Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BH6393

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
18-03-2009
Datum publicatie
19-03-2009
Zaaknummer
AWB 09/347 en 09/395
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Uitbreiding pand in binnenstad Harlingen. Betekenis Beschrijving in Hoofdlijnen en welstandstoets. Kortsluiting. Beroep ongegrond en afwijzing verzoek om een voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummers: AWB 09/347 en 09/395

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 maart 2009 als bedoeld in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in de gedingen tussen

de Vereniging "Oud Harlingen",

gevestigd te Harlingen,

verzoekster,

gemachtigde: C.H. Elsinga, bestuurslid van verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van Harlingen,

verweerder,

gemachtigden: M. Stielstra en H. Runia, beiden werkzaam bij de gemeente Harlingen.

Procesverloop

Bij brief van 5 februari 2009 heeft verweerder verzoekster mededeling gedaan van een besluit op bezwaar betreffende - voor zover hier van belang - de toepassing van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). Verzoekster heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank (reg. nr. 09/395). Tevens heeft verzoekster zich bij brief van 13 februari 2009 tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb een voorlopige voorziening te treffen (reg. nr. 09/347). Met toepassing van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb heeft de rechtbank [X] (hierna: [X]) in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. [X] heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en hij heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven. Het verzoek is ter zitting behandeld op 4 maart 2009. Verzoekster en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. [X] is in persoon verschenen.

Motivering

Feiten

1. Voor de feiten en omstandigheden die in deze procedures van belang zijn, verwijst de voorzieningenrechter naar de uitspraak met de procedurenummers 08/1973 en 08/1974, die hangende de bezwaarschriftprocedure op 1 oktober 2008 tussen dezelfde partijen is gewezen. In die uitspraak heeft de voorzieningenrechter, omdat het besluit tot verlening van de bouwvergunning op essentiële punten gebreken vertoonde, dat besluit geschorst.

Standpunten van partijen

2.1 In het thans bestreden besluit heeft verweerder - onder meer en samengevat - overwogen dat het pand van [X] aan het Schoolplein 3 (hierna: het pand) al vele jaren zijn woonfunctie heeft verloren en dat [X] dit pand nodig heeft voor opslag. Het bestemmingsplan laat toe het pand naar achteren uit te breiden met twee meter, maar omdat dat in dit geval niet voldoende is, kan de ruimte met een binnenplanse vrijstelling verder worden vergroot, zonder op het gebied te komen dat in het bestemmingsplan als waardevol open gebied is aangeduid. Van aantasting van de open ruimte is verder geen sprake, omdat er links en rechts van het pand reeds ver in de open ruimte stekende panden zijn. Op 11 december 2008 heeft de welstandscommissie "Hûs en Hiem" (hierna: "Hûs en Hiem") een nadere onderbouwing van haar eerdere welstandsadvies van 11 februari 2008 gegeven. Volgens "Hûs en Hiem" voldoet het bouwplan niet geheel aan redelijke eisen van welstand op het aspect opmaak met betrekking tot detail en materiaal. [X] heeft die kritiek echter ondervangen door de stalen onderdelen te omkleden met hout. Verder is de loopdeur van hout en bestaat de garagekanteldeur in aanzicht uit houten delen. Daarmee verslechteren de beeldbepalende waarde en het omgevingsbeeld niet, aldus verweerder. Hij heeft dan ook, overeenkomstig een advies van de Commissie voor de klachten en bezwaarschriften van de gemeente Harlingen, de aan [X] verleende vrijstellingen en bouwvergunning gehandhaafd en het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.

2.2 Verzoekster neemt - onder meer en samengevat - het standpunt in dat volgens de bestemmingsplanvoorschriften het uitbreiden van (hoofd)gebouwen door middel van het bouwen buiten het bouwvlak alleen is toegestaan als er sprake is van een aantoonbare behoefte van de in de bestemming toegelaten functies. Waardevolle open gebieden en terrein moeten zoveel mogelijk open blijven. Bij "aantoonbare behoefte" wordt als voorbeeld gegeven "extra woonruimte op de begane grond voor gehandicapte(n)". De wens van [X] om in het pand een auto, vuilnisbakken en tuinmeubelen te kunnen stallen is van een andere orde. Verder is verzoekster van mening dat hoe meer stukken binnentuin in het verleden al zijn bebouwd, hoe zwaarder de aantasting van het overgebleven groen weegt. Ook is er sprake van precedentwerking. Ten slotte maakt verzoekster een aantal inhoudelijke opmerkingen over het welstandsadvies van "Hûs en Hiem".

