavige geval niet juist is toegepast en dat er daarom geen rechtstreeks beroep mogelijk is. Daartoe voeren eisers aan dat in artikel 3:10 van de Awb is bepaald dat per concreet geval moet worden beslist of de in afdeling 3.4 van de Awb opgenomen procedure wordt toegepast. Het algemene besluit van 22 april 2008 is dan ook niet rechtsgeldig, aldus eisers. Voorts stellen eisers dat het besluit van 22 april 2008 enkel geldt voor bouwaanvragen vanaf 15 april 2008 en daarom niet op de onderhavige bouwaanvraag van 7 november 2007 van toepassing is. Verder hebben eisers aangevoerd dat zij zakelijk gerechtigden zijn met betrekking tot (onderdelen van) het bouwplan. Aan hen had dan ook een persoonlijke kennisgeving moeten worden gezonden als bedoeld in artikel 3:13 van de Awb. Tot slot stellen eisers dat de publicatie onduidelijk is. Eisers menen daarom dat het achterwege laten van zienswijzen hen niet kan worden tegengeworpen.

2.2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun beroep tegen de verlening van de bouwvergunning en vrijstelling, nu deze besluiten zijn voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb en eisers hebben verzuimd daartegen zienswijzen in te dienen. Daarbij betoogt verweerder dat eisers weliswaar ten aanzien van onderdelen van het bouwplan zakelijk gerechtigden zijn, maar dat dit niet meebrengt dat zij allemaal persoonlijk in kennis hadden moeten worden gesteld van de ontwerpbesluiten. Verweerder is van mening dat hij heeft kunnen volstaan met de algemene publicatie.

Wettelijk kader

3.1 Ingevolge artikel 19a, vierde lid, aanhef, van de WRO, is op de voorbereiding van het besluit omtrent de vrijstelling afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Deze afdeling regelt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure en omvat de artikelen 3:10 tot en met 3:18 van de Awb.

3.2 Ingevolge artikel 3.10, eerste lid, van de Awb is afdeling 3.4 van toepassing op de voorbereiding van besluiten indien dat bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan is bepaald.

3.3 Ingevolge artikel 3:13, eerste lid, van de Awb zendt het bestuursorgaan, indien het besluit tot een of meer belanghebbenden zal zijn gericht, voorafgaand aan de terinzagelegging het ontwerp toe aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

3.4 Ingevolge artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep bij de administratieve rechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld.

3.5 In artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb is bepaald dat degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken, tenzij het besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4.

Beoordeling

4.1 Tussen partijen is niet in geschil - en ook de rechtbank stelt vast - dat het in geding zijnde bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Van Knobelsdorffplein" en dat deze strijdigheid kan worden opgeheven door vrijstelling op de voet van het bepaalde in artikel 19, tweede lid, van de WRO te verlenen.

4.2 In het blad "Breeduit" van 24 april 2008 is onder het kopje "vrijstelling artikel 19 lid 2 WRO en bouwvergunning artikel 40 Woningwet" vermeld dat B&W van Smallingerland van plan zijn vrijstelling te verlenen van het geldende bestemmingsplan "Van Knobbeldorffplein" en bouwvergunning te verlenen voor de bouw van een parkeergarage, commerciële ruimten, woningen en daarbij behorende ruimten op percelen aan het Raadhuisplein in Drachten. Voorts is vermeld dat de bouwvergunning ook met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb wordt voorbereid. Daarbij is aangegeven dat de ontwerpbesluit(en) met bijbehorende stukken van 25 april 2008 tot 5 juni 2008 ter inzage liggen en dat gedurende die periode zienswijzen kunnen worden ingediend.

4.3 De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of verweerder heeft kunnen volstaan met voormelde publicatie of dat eisers moeten worden aangemerkt als belanghebbenden tot wie de (ontwerp)besluiten zich richten, zodat zij overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:13, eerste lid, van de Awb voorafgaande aan de terinzagelegging persoonlijk in kennis had moeten worden gesteld van die ontwerpbesluiten.

4.4 Naar het oordeel van de rechtbank moeten onder belanghebbenden in bovenvermelde zin in elk geval worden verstaan eigenaren, rechthebbenden, gebruikers en ander persoonlijk gerechtigden van percelen waarop het desbetreffende besluit betrekking heeft. Hierbij heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de Memorie van Toelichting bij de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (Kamerstukken II 2003-2004, 29 421, nr. 3, p. 15).

4.5 Tussen partijen is niet in geschil dat onderdelen van het bouwplan betrekking hebben op percelen waarvan eisers zakelijk gerechtigden zijn of waarvan zij de belangen behartigen van die zakelijk gerechtigden. Gelet hierop en gelet op het onder 4.4 overwogene moeten eisers naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 3:13, eerste lid, van de Awb. Verweerder had eisers dan ook voorafgaand aan de terinzagelegging de ontwerpbesluiten moeten toezenden. Nu dit niet is gebeurd, is het bestreden besluit niet op juiste wijze met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb voorbereid. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat niet is voldaan aan de in artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb opgenomen voorwaarde om een bezwaarprocedure achterwege te laten.

4.6 Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit waarbij bouwvergunning en vrijstelling zijn verleend, een besluit waartegen op grond van artikel 7:1 van de Awb bezwaar dient te worden gemaakt, alvorens beroep bij de rechtbank kan worden ingediend. Het beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Voorts zal de rechtbank bepalen dat het beroepschrift van eisers met toepassing van artikel 6:15, tweede lid, van de Awb ter behandeling als bezwaarschrift wordt doorgezonden aan verweerder.

4.7 De rechtbank ziet in de onjuiste mededeling in het bestreden besluit omtrent het instellen van beroep, waardoor eisers nodeloos kosten hebben gemaakt, aanleiding te bepalen dat het door eisers betaalde griffierecht van € 288,00 en de door hen gemaakte proceskosten door de gemeente Smallingerland worden vergoed. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van eisers € 644,00 ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (indienen beroepschrift: 1 punt; verschijnen ter zitting 1 punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 322,00). De rechtbank wijst de gemeente Smallingerland aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden. De rechtbank merkt in dit verband op dat de kosten van professionele rechtsbijstand worden vergoed volgens een forfaitair systeem, dat is gerelateerd aan de gemiddelde werkbelasting in diverse zaaktypen. De werkelijk gemaakte kosten zijn dus niet relevant. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan het door de gemachtigde van eisers opgevoerde bedrag van € 6.240,00 aan honorarium. Met betrekking tot de opgevoerde reiskosten merkt de rechtbank op dat de reiskosten van de gemachtigde geacht worden te zijn inbegrepen in de forfaitaire vergoeding voor de professionele rechtshulpverlener en mitsdien niet voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking komen. Evenmin komt het onder de post "verschotten" opgevoerde bedrag van € 27,25 (kosten uittreksel) voor vergoeding in aanmerking, aangezien dit bedrag naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende is onderbouwd.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

- bepaalt dat de griffier het beroepschrift met de daarbij behorende stukken doorzendt naar verweerder;

- bepaalt dat de gemeente Smallingerland het griffierecht van € 288,00 aan eisers vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers ten bedrage van € 644,00, aan eisers te vergoeden door de gemeente Smallingerland.

Aldus gegeven door mr. E.M. Visser, rechter, in tegenwoordigheid van mr. T. Hoekstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2009.

w.g. T. Hoekstra

w.g. E.M. Visser

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.