Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BH6545

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
19-03-2009
Datum publicatie
23-03-2009
Zaaknummer
AWB 09/399
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO en bouwvergunning ten behoeve van een behandelcentrum voor jeugdigen met psychische problemen, gedragsproblematiek of andere problemen van opvoedkundige aard. Ruimtelijke onderbouwing. Belangenafweging.

Zie ook LJN: BH6547

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 09/399

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 maart 2009 als bedoeld in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[A],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde: mr. drs. J.M. Stedelaar, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand te Tilburg,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Smallingerland,

verweerder,

gemachtigden: mr. J. Jukema-Teertstra en mr. J. Boersma, beiden werkzaam bij de gemeente Smallingerland.

Procesverloop

Bij besluit van 18 november 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Smallingerland (hierna: het college) aan Stichting Jeugdhulp Friesland te Leeuwarden (hierna: Jeugdhulp Friesland) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het verbouwen en uitbreiden van gebouwen op het complex "Woodbrookers" te Kortehemmen, plaatselijk bekend Boerestreek 22-24 te Kortehemmen, kadastraal bekend gemeente Boornbergum, sectie F, nummers 1328 en 1330 (hierna: het perceel).

[A], alsmede [B], [C], [D], [E], [F] en [G], hebben tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Deze beroepen zijn geregistreerd onder 08/2914 ([A]), 08/2897 ([B] en [C]) en 08/2899 ([D], [E], [F] en [G]).

Met toepassing van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb heeft de rechtbank Jeugdhulp Friesland in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Jeugdhulp Friesland heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en namens haar is een schriftelijke uiteenzetting over de beroepen gegeven.

Bij brieven van 23 februari 2009 en 24 februari 2009 hebben [A] respectievelijk [B] en [C] zich tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb een voorlopige voorziening te treffen. Deze verzoeken zijn geregistreerd onder 09/399 ([A]) en 09/486 ([B] en [C]). [D], [E], [F] en [G] (hierna: [D c.s]) hebben niet verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek van [A] is gevoegd met het verzoek van [B] en [C] behandeld ter zitting op 11 maart 2008. [A] is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Namens Jeugdhulp Friesland is B.A.J. Droste verschenen, bijgestaan door mr. E. Wiarda, werkzaam bij adviesbureau Langhout & Wiarda te Oranjewoud. Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de zaken gesplitst en wordt in de onderhavige zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.

Motivering

Feiten

1.1 Het bouwplan waarvoor op 17 december 2007 namens Jeugdhulp Friesland bouwvergunning is aangevraagd voorziet in de realisatie van een 24-uurs behandelcentrum voor maximaal 64 jeugdigen in de leeftijd van 12-18 jaar die vanwege psychische problemen, gedragsproblematiek of andere problemen van opvoedkundige aard niet meer thuis kunnen wonen. De helft van de jeugdigen wordt behandeld in een besloten setting en de andere helft in een halfopen setting. De jeugdigen worden behandeld in groepen van acht jeugdigen. Er komen dus vier groepen in de besloten setting en vier groepen in de halfopen setting. Het behandelcentrum zal aan ongeveer 115 personen (100 fte) werk bieden. Het behandelcentrum is geprojecteerd op het complex "Woodbrookers". Dit complex, dat ten behoeve van het bouwplan is aangekocht door Jeugdhulp Friesland, omvat een beheerderswoning met een schuur, het hoofdgebouw met daarin een congrescentrum, hotel, bar, restaurant en nog een vrijstaande schuur. Het bouwplan voorziet in de bouw van twee aanbouwen aan het bestaande pand en de bouw van een geheel nieuw pand achter het bestaande pand waar de jeugdigen kunnen gaan wonen. De aanwezige beheerderswoning wordt verbouwd tot kantoor. De bijbehorende bebouwing (met ook nieuwbouw van een werkplaats) wordt verbouwd tot werkplaatsen voor dagbesteding en ten behoeve van het onderwijs dat op het behandelcentrum aan de jeugdigen wordt gegeven. Tevens wordt een fietsenstalling gerealiseerd. Het bouwplan voorziet tevens in de aanleg van parkeer- en sportvoorzieningen (sportveld en sportkooi).

