Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2009:BH5358

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
10-03-2009
Datum publicatie
10-03-2009
Zaaknummer
17/880468-08 VEV
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mensenhandel, tegenstrijdigheden, exploitatie van prostitutie, uitbuiting

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 273f
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector straf

parketnummer 17/880468-08

verkort vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 10 maart 2009 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in PI Noord, locatie De Marwei te Leeuwarden.

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 24 februari 2009.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. S. Dogan, advocaat te Wijk bij Duurstede.

Telastelegging

Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- vrijspraak van het onder sub 1, 4, 6 en 9 telastegelegde;

- veroordeling voor het onder sub 3 telastegelegde;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van voorarrest;

- teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen auto.

Partiële vrijspraak

De verdachte moet van het sub 1, sub 4, sub 6 en sub 9 telastegelegde worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet bewezen acht.

Bewijsoverweging

Namens verdachte is aangevoerd dat de verklaringen van de getuige [getuige 1] (hierna: [getuige 1]) onbetrouwbaar zijn en dus niet mogen worden gebruikt voor de bewijsvoering.

Verdachte signaleert diverse tegenstrijdigheden in de verklaringen die [getuige 1] heeft afgelegd. De getuige heeft volgens verdachte maar wat gezegd en is niet goed bij haar hoofd.

De rechtbank stelt voorop dat het niet ongewoon is dat verklaringen van getuigen, die op verschillende tijdstippen en ten overstaan van verschillende autoriteiten zijn afgelegd, op onderdelen van elkaar afwijken en zelfs tegenstrijdig zijn. Daaraan mag niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat de getuige ongeloofwaardig is of dat de afgelegde verklaringen onbetrouwbaar zijn. Veeleer moet worden aangenomen dat dergelijke verschillen worden veroorzaakt door de feilbaarheid van het menselijk geheugen.

Aan verdachte kan worden toegegeven dat [getuige 1] op een aantal punten verklaringen heeft afgelegd die moeilijk met elkaar te rijmen zijn; de rechtbank verwijst in dit verband naar het pleidooi van de raadsvrouwe van de verdachte, waarin zij een aantal voorbeelden heeft genoemd.

Van belang is echter of de verklaringen van de getuige op voor het bewijs essentiële onderdelen consistent zijn en door andere bewijsmiddelen worden bevestigd. In dit verband stelt de rechtbank vast dat [getuige 1]'s verklaringen bij de politie en bij de rechter-commissaris overeenkomen waar zij verklaart over de reden waarom zij met verdachte en medeverdachte [medeverdachte] meegegaan is naar Nederland, dat zij met hen per auto van Bulgarije naar Nederland is gereisd, dat zij vervolgens naar een pension in Leeuwarden is gebracht waar zij [getuige 2] (hierna [getuige 2]) heeft ontmoet en dat zij de volgende dagen in een bordeel in Leeuwarden heeft gewerkt, waar zij door [getuige 2] wegwijs werd gemaakt. Deze voor het bewijs essentiële verklaringen van [getuige 1] worden bevestigd door de getuigen [getuige 3], [getuige 2] en [getuige 4] alsmede door verdachte en de medeverdachte [medeverdachte].

De rechtbank acht in dit verband voorts van belang dat [getuige 1] haar verklaring bij de rechter-commissaris onder ede heeft afgelegd en dat die verklaring ten overstaan van een rechter en in tegenwoordigheid van verdachtes raadsman is afgelegd. Er is dan ook geen reden de verklaringen van [getuige 1] onbetrouwbaar te achten en als bewijsmiddel uit te sluiten.

Voor zover verdachte heeft willen betogen dat [getuige 1] door een stoornis van haar geestvermogens niet in staat zou zijn een coherente verklaring af te leggen, stelt de rechtbank vast dat deze stelling tijdens het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden.

Het doel van artikel 273f van het Wetboek van strafrecht is, zo blijkt zowel uit de plaatsing van het artikel in Titel XVIII: "Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid", als uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling en haar voorlopers, de uitbuiting van personen te voorkomen, waarbij het begrip 'uitbuiting' ruim dient te worden opgevat, en het bieden van bescherming tegen de aantasting van de lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van individuele personen.

In artikel 273f, eerste lid, aanhef en onder 3º, van het Wetboek van strafrecht is behalve het ontvoeren, strafbaar gesteld het aanwerven of medenemen van een ander met het oogmerk die ander in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling. Het verrichten van seksuele handelingen tegen betaling wordt algemeen aangeduid als prostitutie.

In Nederland is echter niet iedere vorm van prostitutie strafbaar. Uitgangspunt van het Nederlandse beleid inzake de exploitatie van prostitutie is dat met strafrechtelijke middelen moet worden opgetreden tegen die vormen van exploitatie waarbij op ongeoorloofde wijze economisch profijt wordt getrokken uit de exploitatie (uitbuiting) dan wel de desbetreffende persoon niet telkens volledig vrij tot het verrichten van de seksuele handelingen kan beslissen, daarvan kan afzien en ook helemaal daarmee kan stoppen.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte], [getuige 1] in de auto van de medeverdachte hebben meegenomen van hun woonplaats Sliven in Bulgarije naar Leeuwarden.