Beoordeling van de geschillen

3.1 Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om verzoekster te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening. Indien, zoals in het onderhavige geval, het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan terwijl beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit het geval. De voorzieningenrechter zal daarom onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

3.2 Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Harlingen-Binnenstad" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Centrumdoeleinden II". Daarnaast maakt het perceel deel uit van een gebied met de aanvullende bestemming "Cultuurhistorisch en ruimtelijk waardevol gebied". Bovendien is het pand aan de hand van een zogenoemde scorelijst aangewezen als een beeldbepalend pand in het beschermd gezicht van Harlingen.

3.3 Vast staat dat het bouwplan in strijd is met artikel 5, lid B, sub 3, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan, omdat het pand na realisatie van het bouwplan een gezamenlijke oppervlakte heeft van meer dan 45 m². Eveneens staat vast dat het bouwplan in strijd is met artikel 5, lid B, sub 1, aanhef en onder b, van het bestemmingsplan, omdat het bouwplan voorziet in het bebouwen van meer dan 30% buiten het op de plankaart aangegeven bouwvlak.

3.4 Voor de overschrijding van de gezamenlijke oppervlakte heeft verweerder met toepassing van artikel 19, derde lid, WRO vrijstelling verleend. Voor het bouwen buiten het bouwvlak heeft verweerder met toepassing van artikel 5, lid D, aanhef en onder 1, van het bestemmingsplan binnenplanse vrijstelling verleend.

3.5 Artikel 19, derde lid, WRO bepaalt dat burgemeester en wethouders vrijstelling kunnen verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen. In artikel 20, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening is aangegeven welke gevallen voor toepassing van artikel 19, derde lid, WRO in aanmerking komen.

3.6 Ingevolge artikel 5, lid D, aanhef en onder 1, van het bestemmingsplan dient het college bij de beoordeling of binnenplanse vrijstelling van het gestelde in artikel 5, lid B, sub 1, aanhef en onder b, van het bestemmingsplan verleend kan worden het gestelde in de Beschrijving in Hoofdlijnen (BiH) in acht te nemen. In artikel 3, paragraaf 1.2 ("Ruimtelijke structuur") van de BiH is aangegeven dat het beleid ten aanzien van de ruimtelijke structuur van de binnenstad van Harlingen is gericht op het behoud van de ruimtelijke waarden dan wel het herstel of toevoeging van ruimtelijke waarden waar die verstoord zijn dan wel ontbreken. In artikel 3, tweede lid, paragraaf 2.1.1 (tweede asterisk), van de BiH is voorts bepaald dat uitbreiding van de (hoofd)gebouwen door middel van het bouwen buiten het bouwvlak, uitsluitend zal worden toegestaan, indien er sprake is van een aantoonbare behoefte van de in de bestemming toegelaten functies. Bij het toepassen van de vrijstellingsbevoegdheid dient geen aanzet te worden gegeven tot het geheel volbouwen van binnen- en/of achterterreinen. Waardevolle open gebieden en binnenterreinen dienen zoveel mogelijk open te blijven.

3.7 Artikel 21, lid A, van het bestemmingsplan bepaalt dat de op de plankaart voor cultuurhistorisch en ruimtelijke waardevol gebied aangewezen gronden, naast de andere op de kaart aangewezen bestemming, bestemd zijn voor het behoud, herstel en de uitbouw van de in de BiH (artikel 21, lid B, van het bestemmingsplan) aangegeven cultuurhistorische, ruimtelijke en archeologische waarden van het gebied en zijn bebouwing. Artikel 21, lid B, sub 3, van het bestemmingsplan ("Toetsingscriteria voor ontwikkeling en beheer") bepaalt dat bij de beoordeling van bouwplannen die slechts kunnen worden toegestaan nadat door burgemeester en wethouders een vrijstelling is verleend, in acht dient te worden genomen dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de onder sub 2 genoemde instructies. Hierin is onder de derde asterisk aangegeven dat behalve met het bestemmingsplan een goede beeldkwaliteit zal worden nagestreefd middels het welstandstoezicht. Waar aan de bebouwing en het bebouwingsbeeld extra eisen moeten worden gesteld aan de situering, vormgeving, materiaalgebruik en kleurstelling zal, voor zover met deze eisen bij de toetsing aan dit bestemmingsplan geen rekening kan worden gehouden, de naleving van deze eisen worden nagestreefd bij de beoordeling of een gebouw voldoet aan redelijke eisen van welstand.

3.8 De verlening van buitenplanse vrijstelling op grond van artikel 19, derde lid, van de WRO, en van binnenplanse vrijstelling betreft een discretionaire bevoegdheid van verweerder. Dit brengt mee dat de voorzieningenrechter verweerders beslissing om deze vrijstellingen aan [X] te verlenen, terughoudend moet toetsen. Aan de orde is dan ook de vraag of verweerder, na afweging van de betrokken belangen, waaronder die van verzoekster, maar ook die van [X], in redelijkheid heeft kunnen besluiten de vrijstellingen te verlenen.