1.2 Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Buitengebied". Ingevolge artikel 4 van dit bestemmingsplan hebben de gronden behorend bij het perceel de bestemming "Woudengebied" en de bestemming "Woudengebied met de aanduiding Bh (horeca). Realisatie van een behandelcentrum is op deze gronden niet toegestaan en de bouw van het behandelcentrum past voorts niet binnen de bebouwingsbepalingen van het bestemmingsplan.

1.3 Bij besluit van 1 april 2008 heeft de gemeenteraad van Smallingerland zijn bevoegdheid om voor wat betreft het onderhavige bouwplan vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) te verlenen gedelegeerd aan het college. Vervolgens heeft het college zijn voornemen om vrijstelling te verlenen (ontwerp-besluit) met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb met ingang van 4 juli 2008 gedurende zes weken ter inzage gelegd en gelegenheid geboden om zienswijzen omtrent het ontwerp-besluit kenbaar te maken bij het college. Bij brief van 11 augustus 2008 heeft [A] zijn zienswijze over het ontwerp-besluit gegeven.

1.4 In haar advies van 1 oktober 2008 heeft Hûs en Hiem aangegeven dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand.

1.5 Bij brief van 11 november 2008 hebben Gedeputeerde staten van Fryslân (hierna: GS) het college meegedeeld dat zij tegen het verlenen van de vrijstelling geen bezwaar hebben (verklaring van geen bezwaar).

1.6 Bij het besluit van 18 november 2008 heeft het college vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO en bouwvergunning verleend aan Jeugdhulp Friesland.

Geschil

2.1 [A] vreest dat het woon- en leefklimaat in de directe omgeving van het plangebied door de komst van het behandelcentrum wordt aangetast en dat dit zal leiden tot overlast. Hij is bovendien van opvatting dat de locatie van het behandelcentrum stuit op verkeersdeskundige bezwaren. Tenslotte is hij van mening dat het bouwplan in verband met de aanwezigheid van een beschermde soort orchideeën in het plangebied stuit op ecologische bezwaren. Op grond van deze bezwaren had het college geen vrijstelling mogen verlenen, aldus [A].

2.2 Het college is van opvatting dat de komst van het behandelcentrum niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat in de directe omgeving van het behandelcentrum. Evenmin zal de komst van het centrum leiden tot overlast. Het college is verder van opvatting dat de locatie van het behandelcentrum niet stuit op verkeersdeskundige bezwaren. Tenslotte is het college van mening dat het bouwplan niet stuit op ecologische bezwaren nu de door [A] genoemde orchideeën niet zijn aangetroffen bij het in mei, juli en augustus 2008 uitgevoerde ecologische onderzoek.

Beoordeling van het geschil

Formele aspecten

3.1 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om [A] te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat hij een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.

3.2 Indien, zoals in het onderhavige geval, het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan terwijl beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om geen gebruik te maken van deze bevoegdheid. Zoals hiervoor onder "procesverloop" is weergegeven, hebben [D c.s] ook beroep ingesteld tegen het besluit van 18 november 2008. Dit beroep ligt thans niet ter beoordeling voor. Bovendien hebben [D c.s] geen schorsingsverzoek ingediend. Reeds hierom kan de voorzieningenrechter niet onmiddellijk uitspraak doen in het door [D c.s] ingediende beroep. Om die reden acht de voorzieningenrechter het onwenselijk om thans, met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb, uitspraak te doen in het beroep van [A].

3.3 Het voorgaande brengt mee dat de voorzieningenrechter zich zal beperken tot het geven van een oordeel over het door [A] ingediende verzoek. Voor zover deze beoordeling met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak (het beroep) wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter. Aan het verzoek als de onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de hoofdzaak luidt dat het beroep tegen het besluit van 18 november 2008 gegrond verklaard zal moeten worden.