Eenmaal in Leeuwarden aangekomen werd [getuige 1] naar een huis gebracht waar ook [getuige 2], de vrouw van verdachte, verbleef. Deze [getuige 2] werkte in Leeuwarden in een bordeel en heeft [getuige 1] daar de volgende dag wegwijs gemaakt, haar kamerhuur betaald en voor haar kleding gezorgd. [getuige 1] had bij vertrek uit Bulgarije geen kleren bij zich anders dan die zij op dat moment droeg, noch beschikte zij over geldelijke middelen om de kamerhuur zelf te vergoeden. Medeverdachte [medeverdachte] legde [getuige 1] uit wat zij met de klanten moest doen en welke tarieven zij moest berekenen.

Op grond van het vorenstaande staat vast dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte], [getuige 1] heeft meegenomen van Bulgarije naar Nederland met het oogmerk haar ertoe te brengen, zich te prostitueren. Dit oordeel vindt steun in de omstandigheid dat verdachte noch zijn medeverdachte een ander redelijk doel voor hun reis naar Nederland hadden. Verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] hebben beiden desgevraagd ter terechtzitting verklaard dat zij hier kwamen voor de autohandel. Verdachte heeft echter geen enkele activiteit kunnen noemen die hij daartoe heeft ondernomen, zodat zijn verklaring voor zijn aanwezigheid in Nederland niet aannemelijk is geworden. Steun voor haar redenering ontleent de rechtbank ook aan de positie van [getuige 1]. Deze 18-jarige vrouw, die blijkens de bewijsmiddelen geen Nederlands sprak, nooit in Nederland was geweest en noch kon lezen noch kon schrijven, was voor haar welzijn geheel afhankelijk van verdachte en de medeverdachte. Verdachte en zijn medeverdachte moeten dit hebben begrepen. Uit het feit dat zij niettemin [getuige 1] onder geschetste omstandigheden hebben meegenomen naar Nederland kan -mede in het licht van wat zich nadien in Leeuwarden heeft voorgedaan- worden afgeleid dat zij het oogmerk hadden, haar ertoe te brengen dat zij in de prostitutie ging werken. Tevens volgt uit de geschetste omstandigheden dat [getuige 1] niet volledig vrij tot het verrichten van de seksuele handelingen kon beslissen, daarvan niet meer in volledige vrijheid kon afzien, noch daarmee in volledige vrijheid kon stoppen. Aldus staat vast dat de gedragingen van verdachte een inbreuk hebben gemaakt op de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het telastegelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij in de periode van 1 november 2008 tot en met 25 november 2008, te Leeuwarden en in Nederland en buiten Nederland, tezamen en in vereniging met een ander

B. (sub 3)

een ander, te weten [getuige 1] , heeft meegenomen met het oogmerk die [getuige 1] in een ander land (Nederland) ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling

immers heeft verdachte in vereniging met een ander, die [getuige 1] meegenomen/vervoerd naar Nederland.

De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het bewezene levert op het misdrijf:

Mensenhandel, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van het gepleegde feit;

- de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister;

- de vordering van de officier van justitie;

- het pleidooi van de raadsman.

Verdachte heeft samen met een ander een 18-jarige vrouw meegenomen van Bulgarije naar Nederland om haar ertoe te brengen in de prostitutie te gaan werken. Verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan mensenhandel, een moderne vorm van slavernij. Door zijn gedraging heeft verdachte de persoonlijke vrijheid van de vrouw geschonden, één der hoogste rechtsgoederen. Een dergelijke misdraging behoort, vanwege het uiterst krenkend karakter voor het slachtoffer, te worden bestraft met gevangenisstraf. Strafverlichtende omstandigheden zijn er niet. De rechtbank ziet geen aanleiding onderscheid aan te brengen in de strafmaat tussen verdachte en zijn medeverdachte, nu hun verwijtbaarheid even groot moet worden geacht. Evenmin voelt de rechtbank voor het opleggen van een deel van de straf in voorwaardelijke vorm, zoals door de officier van justitie gevorderd, omdat verdachte in Bulgarije woont en geen banden met Nederland heeft, zodat het effect van gedragsvoorwaarden moeilijk te meten is.

Inbeslaggenomen goederen

De rechtbank acht de inbeslaggenomen auto vatbaar voor teruggave aan verdachte, nu het belang van strafvordering zich hiertegen niet langer verzet.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder sub 1, sub 4, sub 6 en sub 9 is telastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder sub 3 telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven auto, merk BMW, kenteken [kenteken].

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H. Severein, voorzitter, mr. K. Bunk en mr. S.B. van Baalen, rechters, bijgestaan door mr. E.M. Troost, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 maart 2009.