3.9 Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) mag verweerder met betrekking tot de welstandsaspecten, hoewel hij niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan zo'n advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of een derde belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Dit is slechts anders indien het advies van de welstandscommissie naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de AbRS van 11 februari 2009, LJN: BH2512).

3.10 "Hûs en Hiem" heeft getoetst aan de door de gemeenteraad vastgestelde welstandsnota en is in het welstandsadvies van 11 februari 2008, dat op verzoek van verweerder uitvoerig is aangevuld op 11 december 2008, tot de conclusie gekomen - onder meer - dat het plaatsen van de platgedekte aanbouw, naast een reeds gerealiseerde, hogere platgedekte aanbouw, de bestaande ruimtelijke waarde van het open binnenterrein niet aantast. Verder sluit de aanbouw aan het beeldbepalende pand in hoofdvorm en aanzicht aan bij het beeld zoals dat in de omgeving aanwezig is. Ten opzichte van de directe omgeving is deze beperkt van hoogte en afmetingen en daardoor voldoende ondergeschikt. Het bouwplan voldoet aangaande de aanzichten aan de welstandscriteria, aldus "Hûs en Hiem". Voorts is [X], zoals onder meer ter zitting aan de hand van bouwtekeningen is aangetoond, aan de nog overgebleven kritiek op de opmaak met betrekking tot detail en materiaal tegemoetgekomen. Onder deze omstandigheden valt dan ook niet in te zien waarom verweerder het bouwplan opnieuw aan "Hûs en Hiem" had moeten voorleggen. Verzoekster heeft het welstandsadvies niet bestreden met een advies van een andere deskundige persoon of instantie. Ook overigens bestaat geen grond voor het oordeel dat het welstandsadvies op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. In redelijkheid heeft verweerder op het welstandsadvies van "Hûs en Hiem" kunnen afgaan.

3.11 Verder heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat [X] het pand nodig heeft voor opslag. Het betoog van verzoekster dat die behoefte van geheel andere orde is dan de noodzaak voor extra woonruimte op de begane grond voor een gehandicapte faalt, omdat dit laatste een voorbeeld betreft en niet valt in te zien waarom de behoefte aan opslag van [X], die niet in strijd is met de bestemming "Centrumdoeleinden II", onaanvaardbaar zou zijn.

3.12 De voorzieningenrechter overweegt voorts dat in voldoende mate is voldaan aan de bepaling dat waardevolle open gebieden en binnenterreinen zoveel mogelijk open moeten blijven. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen aannemen dat van onaanvaardbare aantasting van de open ruimte geen sprake zal zijn, nu links en rechts van het pand al ver in de open ruimte stekende panden staan en ook "Hûs en Hiem" in haar aanvullend advies van 11 december 2008 erop heeft gewezen dat het plaatsen van de platgedekte aanbouw, naast een reeds gerealiseerde hogere, platgedekte aanbouw, de bestaande ruimtelijke waarde van het open binnenterrein niet aantast. De voorzieningenrechter stelt vast dat het gebied waarop volgens de bestemmingsplankaart geen gebouwen zijn toegestaan, ook thans onbebouwd blijft.

3.13 De conclusie van de voorzieningenrechter is dat verweerder thans voldoende heeft gemotiveerd dat met het bouwplan van [X] geen, althans niet in onaanvaardbare mate, afbreuk wordt gedaan aan het beeldbepalend karakter van het pand en aan de in de BiH en de welstandscriteria neergelegde uitgangspunten. Verweerder was bevoegd de vrijstellingen te verlenen en heeft in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik gemaakt. Hij heeft de belangen die verzoekster behartigt en de belangen van [X] in voldoende mate tegen elkaar afgewogen en heeft in redelijkheid aan laatstgenoemde belangen een zwaarder gewicht kunnen hechten.

3.14 Met de verleende vrijstellingen is het bouwplan niet langer in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Nu het bouwplan bovendien voldoet aan redelijke eisen van welstand en geen sprake is van andere gronden op grond waarvan de bouwvergunning geweigerd had moeten worden, was verweerder, gelet op artikel 44 van de Woningwet, gehouden bouwvergunning aan [X] te verlenen. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit, voor zover aangevochten, de rechterlijke toets kan doorstaan. Het beroep zal ongegrond worden verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening zal worden afgewezen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Leegsma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2009.

w.g. J.R. Leegsma

w.g. P.G. Wijtsma

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak in het verzoek om een voorlopige voorziening met registratienummer 09/347 kan geen rechtsmiddel worden aangewend.

Tegen de uitspraak in de hoofdzaak met registratienummer 09/395 staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in artikel 6:13 in samenhang met artikel 6:24 van de Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u dan waarom u de uitspraak niet juist vindt.