Inhoudelijke kant van de zaak

4.1 Zoals hiervoor is overwogen verhoudt de bouw van het behandelcentrum zich niet tot artikel 4 van het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied". Het college heeft deze strijd met het bestemmingsplan opgeheven door vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO te verlenen.

4.2 Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

4.3 In de bij het bestreden besluit behorende ruimtelijke onderbouwing, zoals door het college vastgesteld op 28 oktober 2008, is uiteengezet dat en waarom het bouwplan zich verhoudt tot het rijksbeleid, het provinciale beleid (Streekplan Fryslân 2007) en het gemeentelijke beleid. Voorts zijn daarbij via onderzoek betrokken ecologische waarden, archeologische waarden, geluid, luchtkwaliteit, een watertoets, (individuele) veiligheid van personen en bodemonderzoek. De voorzieningenrechter oordeelt dat de ruimtelijke onderbouwing van het bouwplan voldoet aan de eisen die hieraan in dit geval gesteld moeten worden.

4.4 Zoals hiervoor is overwogen hebben GS bij brief van 11 november 2008 ten behoeve van het bouwplan een verklaring van geen bezwaar afgegeven. Daarnaast heeft de gemeenteraad zijn bevoegdheid om ten behoeve van het onderhavige bouwplan vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) te verlenen bij besluit van 1 april 2008 gedelegeerd aan het college. Dit betekent dat aan de formele voorwaarden voor toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO is voldaan. Het college was en is dus bevoegd om ten behoeve van het onderhavige bouwplan vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO te verlenen.

4.5 Vervolgens is aan de orde of het college van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Daarbij dient de vraag te worden beantwoord of het college, na afweging van de betrokken belangen, waaronder de belangen van verzoeker, maar ook de door Jeugdhulp Friesland behartigde belangen, in redelijkheid heeft kunnen besluiten vrijstelling te verlenen.

4.6 Ter zitting heeft Droste nader uiteengezet welke maatregelen worden getroffen om overlast te voorkomen, althans dit tot een aanvaardbaar niveau te beperken. Aangegeven is dat er cameratoezicht zal plaatsvinden. Verder is aangegeven dat conciërges permanent aanwezig zijn op het centrum en 's avonds en 's nachts rondom het centrum rondes lopen. Voorts wordt gecontroleerd welke personen het centrum binnenkomen en verlaten. Bezoeken kunnen slechts op afspraak plaatsvinden. Droste heeft daarnaast nog aangegeven dat het gebruik van alcohol niet is toegestaan, ook niet bij festiviteiten. Voor wat betreft drugsgebruik heeft Droste aangegeven dat Jeugdhulp Friesland op dit punt samenwerkt met Verslavingszorg Noord-Nederland. Van een bovenliggende verslavingsproblematiek is geen sprake. Hij heeft niet willen uitsluiten dat jeugdigen, aan wie het is toegestaan het centrum (tijdelijk) te verlaten, buiten het centrum drugs en/of alcohol gebruiken, maar dat bij terugkeer van deze jeugdigen door middel van urinecontroles wordt gecontroleerd of sprake is van alcohol- en/of drugsgebruik. Deze controles vinden plaats in ziekenhuis Nij Smellinghe te Drachten. Indien sprake is van drugsgebruik krijgt de betrokken jeugdige een (tijdelijk) verbod om het centrum te verlaten, en volgt een gesprek. Bovendien dient de jeugdige binnen drie maanden af te kicken. Slaagt de jeugdige hierin niet, dan volgt een klinische opname bij (een instelling van) Verslavingszorg Noord-Nederland. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter waarborgen deze maatregelen in voldoende mate dat mogelijke overlast, veroorzaakt door bezoekers van en/of de jeugdigen in het centrum in aanvaardbare en voldoende mate wordt voorkomen. De voorzieningenrechter deelt, gelet op de voorziene maatregelen, niet de vrees van [A] dat de komst van het behandelcentrum zal leiden tot overlast en een aantasting van het woon -en leefklimaat in de directe omgeving van het behandelcentrum, in een onaanvaardbare mate.

4.7 Het college heeft het aantal verkeersbewegingen met betrekking tot de oude functie van het complex "Woodbrookers" (horecafunctie) vergeleken met het aantal (verwachte) verkeersbewegingen ten gevolge van de komst van het behandelcentrum. Voor wat betreft de 'oude situatie' is onder meer informatie opgevraagd bij de vorige exploitant van "Woodbrookers". Op basis van de aldus verkregen informatie heeft het college berekend dat het met de oude functie van "Woodbrookers" samenhangende aantal autoritten, 183 per gemiddelde werkdag bedraagt. Vervolgens heeft het college op basis van de van Jeugdhulp Friesland verkregen gegevens berekend dat met de komst van het behandelcentrum gerekend kan worden op 142 autoritten gemiddeld per dag. De voorzieningenrechter heeft geen aanknopingspunten gevonden om deze berekeningen voor onjuist te houden. Verder is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gebleken dat de Boerestreek een onveilige weg is. Ook overigens is de voorzieningenrechter naar voorlopig oordeel niet gebleken dat de locatie van het behandelcentrum stuit op verkeersdeskundige bezwaren.

4.8 Met betrekking tot de ecologische aspecten van het bouwplan overweegt de voorzieningenrechter dat volgens vaste jurisprudentie de vraag of in het kader van de vrijstelling een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, in beginsel pas aan de orde kan komen in een procedure op grond van de Flora- en faunawet. Dat doet er niet aan af dat geen goedkeuring aan een bouwplan verleend mag worden, indien en voor zover het betreffende bestuursorgaan op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het bouwplan in de weg zou staan (vgl. LJN: BD2128). Blijkens de rapporten van 5 februari 2008 en 11 september 2008 van Bügel Hajema Adviseurs is het gebied waarop het bouwplan betrekking heeft, bezocht op 17 december 2007 en vervolgens aanvullend op 8 mei 2008, 28 mei 2008, 2 juli 2008 en 28 augustus 2008. Uit het rapport van 11 september 2008 blijkt dat rond het complex "Woodbrookers" twee beschermde plantensoorten zijn aangetroffen, namelijk de soorten daslook en steenanjer. In dit rapport wordt echter nergens gewag gemaakt van de aanwezigheid van orchideeën. In het rapport van 5 februari 2008 wordt evenmin gewag gemaakt van de aanwezigheid van deze plantensoort. Dat, zoals [A] betoogt, deze plantensoort wel aanwezig is en tijdens de veldbezoeken over het hoofd is gezien, komt de voorzieningenrechter niet waarschijnlijk voor, te meer gelet op het aantal veldbezoeken en de periode waarin deze hebben plaatsgevonden. Overigens heeft [A] deze stelling op geen enkele wijze onderbouwd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doet zich niet de situatie voor dat op voorhand aannemelijk is dat de in geding zijnde natuurwaarden zich verzetten tegen realisering van het behandelcentrum. Het college behoefde zich daarom niet gehouden te achten vanwege ecologische waarden goedkeuring te onthouden aan de bouw van het behandelcentrum.

4.9 Resumerend is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college de noodzaak van en het belang bij de realisering van het behandelcentrum, zoals geschetst in paragraaf 3 van de ruimtelijke onderbouwing (Planbeschrijving, Achtergronden aanvraag), van doorslaggevende betekenis heeft mogen achten, boven de door [A] aangegeven belangen om van realisering van het behandelcentrum af te zien. Het college heeft daarom in redelijkheid kunnen besluiten tot het verlenen van vrijstelling voor de bouw van het behandelcentrum. Nu het bouwplan bovendien voldoet aan redelijke eisen van welstand en gesteld noch gebleken is van andere gronden op grond waarvan de bouwvergunning geweigerd had moeten worden, was het college, gelet op artikel 44 van de Woningwet, gehouden bouwvergunning aan Jeugdhulp Friesland te verlenen. Voor het schorsen van de bouwvergunning bestaat geen aanleiding. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

Proceskosten

5.1 Voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. E.M. Visser, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van

mr. J.R. Leegsma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2009.

w.g. J.R. Leegsma

w.g. E.M. Visser

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.